Kinderopvangorganisatie zegt opvang op vanwege gebrek aan vertrouwen in ouder

Onderwerp van het geschil

Een ouder die lid is van de oudercommissie, dient als ouder, niet als lid van de oudercommissie, een klacht in bij de gemeente. Zij volgt de interne klachtenprocedure bij de kinderopvangorganisatie niet. Ook liet de ouder zich tegenover nieuwe medewerkers negatief uit over de kinderopvangorganisatie. Haar gedragingen hebben het vertrouwen van de ondernemer in de consument beschadigd. De ondernemer mag de overeenkomst daarom opzeggen.

De consument klaagt, kort samengevat, erover dat de ondernemer de plaatsingsovereenkomsten heeft opgezegd wegens het ontbreken van vertrouwen in de consument, terwijl niet duidelijk was waarop dat was gebaseerd.

De consument heeft de klacht op 14 februari 2017 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument maakt met ingang van 16 oktober 2014 gebruik van dagopvang bij het kinderdagverblijf van de ondernemer voor haar kinderen van 2 en 0 jaar oud voor 2 dagen resp. 1 dag per week. Op 14 februari 2017 heeft de ondernemer de overeenkomsten opgezegd per 15 maart 2017. De ondernemer voert als reden aan het verdwenen vertrouwen door niet transparante communicatie van de consument. Deze niet transparante communicatie gaat volgens de consument echter over zaken die zij als lid van de oudercommissie heeft gedaan en bestaat uit vermeende meldingen bij de GGD. De ondernemer meent dat hij mag opzeggen op grond van artikel 15 lid 4 van de door hem gehanteerde algemene voorwaarden. De consument is het niet met deze opzegging eens en vindt dat zij hierover onvoldoende uitleg heeft ontvangen van de ondernemer.

De consument kan zich niet vinden in de beweringen van de ondernemer die tot de opzegging hebben geleid. Ten tijde van het indienen van de klacht zag zij als oplossing van het geschil dat de opzegging wordt teruggedraaid, zodat de kinderen naar de opvang kunnen blijven gaan.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende naar voren gebracht. De kinderen van de consument gaan inmiddels naar een andere kinderopvang en de consument wil ze daar niet meer weghalen, zodat zij met deze procedure niet meer beoogt dat de opzegging wordt teruggedraaid. Wel verlangt zij dat de commissie een oordeel geeft over de vraag of de opzegging zorgvuldig is geweest. Zij wil voorkomen dat bij andere ouders die hun werkzaamheden als oudercommissielid op kritische wijze uitoefenen, eveneens de overeenkomst wordt opgezegd. Verder voert zij aan dat zij niet op eigen initiatief bij de gemeente over de ondernemer heeft geklaagd, maar is meegegaan met de toenmalige voorzitter van de oudercommissie.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument is tevens lid van de oudercommissie. In de afgelopen maanden zijn er diverse voorvallen geweest, waarbij de consument de ene keer heeft gehandeld als ouder, de andere keer vanuit haar rol als lid van de oudercommissie. De wijze waarop gehandeld is, is dermate belastend voor de organisatie dat de ondernemer helaas het vertrouwen in een verdere samenwerking heeft moeten opzeggen. De ondernemer noemt bijvoorbeeld dat de consument klachten over de ondernemer heeft geuit bij de Gemeente en de GGD zonder deze klachten te melden bij de directie en de locatiemanager, hoewel het altijd mogelijk is een gesprek in te plannen en gebruik te maken van een interne klachtenprocedure. De ondernemer heeft dat als erg kwetsend en beschadigend ervaren. Ook heeft de consument tijdens een vergadering met de oudercommissie op 8 december 2016, waarbij afgesproken was dat open zou worden gecommuniceerd, verzwegen dat zij op 30 november 2016 klachten over de ondernemer bij de gemeente had ingediend. Toen de ondernemer de consument in een persoonlijk gesprek op 13 januari 2017 vroeg waarom zij tijdens de vergadering van 8 december 2016 niet heeft aangegeven dat ze contact had gehad met de gemeente heeft de consument geen uitleg gegeven, maar wel een voor de ondernemer kwetsende opmerking geplaatst. Tevens is de consument meerdere malen binnengelopen bij de locatie om haar onvrede te uiten, nieuwe collega’s te ‘waarschuwen’ voor de ondernemer en aan te geven dat ze op zoek ging naar andere kinderopvang.

Op 14 februari 2017 heeft de ondernemer, met verwijzing naar artikel 15 lid 4 van de algemene voorwaarden, aan de consument laten weten dat hij de overeenkomsten per direct zou kunnen beëindigen, doch dat hij ervoor koos de overeenkomsten op te zeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, derhalve per 15 maart 2017. De ondernemer beroept zich daarbij erop dat er vanuit het management geen vertrouwen meer in de consument was. Hoewel het bij inachtneming van deze opzegtermijn niet nodig is dat de ondernemer een reden voor de opzegging noemt, heeft de ondernemer dit met het oog op de onderlinge verstandhouding wel gedaan. De ondernemer heeft deze reden in de mail genoemd en in een persoonlijk gesprek op 22 februari 2017 nader toegelicht.

Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende naar voren gebracht. Na afloop van de vergadering met de oudercommissie op 8 december 2016 heeft de ondernemer aan alle aanwezige ouders expliciet gevraagd of alles nu open en eerlijk was besproken, waarop ook door de consument bevestigend is geantwoord.

De ondernemer verzoekt daarom, zo begrijpt de commissie, de klacht van de consument ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument baseert haar klacht op de veronderstelling dat de ondernemer de overeenkomsten heeft opgezegd omdat de consument haar werkzaamheden als oudercommissielid uitoefende en zich daarbij kritisch opstelde. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is aan de commissie echter voldoende gebleken dat de overeenkomst niet is opgezegd wegens het door de consument voor de oudercommissie uitoefenen van reguliere werkzaamheden, maar wegens persoonlijke gedragingen van de consument. Het gaat er daarbij om dat de consument een klacht over de ondernemer bij de gemeente heeft ingediend zonder dit vooraf aan de ondernemer aan te kondigen, hetgeen naar het oordeel van de commissie in de regel niet onder ‘reguliere oudercommissie-werkzaamheden’ valt te vatten. Dit terwijl de consument ook niet eerder, al dan niet samen met de oudercommissie, gebruik had gemaakt van de klachtenprocedure bij de ondernemer. Blijkens de vastlegging door de gemeente van het gesprek hierover heeft de consument de klachten bovendien niet alleen als oudercommissielid, maar ook als ouder ingediend. Met name verwijt de ondernemer de consument – op goede gronden, oordeelt de commissie - de gang naar de gemeente ook hierna te hebben verzwegen tijdens een bespreking tussen de oudercommissie en de ondernemer. Zulks nu voorafgaand aan die bespreking nu juist was afgesproken dat er open en transparant met elkaar zou worden gecommuniceerd en, daarenboven, de ondernemer na afloop van de vergadering ook nog expliciet aan de consument heeft gevraagd of alles open en eerlijk was besproken, waarop de consument bevestigend heeft geantwoord. Dit is een onjuiste en misleidende weergave van de werkelijkheid geweest, die evenmin kan worden gekenschetst als ‘reguliere werkzaamheden voor de oudercommissie’ maar een gedraging betreft waarvoor de consument in persoon de verantwoording draagt.

Verder acht de commissie voldoende aannemelijk dat de consument – als ouder - bij de opvanglocatie haar onvrede heeft geuit, zich tegenover nieuwe medewerkers negatief heeft uitgelaten over de ondernemer en tevens dat zij heeft aangegeven dat ze zich ging oriënteren op andere kinderopvang, als de situatie niet snel zou verbeteren. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer onder deze omstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt dat de vertrouwensrelatie met de consument is beschadigd.

Ingevolge artikel 15 lid 4 van de algemene voorwaarden van de ondernemer kan de overeenkomst door de ondernemer met onmiddellijke ingang worden ontbonden indien de vertrouwensrelatie tussen partijen wordt geschaad en/of de normale bedrijfsvoering hierdoor belemmerd wordt. Nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat de vertrouwensrelatie is geschaad, had de ondernemer derhalve ook ertoe kunnen overgaan om de overeenkomst per direct te ontbinden. De ondernemer heeft hiervoor echter niet gekozen en opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van één maand (de commissie begrijpt: conform het bepaalde in artikel 4 lid 5 van de algemene voorwaarden van de ondernemer).

Deze stap stond hem vrij en heeft hij op de juiste wijze genomen.

Er kan dan ook niet gezegd worden dat de beëindiging van de overeenkomsten onjuist, onredelijk of onzorgvuldig jegens de consument is.

Ten overvloede geeft de commissie de ondernemer, die lid is van de Brancheorganisatie Kinderopvang, in overweging zijn algemene voorwaarden aan te passen, zodanig dat de overeenkomst, conform de algemene voorwaarden van zijn brancheorganisatie, door een ouder opzegbaar is per dag in plaats van per 1e of 16e van de maand. Dit omdat sinds de invoering van de Wet Van Dam, inmiddels vastgelegd in de artikelen 6:236 en 237 BW, in beginsel in algemene voorwaarden of andere standaardbepalingen opgezegd mag worden tegen elk moment van de maand. Een beroep op deze bescherming geldt alleen voor de consument, zodat aan de ondernemer wel opgelegd mag worden om op te zeggen tegen de 1e of 16e van de maand.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Kinderopvang en Peuterspeelzalen op 11 april 2017

Commissie: Kinderopvang en Peuterspeelzalen

Referentienummer: 2017-108972

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven