Wel overeenkomst voor extra lessen

De consument kan zich niet beroepen op het ontbreken van een overeenkomst. Door het volgen van extra lessen is een mondelinge overeenkomst tot stand gekomen en moet zij de lessen betalen.

Voor een pakket van 40 praktijklessen wordt volgens de consument niet met haar maar met haar vader een overeenkomst gesloten en ondertekent zij de overeenkomst namens hem. Haar vader betaalt ook de rekening van € 1.600,-. Maar daar blijft het niet bij want ze krijgt nog twee rekeningen. Een van € 601,- voor aanvullende lessen en een tweede praktijkexamen en een van € 471,- voor aanvullende lessen voorafgaand aan het examen. Het totale bedrag van € 1.072,- betaalt de consument niet. Dat stort zij bij de commissie in depot. Volgens haar is noch met haar noch met haar vader een overeenkomst afgesloten zodat de lessen ten onrechte in rekening zijn gebracht. Bovendien kon ze geen overeenkomst afsluiten omdat ze daarvoor niet over de financiële middelen beschikt.  

Volgens de consument bestempelt de ondernemer ten onrechte het instappen in de lesauto als een mondelinge overeenkomst, maar dan wordt alleen een inschatting van het benodigd aantal lessen gemaakt. Naar haar mening houdt de ondernemer geen deugdelijke administratie bij. Zelf weet zij niet precies hoeveel lessen zij heeft gehad. Omdat er geen overeenkomst is kan niet worden gezien hoeveel lessen er zijn gegeven. Nooit is aangegeven dat het aantal van 40 lessen was bereikt. Kennelijk is de ondernemer gewoon met de lessen doorgegaan, want nergens blijkt dat ze over dat aantal is gegaan.  

Volgens de ondernemer is met de consument een overeenkomst gesloten voor 40 lessen en één examen voor € 1.575,-, een theoriepakket van 4 lessen voor € 97,50, een eigen verklaring voor € 25,-, een tussentijdse toets van € 125,- en een herexamen voor € 205,-. De consument heeft een factuur van € 1.600,- betaald voor 40 lessen en de eigen verklaring. De tussentijdse toets en het examen werden nog niet in rekening gebracht omdat die kosten nog niet waren gemaakt. De consument betwist de facturen van € 471,- en van € 601,- omdat er volgens haar geen overeenkomst is. In de facturen zijn de kosten van de tussentijdse toets van € 125,- en de kosten van het herexamen van € 205,- begrepen en deze bedragen is zij hoe dan ook verschuldigd.  

Het overeengekomen lespakket was volgens de ondernemer volledig volgelopen. De consument had meer lessen nodig om een goede kans te maken voor het rijexamen te slagen, mede omdat zij een aantal lessen te laat had afgezegd. Zij heeft de extra lessen afgenomen, overigens zonder het gewenste resultaat. Daarom waren meer lessen nodig om haar op het herexamen voor te bereiden. Voor deze lessen is € 601,- in rekening gebracht.  

Nadat de consument voor het examen was gezakt is met haar een herexamentraject besproken. Buiten de overeenkomst heeft zij deze lessen gevolgd en daarmee is mondeling een nieuwe overeenkomst aangegaan. Per les is een redelijke vergoeding van € 36,- in rekening gebracht. De consument is meerderjarig, bevoegd een overeenkomst te sluiten en dus contractpartij. Dat haar vader het lespakket heeft betaald is daarbij niet van belang.  

De commissie is het niet eens met de consument dat niet zij maar haar vader de contractant is en dat er geen overeenkomst is voor de facturen van € 471,- en € 601,-. Onder de schriftelijke pakketovereenkomst staat weliswaar haar handtekening, maar heeft ze niet aannemelijk gemaakt dat de ondernemer wist dat zij dat namens haar vader deed, ook al was hij ervan op de hoogte dat hij de opleiding betaalde.  

 

Tijdens de zitting heeft de ondernemer aan de hand van de administratie inzicht gegeven in het aantal lessen dat de consument heeft gehad. Daarentegen kon de consument niet aangeven hoeveel lessen zij naar haar mening heeft gehad en kon ze dat ook niet aan de hand van de leskaart aantonen. Daarom gaat de commissie van de gegevens van de ondernemer uit. Het lijkt er bovendien op dat het de consument niet om het aantal gevolgde lessen is te doen maar om het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst. Als bewijs verdient een schriftelijke overeenkomst de voorkeur boven een mondelinge overeenkomst, maar in dit geschil zijn ze in gelijke mate rechtsgeldig. Dat de consument meer lessen afneemt dan wat schriftelijk was overeengekomen betekent vanzelfsprekend niet dat zij die niet hoeft te betalen.  

Met de ondernemer is de commissie van oordeel dat de in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn en betrekking hebben op de door de consument afgenomen lessen die zij dan ook moet betalen. Daarbij komt dat zij als meerderjarige gerechtigd was een dergelijke – mondelinge – overeenkomst aan te gaan, ook al kon zij dit niet betalen. Nog daargelaten dat de ondernemer van haar financiële situatie niet op de hoogte was. Haar klacht wordt afgewezen. Het depotbedrag van € 1.072,- wordt aan de ondernemer overgemaakt.

Geschillencommissie Rijopleidingen, Jaarverslag 2014

Was deze informatie duidelijk?

Terug naar boven