Gebroken achterpoot van hond; verzorging van hond in pension niet ondeugdelijk

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft een pensionovereenkomst van 8 september 2010.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer heeft niet goed voor [onze hond] gezorgd. [De hond van de consument] heeft zijn achterpoot gebroken op zeer forse manier, zonder dat zij een afdoende verklaring kunnen geven. De ondernemer betwist haar aansprakelijkheid. Een pensionovereenkomst valt onder het regiem van bewaarneming als geregeld in artikel 7:600-609 BW. Een bewaarneemster moet bij de bewaring de zorg van een goed bewaarder in acht nemen. Het feit dat [de hond van de consument] zijn poot op gecompliceerde wijze heeft kunnen breken, getuigt van het feit dat het dier niet goed is verzorgd.

De consument verlangt een financiële genoegdoening ten bedrage van € 2.623,09.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Ons bedrijf bestaat al meer dan 23 jaar en in al die tijd hebben wij iets dergelijks nog nooit meegemaakt. [De hond van de consument] verbleef al twee weken bij ons, zijn gedrag was voorbeeldig, en niets duidde erop dat er ook maar iets verkeerd zou kunnen gaan. En tot op de dag van vandaag kunnen we alleen maar gissen naar wat er werkelijk is gebeurd.

De consument heeft, voordat hij de overeenkomst met ons aanging en nadat wij hem erop hebben geattendeerd, op verschillende momenten de mogelijkheid gehad om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Vast staat dat op de overeenkomst, aangaande het verblijf van [de hond van de consument] van 8 september tot 24 september 2010, de algemene voorwaarden voor dierenpensions, gedeponeerd onder [nummer] bij [de Kamer van Koophandel], van toepassing zijn. Overigens zijn deze voorwaarden niet eenzijdig opgesteld, maar in samenspraak met de Consumentenbond en [onze brancheorganisatie] tot stand gekomen. Dit om ook het consumentenbelang stevig te verankeren.

Ons dierenpension voldoet aan alle wettelijke verplichtingen, alsook aan de vakbekwaamheidseis. Deze, feitelijk vast te stellen, vereisten zijn de basis voor onze bedrijfsvoering, met name als we het hebben over de huisvesting en verzorging. Vast staat dat wij aan de wettelijke verplichtingen voldoen en vanuit die hoedanigheid onze kennis en ervaring toepassen in onze bedrijfsvoering. Nog los van het feit dat we niet konden vermoeden dat er iets verkeerd zou kunnen gaan, hebben wij bij constatering van het gebeurde [de hond van de consument] direct naar de dierenarts gebracht en de eigenaar daarvan op de hoogte gebracht, zoals het een vakbekwaam ondernemer betaamt.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting onderschrijft de commissie in grote lijnen het standpunt van de ondernemer. Naar het oordeel van de commissie kan niet gezegd worden dat de ondernemer de tussen partijen gesloten overeenkomst niet deugdelijk is nagekomen dan wel dat de ondernemer onvoldoende zorg voor de hond ten toon heeft gespreid. De commissie heeft moeten vaststellen dat niet duidelijk is geworden wat zich precies heeft voorgedaan. Het enige aanknopingspunt voor de commissie is de opmerking van de dierenarts dat de breuk vermoedelijk is ontstaan na een verstapping. Dit valt niet met succes aan de ondernemer tegen te werpen. De klacht treft dan ook geen doel.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Gezelschapsdieren op 6 mei 2011.

Commissie: Gezelschapsdieren

Referentienummer: 51041

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven