Contante betaling voorschot dient op juiste wijze te worden verantwoord door de advocaat

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de advocaat, verrekening van de ontvangen proceskosten wederpartij alsmede de hoogte van de declaraties.

Standpunt van de cliënte

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de cliënt op het volgende neer.

Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

De advocaat heeft de cliënte bijgestaan in een kort geding zaak en in een bodemprocedure in twee instanties, alle in hetzelfde arbeidsconflict. 

In de kern komt het betoog van de klachten van de cliënte op het volgende neer.

1.   De cliënte stelt dat er door de advocaat geen betalingsafspraken met haar zijn gemaakt; deze zijn ook nooit schriftelijk aan haar bevestigd. De advocaat heeft wel tweemaal een bedrag van € 1500,-- contant geïnd bij de cliënte. De cliënte heeft pas recent, bij de overname van het dossier in hoger beroep door een andere advocaat, facturen mogen ontvangen ad tweemaal een bedrag van € 1750,-- exclusief BTW. De cliënte heeft nimmer voorschotnota’s ontvangen.

2.   De advocaat heeft volgens de cliënte dubbel tijd geschreven en dubbel gefactureerd. De advocaat heeft voor een kort geding namens de cliënte bij haar rechtsbijstandsverzekeraar een excessief hoog bedrag gefactureerd. Voorts is er overlap in werkzaamheden van een groot deel van de werkzaamheden in kort geding. Deze zijn zowel bij de rechtsbijstandsverzekeraar als bij cliënte gedeclareerd.

3.   De advocaat heeft volgens de cliënte excessief tijd geschreven. Dat heeft hij op verschillende manieren gedaan. Hij heeft voor telefoongesprekken van nog geen minuut standaard 24 minuten gerekend. Hij heeft bij het ophalen van een betaling bij de cliënte uren gedeclareerd voor besprekingen die feitelijk niet hebben plaatsgevonden. De advocaat heeft voorts excessief uren geschreven voor het afronden van een processtuk dat reeds eerder door een jurist van de rechtsbijstandsverzekeraar was opgesteld en voor een stuk dat hij nimmer heeft opgesteld.

4.   De advocaat heeft de door de wederpartij betaalde proceskosten van de bodemprocedure in eerste aanleg achtergehouden. Hij heeft de cliënte geen mededeling gedaan van de ontvangst daarvan op de derdenrekening van zijn kantoor.

5.   De advocaat heeft stelselmatig correspondentie niet doorgezonden en heeft voor het meermalen langdurig aanhouden van de zaak nimmer toestemming aan de cliënte gevraagd. Hij heeft aldus de procedure onnodig vertraagd.

6.   De advocaat heeft in de procedure in hoger beroep maandenlang niets gedaan en heeft de meermaals beloofde Memorie van Antwoord nimmer aan cliënte doen toekomen, ondanks herhaaldelijke beloften daartoe.

7.   De cliënte heeft de advocaat meerdere keren gebeld en gemaild en is bij het kantoor van de advocaat langs geweest om hem aan te manen tot nadere werkzaamheden. De cliënte werd door de advocaat niet dan wel niet voldoende geïnformeerd. Deze tijd werd door de advocaat wel geschreven ten laste van de cliënte.

8.   Op 18 februari 2014 heeft de advocaat de cliënte onheus bejegend door haar een verwijt te maken om overstappen naar een andere advocaat te voorkomen.

9.   Op 14 maart 2014 heeft de advocaat excessief tijd geschreven voor uitsluitend de eindnota. Ook de door de advocaat gestelde factuurbedragen zijn volstrekt onbegrijpelijk voor de cliënte.

10. De advocaat heeft geen volledige en geen juiste dossieradministratie gevoerd en geen dan wel een onjuiste urenadministratie gevoerd.

11. De advocaat heeft vanaf april 2013 geen inhoudelijke werkzaamheden meer verricht voor de cliënte, maar heeft deze uren wel geschreven.

De cliënte vordert een schadevergoeding van € 6000,-- van de advocaat. Dit bedrag bestaat uit de twee contante betalingen van in totaal € 3000,--, de proceskosten in eerste aanleg met de rente, twee maal de eigen bijdrage voor de huidige advocaat ad € 1232,-- (twee keer € 616,--) en overige kosten die op PM zijn gesteld.

Standpunt van de advocaat

De advocaat heeft schriftelijk geen inhoudelijk verweer gevoerd, anders dan door inzending van een aantal processtukken uit de door hem behandelde zaken. Ter zitting heeft hij een pleitnota ingebracht.

Behandeling ter zitting

De partijen hebben ter zitting onder handhaving van hun standpunten deze toegelicht. De advocaat heeft daarbij schriftelijke pleitaantekeningen overgelegd.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie overweegt dat de advocaat onweersproken in opdracht en voor rekening van de cliënte werkzaamheden heeft verricht. Dat de advocaat de cliënte niet heeft gewezen op gefinancierde rechtsbijstand heeft de advocaat gemotiveerd weersproken en daarbij aangegeven dat de cliënte in verband met het inkomen van haar echtgenoot en de huuropbrengsten van woningen niet voor gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking kwam en dit ook met haar heeft besproken.

Op dit punt is de klacht, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende onderbouwd.

De cliënte heeft een brief van de advocaat ingebracht gedateerd 10 maart 2014 waarbij de advocaat expliciet en onvoldoende door de cliënte weersproken aangeeft dat de afspraak is gemaakt dat de advocaat voor zijn werkzaamheden maximaal een bedrag van € 1.750,-- exclusief BTW, in rekening zal brengen voor de procedure bij de kantonrechter en een zelfde bedrag voor zijn werkzaamheden in hoger beroep waarbij twee facturen zijn gevoegd ten bedrage van € 2.117,50 en € 2.247,90, totaal derhalve € 4.364,59. Daarbij heeft de advocaat aangegeven dat het bedrag van € 3.500,-- in twee termijnen is voldaan. De cliënte heeft weliswaar aangegeven twee maal een bedrag van € 1.500,-- te hebben betaald, maar gelet op de onderbouwing van de advocaat stelt de commissie vast dat het hier kennelijk betaling door de cliënte betreft van een bedrag van totaal € 3.500,--.

Naar het oordeel van de commissie gaat het hier om een tussen partijen gemaakte vaste prijsafspraak. Immers, ook uit de bijgevoegde declaraties blijkt dat de advocaat voor honorarium en 6% kantoorkosten € 1.750,-- bij beide declaraties in rekening heeft gebracht en dat wat betreft de eerste declaratie 36,15 uur en de tweede declaratie in hoger beroep 25,5 uur aan werkzaamheden is verricht door de advocaat.

De hoogte van het totaal in deze in rekening gebrachte voor honorarium en kantoorkosten, exclusief BTW, komt de commissie voorts niet bovenmatig voor, gelet op hetgeen gemiddeld genomen voor dergelijke zaken aan werkzaamheden door een advocaat moet worden verricht.

Daarbij komt nog dat de cliënt bij de kantonrechter in het gelijk is gesteld en niet is komen vast te staan dat de advocaat daarbij zijn werkzaamheden niet naar behoren heeft verricht, zij het dan wellicht niet op voor cliënt kenbare, juiste wijze.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, moet de cliënte aan de advocaat dus nog een bedrag van € 864,59 voldoen.

Voorts overweegt de commissie in dit verband dat het niet aan gaat zonder instemming van de cliënte het de advocaat toekomende te verrekenen met de van de wederpartij ontvangen en op de derdenrekening gedeponeerde proceskosten vergoeding, zoals de advocaat blijkens zijn brief van 10 maart 2014 aan de cliënte heeft aangegeven. Minst genomen had de advocaat expliciet om instemming moeten vragen. Aldus bezien heeft de advocaat niet gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De klacht is op dit punt dan ook gegrond. De commissie zal daarbij bepalen dat de advocaat aan de cliënte de ontvangen proceskostenvergoeding dient te betalen.

Wat betreft die ontvangen proceskostenveroordeling blijkt uit het ingebrachte vonnis van de kantonrechter dat het hier gaat om een bedrag van € 1.164,86 en niet zoals de advocaat stelt € 1.146,86. Het gaat hier wellicht om een verschrijving van de advocaat.

Voorts heeft de cliënte onweersproken gesteld dat zij de advocaat contant bedragen heeft betaald en de advocaat haar geen voorschotnota’s heeft doen toekomen. Zeker in het geval er contante bedragen worden betaald, dient de advocaat betaling daarvan te verantwoorden, ook naar de cliënt middels toezending van een schriftelijke bevestiging van de betaling met een kwitantie en een (voorschot)nota, met vermelding dat de voorschotnota al betaald is.

Ook op dit punt heeft de advocaat niet gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Daarnaast stelt de commissie vast dat uit hetgeen de cliënte onweersproken heeft gesteld en ingebracht dat de advocaat de cliënte, ook na verzoeken daartoe van de cliënte, niet voldoende op de hoogte heeft gebracht over de voortgang van de zaak en met name in hoger beroep de zaak toch wel op zijn beloop heeft gelaten.

Ook op dit punt heeft de advocaat niet gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de commissie tot oordeel dat de advocaat op verschillende, hiervoor genoemde punten niet gehandeld heeft zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat zodat de klacht van de cliënte gegrond zal worden verklaard.

Hetgeen de cliënte en de advocaat ter zake voorts nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Ten aanzien van de door de cliënte gevorderde schadevergoeding wijst de commissie de gevorderde terugbetaling van € 3.000,-- af, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen.

Ten aanzien van de gevorderde betaling van de door de wederpartij betaalde proceskostenveroordeling heeft de commissie hiervoor reeds overwogen dat de advocaat die moet betalen aan de cliënte.

Wat betreft de gevorderde betaling van de door de cliënte aan de opvolgende advocaat betaalde eigen bijdrage overweegt de commissie dat het causaal verband tussen deze kosten en het verwijtbaar handelen van de advocaat onvoldoende is komen vast te staan.

De commissie wijst deze vordering dan ook af.

De overige PM gevorderde schadevergoeding is onvoldoende onderbouwd en wijst de commissie eveneens af.

De door de cliënte verzochte wettelijke rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu de commissie op grond van artikel 2 van het Reglement van de commissie niet bevoegd is een uitspraak te doen over vorderingen tot vergoeding van rente, indien zij beslist bij wege van bindend advies.

Nu de klacht van de cliënte gegrond wordt verklaard zal de commissie de advocaat veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld, derhalve een bedrag van € 52,50. Bovendien dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage van € 115,-- in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De klacht is gegrond.

- De cliënt dient een bedrag van € 864,59 aan de advocaat te voldoen.

- De advocaat dient de ontvangen proceskostenvergoeding, ten bedrage van €1.164,86 aan de cliënte te voldoen.

- Overeenkomstig het reglement van de commissie dient de advocaat het klachtengeld aan de cliënt, die deze kosten heeft voldaan, ter hoogte van € 52,50 te vergoeden.

- Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag van € 115,-- verschuldigd.

- Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 11 november 2014.

Commissie: Advocatuur

Referentienummer: 87137

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven