Ten onrechte op onderbuikgevoelens afgegaan

De commissie komt er niet achter waarom de zorgaanbieder zonder dat de cliënt dat wist en daar toestemming voor had gegeven met zijn huisarts is gaan praten. Er was daarvoor geen concrete aanleiding. Door af te gaan op onderbuikgevoelens heeft de zorgaanbieder onvoldoende zorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.

Oude hand met krukDe zoon van een cliënt beklaagt zich bij de commissie over het feit dat zijn vader enige tijd geen medicijnen heeft gekregen. Volgens de zorgaanbieder zou de zoon zijn vader niet goed behandelen of zelfs mishandelen. Eerst moest de huisarts met zijn vader gaan praten en hem onderzoeken. De zorgaanbieder heeft zonder dat zijn vader dat wist en dus zonder zijn toestemming met de huisarts gesproken. Bovendien staan volgens de zoon in het verslag van dat gesprek ernstige beschuldigingen aan zijn adres. Er zou te weinig eten zijn, zijn vader zou bang voor hem zijn en regelmatig blauwe plekken hebben, hij zou de voorgeschreven behandelingen van zijn vader weigeren en medewerkers van de zorgaanbieder niet willen ontvangen.

Deze beschuldigingen zijn volgens de vader louter gebaseerd op speculaties en onderbuikgevoelens en niet op feiten. Door deze kwaadsprekerij wordt zijn zoon ten onrechte als onbetrouwbaar bestempeld en van zeer ernstige feiten verdacht. Hij vindt dit uitermate beledigend voor zijn zoon, die alle zorg voor hem op zich neemt en deze benadering niet verdient. Zijn eer en goede naam zijn door de onheuse bejegening van de zorgaanbieder aangetast. Ook voor hemzelf vindt de vader het kwetsend. Voorts wilde de huisarts na het gesprek met de zorgaanbieder geen herhalingsrecept voor zijn medicijn tegen diabetes uitschrijven. Daardoor heeft hij vijf maanden geen medicatie gehad. Volgens de vader is de zorgaanbieder tekort geschoten in het uitvoeren van de zorgovereenkomst. Hij wil daarvoor een schadevergoeding.

De zorgaanbieder wijst erop dat er vanaf het begin van de zorg verontrustende signalen van medewerkers over de situatie van de vader waren. Hij uitte verbaal en non-verbaal angstgevoelens en er werden bij hem bloeduitstortingen geconstateerd. Voorts verliep de communicatie met de zoon moeilijk. Hoewel het zeker niet de bedoeling was hem ergens van te beschuldigen konden de medewerkers gezien de signalen niet uitsluiten dat er mogelijk sprake van mishandeling was.

Voor de teamleider waren deze signalen dusdanig zorgwekkend dat zij besloot de huisarts van de vader in te lichten. Mogelijk kon hij wel het noodzakelijke contact met de vader en zijn zoon realiseren. In dit geval is de vader bewust niet over het contact met de huisarts geïnformeerd. Enerzijds was er sprake van een dreigende factor, anderzijds bestond de vrees dat de zorg dan zou worden gestopt. Niettemin erkent de zorgaanbieder dat de communicatie beter had gekund. Nog steeds vraagt men zich af of anders had moeten worden gehandeld. In de toekomst wordt in vergelijkbare situaties alles op alles gezet om met betrokkenen in gesprek te gaan en te blijven, voordat de hulp van derden wordt ingeschakeld.

Volgens de commissie kan het de zorgaanbieder niet kwalijk worden genomen dat de huisarts heeft geweigerd een herhalingsrecept uit te schrijven waardoor de vader (mogelijk) lichamelijk achteruit is gegaan. De huisarts wilde weliswaar op grond van de door de zorgaanbieder geuite zorgen de vader eerst zien en spreken, maar de zoon heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom het uiteindelijk vijf maanden moest duren voordat zijn vader het voorgeschreven medicijn weer kreeg. Hoewel de commissie er begrip voor heeft dat het gezien zijn leeftijd en lichamelijke beperkingen voor de vader wat moeilijk was om naar de huisarts te gaan waren deze praktische problemen er kennelijk niet als hij naar de huisartsenpost ging. De huisarts is ook niet gevraagd bij de vader langs te komen. De commissie wijst daarom dit onderdeel van de klacht af.

De commissie is het wel eens met het verwijt van de vader dat de zorgaanbieder zonder hem daarvan op de hoogte te stellen en zonder zijn toestemming met de huisarts is gaan praten. Deze procedure was niet zorgvuldig. In het verslag van het gesprek staan weliswaar signalen die medewerkers van de zorgaanbieder verontrustend vonden, maar het zijn deels beschrijvingen van situaties waarvoor mogelijk een redelijke verklaring was als men met de vader en zijn zoon in gesprek was gegaan. Verificatie heeft echter niet dan wel onvoldoende plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de commissie is onvoldoende aangetoond dat er daadwerkelijk concrete aanwijzingen voor mishandeling en/of verwaarlozing waren en het terecht was dat de zorgaanbieder daarmee naar buiten trad. De zorgaanbieder had meer in het werk moeten stellen om zijn zorgen bij de betrokkenen kenbaar te maken. Formeel is er geen relatie met de zoon, maar de zorgaanbieder behoort als geen ander te weten dat ook derden, vooral familieleden, daarbij een rol spelen. De zorgaanbieder moet zich dus ook ten opzichte van die derden zorgvuldig gedragen. Gebeurt dit niet dan kan er sprake van onrechtmatig handelen zijn. Het kan bovendien invloed hebben op de relatie met de cliënt die er belang bij heeft dat zijn naasten zorgvuldig worden behandeld.

Het is voor de commissie nog steeds onvoldoende duidelijk wat de concrete aanleiding voor de handelwijze van de zorgaanbieder was. De commissie heeft begrip voor de zorgplicht van de zorgaanbieder, maar deze heeft zich meer door onderbuikgevoelens laten leiden. De zorgaanbieder heeft onvoldoende zorgvuldig en verwijtbaar gehandeld door zonder medeweten van de cliënt met zijn huisarts te gaan praten.

Hoewel dit deel van de klacht gegrond is, is er geen aanleiding de cliënt ten laste van de zorgaanbieder een vergoeding toe te kennen. Door de handelwijze van de zorgaanbieder heeft hij geen schade geleden.

Geschillencommissie Verpleging, verzorging en thuiszorg, jaarverslag 2016

Was deze informatie duidelijk?

Terug naar boven