Gezamenlijk (echtscheidings-)advocaat moet zich actief opstellen.

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat ter zake van de echtscheiding van de cliënt en de schade die de cliënt tengevolge van het handelen c.q. nalaten van de advocaat stelt te hebben geleden. Weliswaar vermeldt de akte van compromis dat het geschil tussen partijen ook de hoogte van de declaratie van de advocaat betreft, maar daarvan blijkt overigens niet uit de stukken, zodat de commissie daaraan voorbijgaat.

Standpunt van de cliënt

Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.

De advocaat heeft in de echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek de belangen van de (ex-)echtgenote van de cliënt laten prevaleren boven die van de cliënt. De advocaat heeft ongevraagd een niet-wijzigingsbeding opgenomen in het echtscheidingsconvenant en hem desgevraagd mondeling uitsluitend als uitleg c.q. toelichting gegeven dat dit op zijn kantoor standaard was. De cliënt voelt zich hierdoor opzettelijk misleid; temeer omdat het daardoor vrijwel onmogelijk is geworden de alimentatieverplichting eerder te laten beëindigen dan de overeengekomen 12 jaar. Dit terwijl het huwelijk relatief kort heeft geduurd (8 jaren) en er geen kinderen uit het huwelijk zijn geboren.

Voorts heeft de advocaat de huwelijksvoorwaarden onjuist uitgelegd waardoor de cliënt ten gunste van zijn (ex-)echtgenote is benadeeld bij de verdeling van het vermogen. De gelijke verdeling doet geen recht aan de inbreng van smartengeld van de cliënt bij de aankoop van de echtelijke woning.

Ook heeft de advocaat ongevraagd en onaangekondigd een draagkrachtberekening gemaakt die de overeenstemming die tussen de (ex-)echtelieden heerste over de hoogte van de alimentatie teniet heeft gedaan. Bovendien heeft de advocaat het inkomen van de (ex-)echtgenote niet mee laten wegen bij de berekening van de hoogte van de alimentatie.

In het kader van de klachtafhandeling op kantoor is de cliënt mondeling het voorstel gedaan dat het kantoor een procedure tegen de gewezen echtgenote van de cliënt zou bekostigen, welk voorstel later niet gestand is gedaan. Ook werd de afhandeling van de klacht aanvankelijk afhankelijk gesteld van de medewerking van de ex-echtgenote van de cliënt en later onder verwijzing naar haar toelichting ongegrond verklaard.

De cliënt heeft als gevolg van het handelen c.q. nalaten van de advocaat materiële en immateriële schade geleden en verzoekt de commissie een vergoeding ten laste van de advocaat toe te kennen van € 10.000,--.

Standpunt van de advocaat

Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.

De advocaat heeft partijen vanaf de eerste gezamenlijke bespreking erop gewezen dat zij de gevolgen van hun echtscheiding zelf dienden te regelen en dat hij slechts optrad als degene die hun gemeenschappelijke wensen vertolkt naar de rechtbank door middel van het opstellen van een convenant. De advocaat heeft de vereiste terughoudendheid in acht genomen en de opgekomen vragen in gezamenlijkheid van partijen beantwoord.

Het afwijken van de huwelijkse voorwaarden en de gehanteerde alimentatiedraagkrachtnormen is de weerslag van de gezamenlijke wens van partijen. Aangezien het convenant niet in strijd was met de normen van redelijkheid en billijkheid is de advocaat niet regulerend opgetreden.

Naar aanleiding van het concept convenant heeft de cliënt uitleg gevraagd over artikel 1:159 lid 3 Burgerlijk Wetboek. De cliënt had derhalve geen problemen met de alimentatieduur van 12 jaren maar wilde weten wat dit beding inhield. De advocaat heeft toen uitgelegd dat dit beding standaard in de door de advocaat geconcipieerde convenanten wordt opgenomen om - mede in het belang van de man - latere misstanden te voorkomen. De cliënt heeft ook niet aangetoond dat dit beding in zijn nadeel werkt.

De advocaat bestrijdt enige, laat staan onjuiste, uitleg te hebben gegeven van de akte huwelijksvoorwaarden. De advocaat is niet bekend met een smartengeldsom. Voor de draagkrachtberekening hebben partijen zelf gegevens aangereikt op basis waarvan hij een draagkrachtberekening heeft opgesteld, waarna partijen overeenstemming hebben bereikt zonder dat de advocaat hierop invloed heeft uitgeoefend.

Indien de cliënt zijn eigen – en niet de gezamenlijke - belangen behartigd had willen hebben dan had hij moeten kiezen voor een eigen advocaat en niet voor een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

Alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen toe te komen, stelt de commissie - indachtig eerdere uitspraken - vast dat van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat die bij een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek de belangen van beide partijen behartigt, mag worden verwacht dat hij grote zorgvuldigheid betracht en zich bovendien ervan vergewist dat beide partijen de inhoud van een regeling begrijpen.

Deze zorgvuldigheid brengt naar het oordeel van de commissie met zich mee dat de advocaat zich actief dient op te stellen door partijen te wijzen op hun marges en op de mogelijkheden en consequenties van ingenomen standpunten, zeker indien de voorgenomen onderlinge afspraken afwijken van hetgeen bij een formele afwikkeling zou worden vastgesteld. Bovendien dient de advocaat om onduidelijkheden te voorkomen niet alleen de gemaakte afspraken maar ook voornoemde afwijkingen te bespreken en schriftelijk vast te leggen.

Het is de commissie niet gebleken dat de advocaat overeenkomstig voornoemde criteria heeft gehandeld. Blijkens eigen mededeling ter zitting heeft de advocaat zich in deze met uitzondering van het opstellen van de draagkrachtberekening, waarbij de commissie overigens de nodige kanttekeningen plaatst, lijdelijk opgesteld. Ook heeft na de eerste bespreking met partijen geen verder gezamenlijk overleg plaatsgevonden en is de ondertekening van het convenant buiten aanwezigheid van de advocaat geschied.

De cliënt heeft naar het oordeel van de commissie als gevolg van de lijdelijke opstelling van de advocaat ingestemd met de (hoogte en duur van de) alimentatie en verdeling van de boedel zonder zich voldoende rekenschap te kunnen geven van de gronden waarop partijen hun standpunt hebben bepaald.

De commissie is dan ook van oordeel dat de advocaat niet heeft voldaan aan de bijzondere zorgvuldigheid die aan de belangenbehartiging bij een echtscheiding op gemeenschappelijk verzoek wordt gesteld en dat hij is tekortgeschoten in de uitvoering van de dienstverlening aan de cliënt.

Dit heeft gevolgen gehad voor de inhoud van de uiteindelijke afspraken tussen partijen. Ten aanzien van het alimentatiebedrag overweegt de commissie dat zij de nodige kanttekeningen heeft bij de draagkrachtberekening die de advocaat heeft opgesteld, maar dat de cliënt ter zitting heeft verklaard om hem moverende redenen met het alimentatiebedrag te hebben ingestemd bekend zijnde met (de hoogte van) het inkomen van de vrouw. Daar staat tegenover dat de cliënt de volle reikwijdte van zijn instemming niet heeft kunnen overzien omdat de advocaat het onderwerp alimentatie en de eventueel in de toekomst gelegen daarop invloed hebbende omstandigheden niet heeft toegelicht c.q. uitgediept.

Ten aanzien van het niet-wijzigingsbeding overweegt de commissie dat dit beding is opgenomen terwijl kennelijk de strekking hiervan onbekend duidelijk was voor de cliënt. Dit klemt temeer gelet op de duur van het huwelijk, het feit dat er geen sprake was van kinderen uit dit huwelijk en de (toen) verwachte inkomsten van de vrouw, al welke omstandigheden de opname van het beding ook niet zondermeer billijkten.

Met betrekking tot de inbreng van smartengeld van de cliënt bij de aankoop van de echtelijke woning in relatie tot de verdeling van de opbrengst van deze woning, stelt de commissie vast dat de cliënt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij die gelden heeft ingebracht en de woning bovendien kennelijk op beider naam stond, in welk geval ieder van de echtgenoten de helft toebehoort. Van een onjuiste uitleg van de huwelijksvoorwaarden is derhalve geen sprake.

Het geheel overziend komt de commissie tot de conclusie dat de advocaat in deze niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht en de klacht gegrond moet worden verklaard. Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden acht de commissie het redelijk een schadevergoeding ten laste van de advocaat op te leggen welke vergoeding de commissie naar redelijkheid en billijkheid vaststelt op € 7.500,--.

De door de cliënt gevorderde immateriële schade komt niet voor vergoeding in aanmerking nu de cliënt niet aannemelijk heeft gemaakt c.q. heeft aangetoond dat hij deze schade heeft geleden en slechts wordt toegekend bij de in het burgerlijk wetboek opgenoemde limitatieve gevallen waarvan in casu geen sprake is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De advocaat betaalt aan de cliënte een vergoeding van € 7.500,--. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies.

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de advocaat bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

Bovendien dient de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 90,-- aan de cliënte te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist op 10 mei 2004 door de Geschillencommissie Advocatuur.

Commissie: Advocatuur

Referentienummer: ADV03-0173

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven