Rijschoolhouder had moeten onderkennen dat consument door handicap niet binnen de normale tijd een rijbewijs kon halen

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 12 mei 2009 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het aanbieden van een rijopleiding, tegen een door de consument te betalen prijs van € 1.900,--.

De overeenkomst is op 8 mei 2010 beëindigd.

De consument heeft in januari 2010 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft in het kader van de rijopleiding ongeveer 45 lessen in een schakelauto gehad. Na de verhuizing van de consument heeft zij haar rijopleiding bij een andere rijschool voortgezet. Daarbij heeft men haar gelet op haar lichamelijke beperkingen direct geadviseerd om in een auto met een aangepaste automatische versnellingsbak les te nemen. Via deze rijschool heeft de consument het advies gekregen een Eigen Verklaring in te vullen en op te sturen naar het CBR. Hierop heeft het CBR een onderzoek ingesteld om te bezien of de consument in aanmerking komt voor een verklaring van geschiktheid. Uit dit onderzoek is gebleken dat bij de consument sprake is van een coördinatiestoornis van het rechterbeen en dat een verklaring van geschiktheid slechts kan worden verstrekt met een aantal beperkingen, waaronder automatische schakeling, het gaspedaal links van het rempedaal en rempedaalbediening met de linkervoet.

De consument verwijt de ondernemer dat hij niet heeft onderkend dat de consument gelet op haar beperkingen niet geschikt zou zijn om in een schakelauto te rijden. De ondernemer heeft daarentegen aangegeven dat het leren autorijden als gevolg van de handicap iets langer zou duren en niet dat zij niet in een schakelauto zou kunnen rijden.

Achteraf, zo blijkt uit het onderzoek van het CBR, heeft een jaar lessen bij de ondernemer geen resultaat gehad aangezien de consument nog steeds niet voldoet aan de eisen.

De consument moet nu alsnog hogere kosten maken om het rijexamen te kunnen halen en is van mening dat zij om die reden recht heeft op teruggave van 50% van het lesgeld.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De ondernemer heeft de overeenkomst opgezegd in april 2010. Het onderzoek van het CBR heeft in september 2010 plaatsgevonden. De tweede rijschool heeft dat meteen aangevraagd toen men de inhoud van de eigen verklaring zag. Deze test moet een rijschool aanvragen als niet alle vragen met “nee” zijn beantwoord. In dat geval was meteen duidelijk geworden dat het rijden in een schakelauto geen optie was.

De consument heeft inmiddels 20 lessen gevolgd en moet volgende week examen doen. Zij kan zich nu beter concentreren op de weg. Vroeger moest ze teveel op haar voeten letten. De ondernemer kende de familie van de consument en wist van haar handicap. De ondernemer beweerde dat de twee “ja’s” op de eigen verklaring pas op het examen een rol speelden.

Met de ondernemer was de afspraak gemaakt dat lessen op korte termijn mochten worden afgezegd. Bij vermoeidheid van de consument zouden de lessen geen nut hebben. De consument heeft de theorielessen op 20 april 2010 volledig betaald en heeft het theorie-examen gehaald. De pakketlessen kostten € 40,-- per uur; losse lessen € 45,--.

Een vergoeding van 50% van het betaalde bedrag vindt de consument redelijk.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument is bij de ondernemer komen lessen na de goede ervaringen die haar broer met de ondernemer heeft gehad. Gelet op de omstandigheden van de consument heeft de ondernemer bij aanvang van de lessen uitvoerig over het mogelijke verloop van de opleiding met de consument en haar moeder gesproken. De ondernemer heeft benadrukt dat de consument wel zou slagen, maar meer lessen dan gemiddeld nodig zou hebben.

In het begin werd de consument vrij snel moe en moest de ondernemer het voetenwerk overnemen. Dat ging later beter, maar de vermoeidheid kwam ook weer terug. Vandaar het advies van de ondernemer om de lessen in een automaat af te maken. Niettemin is de ondernemer van mening dat de consument haar rijbewijs in een schakelauto moet kunnen halen. Over een aangepaste automaat is nooit gesproken. Dat vond de ondernemer overbodig.

Tussen partijen is in onderling overleg een afrekening opgemaakt. De berekening is correct. De ondernemer heeft veel energie en goodwill in de opleiding van de consument gestoken. Hoewel de bediening van de auto goed ging vroeg de consument na ongeveer 20 lessen of zij in een automaat mocht lessen. In overleg met de consument is toen besloten dat zij de lessen zou vervolgen. Na enige tijd begon de consument weer kort te voren te annuleren. Het rijden ging steeds slechter en de animo werd steeds geringer. De ondernemer heeft toen besloten te stoppen.

De ondernemer heeft steeds gezegd dat de opleiding lang zou duren.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie begrijpt dat de ondernemer, in weerwil van de bij hem bekende lichamelijke beperkingen van de consument, heeft ingezet op een blanco rijbewijs zonder beperkingen. Achteraf bezien is gebleken, gelet op het onderzoek van het CBR, dat dit geen haalbare kaart was.

Aldus heeft de consument niet van aanvang aan in een auto met een aangepaste automatische versnellingsbak de lessen gevolgd, maar in een schakelauto.

Hoewel niet uit te sluiten is dat deze omstandigheid tot een langere lesperiode aanleiding heeft gegeven, blijkt uit de rapportage van het CBR tevens dat niet zozeer de bediening van het voertuig, maar met name de verkeersdeelname van onvoldoende niveau is. Dit duidt erop dat de consument om welke reden dan ook geen snelle leerling is en dat met het behalen van het rijexamen de nodige lesuren zullen zijn gemoeid.

Het voorgaande brengt mee dat het naar de mening van de commissie de ondernemer kan worden aangerekend dat hij de mate van waarschijnlijkheid dat de consument zonder beperkingen een rijbewijs zou kunnen halen, onjuist heeft ingeschat en dat hij aldus de eigen verklaring niet tijdig aan het CBR heeft opgestuurd. Van andere tekortkomingen aan de zijde van de onderneer is de commissie niet gebleken.

Dit brengt mee dat nu de ondernemer wel in enige mate tekortgeschoten is een door hem aan de consument te betalen schadevergoeding passend en geboden is. Het bedrag van de te betalen schadevergoeding wordt naar billijkheid door de commissie bepaald op € 500,--.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ten dele gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 500,--. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie na matiging een bedrag van € 62,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil na matiging een bedrag verschuldigd van € 165,--.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Voertuigen op 16 juni 2011.

Commissie: Rijopleidingen

Referentienummer: 52279

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven