Vergunning voor vertonen twee EK Voetbal 2012 wedstrijden. Vergoeding is verschuldigd voor het recht om de wedstrijden te vertonen, niet voor het daadwerkelijk vertonen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de licentieovereenkomst voor het vertonen van twee EK Voetbal 2012 wedstrijden.

De betalingsplichtige heeft de klacht op 17 juli 2012 per e-mail aan de CBO voorgelegd. 

Standpunt van de betalingsplichtige

Het standpunt van de betalingsplichtige luidt in hoofdzaak als volgt.

De CBO heeft een factuur gestuurd voor twee publieke vertoningen van EK wedstrijden op woensdag 13 juni respectievelijk zondag 17 juni 2012 op een groot scherm in Groningen. Echter de vertoning van de wedstrijd van 17 juni heeft nooit plaatsgevonden. De eerdere vertoning van 13 juni wel.

De betalingsplichtige voert het volgende aan. Hij heeft de CBO gevraagd om een nieuwe aangepaste factuur, maar de CBO geeft niet thuis en verwijst naar haar onduidelijke algemene voorwaarden, waarin niet voorzien is in losse eenmalige vertoningen, maar enkel in langlopende licenties en opzegtermijnen van een maand. Deze voorwaarden zijn volgens de betalingsplichtige niet toepasbaar in deze specifieke situatie.

De betalingsplichtige kan naar zijn zeggen aantoonbaar, door middel van persartikelen, bewijzen dat de wedstrijd niet is uitgezonden (de commissie begrijpt: niet is vertoond).

Als gebaar van goede wil heeft de betalingsplichtige de helft van de factuur betaald. Dat is voor de vertoning op 13 juni 2012. De andere helft betwist de betalingsplichtige. 

De betalingsplichtige verlangt een creditfactuur en een nieuwe factuur voor de vertoning die werkelijk heeft plaatsgevonden. De vertoning die niet heeft plaatsgevonden kan niet door de CBO in rekening worden gebracht, aldus de betalingsplichtige.

Standpunt van de CBO

Het standpunt van de CBO luidt in hoofdzaak als volgt.

De betalingsplichtige heeft de vergoeding voor vertoning van de wedstrijd van 13 juni 2012 (Nederland-Duitsland) aan de CBO betaald, dus wat betreft de CBO gaat het geschil alleen over de vergoeding voor de wedstrijd van 17 juni 2012 (Portugal-Nederland).

De betalingsplichtige heeft voorafgaand aan de geplande vertoning van de wedstrijd van 17 juni niet aan de CBO gemeld dat deze vertoning niet door zou gaan. Daarmee heeft de betalingsplichtige de CBO de gelegenheid ontnomen om een en ander verifiëren. Pas 1 maand later, op 17 juli 2012, nadat al een herinnering voor het betalen van de factuur was verstuurd, is dit punt aan de orde gesteld.

De betalingsplichtige stelt dat de Algemene Voorwaarden van de CBO niet toepasselijk zijn, nu zij niet voorzien in opzegging van een evenementenvergunning. De CBO wijst op het feit dat deze eenmalige vergunningen heel kort voor elk evenement  worden aangevraagd, waardoor de CBO (tot nu toe) niet met opzeggingen te maken heeft gehad. Dat neemt niet weg dat de betalingsplichtige wel had kunnen opzeggen. Naar de mening van de CBO zijn de algemene rechtsregels voor opzegging uit het Burgerlijk Wetboek van toepassing, maar dan had voorafgaand aan het evenement opgezegd moeten worden.

De betalingsplichtige heeft een product gekocht waarbij hij het recht (maar niet de plicht) had om te vertonen binnen het afgesproken kader. Het ondernemersrisico ligt vervolgens bij de betalingsplichtige. Als je een visvergunning koopt, kun je die ook niet achteraf inleveren met de mededeling dat je het hele jaar niet hebt gevist. Overigens is dit consistent met de systematiek van (jaar)vergunningverlening door de CBO in alle andere doelgroepen. Een ieder heeft het recht van vertoning gedurende het hele jaar. Wat de daadwerkelijke consumptie is, is in feite niet relevant.

De CBO lijdt schade door correctie achteraf. De CBO is verplicht royalty’s af te dragen aan NOS en UEFA, hetgeen zij doet op basis van royalty rapportages. Deze rapportages doet de CBO per evenement achteraf op basis van afgesloten vergunningen. Bij een melding vooraf is de CBO nog in staat om een coulance beleid toe te passen en rapportages aan te passen. Achteraf kan dat niet.

De CBO vraagt voorafgaand aan het evenement een reële indicatie van het maximaal aantal toeschouwers, op basis waarvan partijen de afspraak maken. Dat is de systematiek van zo’n evenementenvergunning, die soms ongunstiger, maar soms ook gunstiger kan uitpakken. De CBO verwijst bij wijze van voorbeeld naar het WK Voetbal 2010 waar de betalingsplichtige ook tweemaal een vergunning heeft gehad voor vertoning van de halve finale en de finale. In beide gevallen op basis van 5.000 bezoekers. Achteraf bleek dat hij voor beide vertoningen veel meer betalende bezoekers had. Het verschil bedroeg minimaal € 2.000,-- voor alleen al de finale. Daar heeft de CBO, in verband met de gemaakte afspraak, nooit een correctie voor gevraagd.

De CBO vindt het redelijk en in lijn met normaal financieel en juridisch maatschappelijk verkeer om betaling te vorderen van het openstaande bedrag.

Ter zitting heeft de CBO verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.

De interne klachtenprocedure bij de CBO is doorlopen.

Hoewel opzegging door een betalingsplichtige van een eenmaal verleende vergunning formeel niet gehonoreerd behoeft te worden, kent de CBO daarvoor wel een coulancebeleid. Voorwaarde is wel dat voorafgaand aan de vergunde vertoning contact wordt opgenomen met de CBO. Dat kan zelfs nog ’s ochtends op de dag van de uitzending. Het coulancebeleid is niet vastgelegd en gepubliceerd. Het is een discretionaire bevoegdheid van de CBO, die ook bij duurovereenkomsten wordt toegepast.

Tijdens dit EK Voetbal zijn de royalty rapportages binnen 1 week na de gespeelde voorronde wedstrijden aan NOS en UEFA aangeleverd. De betalingsplichtige heeft pas na die week contact opgenomen met de CBO. Omdat de CBO toen al was gehouden de royalty’s volgens de rapportages af te dragen, zou de CBO schade lijden wanneer de betalingsplichtige in het gelijk zou worden gesteld.

De tariefstelling is gebaseerd op de opgave van de betalingsplichtige. De CBO kan dat niet allemaal controleren. Wanneer de opgave ten enenmale niet strookt met de capaciteit van de locatie waar de vertoning plaats zal vinden, zal er wel nader onderzoek plaatsvinden. De tarieven voor de vertoning van tv-beelden bij evenementen staan op de website van de CBO. Voor het EK 2012 staat daarin vermeld dat 1 wedstrijd geldt als 2 uren van vertoning.

De betalingsplichtige had ook eerst voor één wedstrijd een vergunning kunnen aanvragen en kunnen wachten met de aanvraag van de vergunning voor de tweede wedstrijd.

De CBO bestrijdt niet dat de betalingsplichtige geen gebruik heeft gemaakt van het vergunde recht om de tweede wedstrijd te vertonen.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Tussen partijen staat als erkend dan wel niet weersproken het volgende vast. De betalingsplichtige heeft bij de CBO toestemming gevraagd voor de vertoning van twee EK Voetbal 2012 wedstrijden, meer specifiek de wedstrijd Nederland–Duitsland op 13 juni 2012 en de wedstrijd Portugal-Nederland op 17 juni 2012. De CBO heeft daarvoor toestemming verleend, hetgeen is vastgelegd in een Vertoningsvergunning (toestemming voor de openbaarmaking van televisieprogramma’s) met afgiftedatum 7 juni 2012. De betalingsplichtige heeft de wedstrijd Nederland–Duitsland op 13 juni 2012 vertoond, de wedstrijd van 17 juni 2012 tussen Portugal en Nederland niet. Voor de vertoning van de twee wedstrijden heeft de betalingsplichtige een factuur van € 5.734,54 (inclusief BTW) ontvangen. De helft daarvan heeft hij betaald aan de CBO.

De betalingsplichtige stelt zich op het standpunt dat hij geen vergoeding verschuldigd is voor de wedstrijd op 17 juni 2012 tussen Portugal en Nederland aan de CBO, omdat hij deze wedstrijd niet heeft vertoond. De commissie deelt dat standpunt niet. Uit de door de CBO verleende vergunning en de daarop van toepassing zijnde vergunningsvoorwaarden, zoals tussen partijen overeengekomen, blijkt dat aan de betalingsplichtige toestemming is verleend voor het vertonen van de in de vergunning genoemde voetbalwedstrijden. Verder blijkt daaruit dat voor deze toestemming een vergoeding betaald moet worden. Anders dan de betalingsplichtige kennelijk meent, wordt deze vergoeding niet betaald voor het feitelijk vertonen van de desbetreffende tv-beelden, maar voor het recht om deze te vertonen.

Niet gebleken is dat vanwege een aan de CBO toe te rekenen omstandigheid de betalingsplichtige niet in staat was gebruik te maken van het verkregen recht om de twee voetbalwedstrijden te vertonen. Dat de betalingsplichtige de wedstrijd op 17 juni 2012 tussen Portugal en Nederland niet heeft vertoond of heeft kunnen vertonen, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Er is derhalve geen aanleiding de CBO te verplichten de factuur te herzien en de gefactureerde en/of betaalde vergoeding voor vertoning van deze wedstrijd aan de betalingsplichtige te crediteren dan wel te restitueren.

Dat de vergunningsvoorwaarden geen specifieke bepalingen kennen voor eenmalige evenementen doet aan het voorgaande niet af. Nu de vergunningsvoorwaarden geen specifieke regeling kennen voor de opzegging van een evenementenvergunning, geldt op basis van de algemene regels van het materiële burgerlijk recht dat partijen zijn gebonden aan de overeenkomst die zij zijn aangegaan. Het opzeggen van een overeenkomst, in dit geval een licentieovereenkomst in de vorm van een vertoningsvergunning, is zonder nadere afspraak daarover tussen partijen, die hier ontbreekt, niet mogelijk.

Om mogelijke onduidelijkheden hierover te voorkomen zou de commissie het wel wenselijk vinden indien op een evenementenvergunning algemene voorwaarden van toepassing zouden zijn die (ook) zijn toegesneden op eenmalige evenementen en niet alleen op duurovereenkomsten. Voor de beoordeling van dit geschil heeft dat echter geen belang.

Op grond van het voorgaande is de commissie derhalve van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de betalingsplichtige verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Auteursrechten, op 6 december 2012.

---------------------------------

Wordt het geschil niet binnen drie maanden nadat afschrift van de (…) uitspraak van de commissie aan partijen werd verzonden bij de rechter aanhangig gemaakt, dan wordt hetgeen in de uitspraak is vastgesteld na het verstrijken van deze termijn geacht te zijn overeengekomen tussen partijen, in de vorm van een bindend advies.

(artikel 22 Reglement Geschillencommissie Auteursrechten)

Commissie: Auteursrechten Zakelijk

Referentienummer: 70252

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven