Na afloop van de garantietermijn ligt de bewijslast voor de vaststelling van de oorzaak van de storing bij consument.

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 30 januari 2002 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een [Espressomachine] tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 554,08.

De consument heeft op 13 juni 2004 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

Mei 2004 bleek het apparaat problemen te krijgen. Er stond telkens water onderin en een van de lampjes brandde niet meer. Het apparaat is dan ook ondeugdelijk en beantwoordt niet aan hetgeen consument daarvan bij aanschaf had mogen verwachten. Ten onrechte heeft ondernemer consument de reparatiekosten ad € 128,82 laten dragen. Consument heeft dat bedrag betaald om het apparaat mee te kunnen krijgen.

Ondernemer heeft tevoren geen prijsopgave gedaan van de reparatiekosten, ofschoon dat wel was afgesproken.

Consument verlangt restitutie van de betaalde reparatienota, verminderd met een bedrag nieuw voor oud. Het apparaat is 2 jaar oud op een verwachte levensduur van 8 jaar, dus is het redelijk 25% aan de klant door te berekenen.

Consument verlangt teruggave van een deel van de betaalde reparatiekosten.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

Verwijzend naar een schriftelijke verklaring d.d. 17 juni 2004 van de [servicedienst van de fabrikant] zijn de problemen ontstaan door kalkafzetting in de machine. De machine heeft om de maximaal 2 jaar gebruik periodiek onderhoud nodig, afhankelijk van de gebruikte kwaliteit water en koffie. Hier was sprake van noodzakelijk groot onderhoud en niet van een fabricagefout.

De levensduur van het apparaat is ongeveer 6 jaar, gebaseerd op normaal gebruik.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen.

Tussen partijen staat vast dat op het apparaat een garantie zat van twee jaar en dat de garantietermijn voorbij was toen het defect, waarop dit geschil ziet, zich voordeed. Op zich is de stelling van consument juist dat daarmee niet in alle gevallen de verplichting van ondernemer is vervallen om voor zijn rekening gebreken aan het apparaat te herstellen. Het moet dan overigens wel gaan om gebreken, die zo ernstig zijn dat ze zich zelfs bij een apparaat dat al enkele jaren in gebruik is nog niet mogen voordoen.

Indien zich in de garantietermijn een storing voordoet wordt een dergelijk gebrek op voorhand aangenomen, tenzij de ondernemer aantoont dat dit veroorzaakt is door verwijtbaar onjuist gebruik door consument. De bewijslast ligt in dat geval dus bij ondernemer.

Doet een storing zich na afloop van de garantietermijn voor, dan ligt de bewijslast bij consument. Het is dan aan consument om aan te tonen dat dit door een gebrek is veroorzaakt, dat zich zelfs bij een al geruime tijd gebruikte machine nog niet had mogen voordoen.

Consument heeft niet kunnen aangeven noch kunnen aantonen of een dergelijk gebrek de oorzaak was en wat voor gebrek precies dat dan moet zijn geweest en de enkele stelling dat zij het apparaat altijd volgens voorschrift heeft gebruikt en ook heeft ontkalkt bewijst nog niet dat de storingen het gevolg zijn van een gebrek dat zich gezien de leeftijd van het apparaat nog niet had mogen voordoen.

Consument heeft verder aangevoerd dat het apparaat is gerepareerd zonder dat zij daartoe opdracht had gegeven en zonder dat haar daar – hoewel haar dat wel was toegezegd – vooraf prijsopgave van was gedaan. Die stelling is alleen van belang indien zij door deze handelwijze nadeel heeft geleden. Dat nadeel zou bijvoorbeeld hebben kunnen zijn dat zij niet in de gelegenheid is geweest het apparaat goedkoper door een derde te laten repareren of af te wegen of gezien de afschrijving van het apparaat vervangende aanschaf in plaats van reparatie aantrekkelijker zou zijn geweest.

Consument heeft evenwel niet kunnen aangeven of goedkopere reparatie door een derde mogelijk was en daar verder geen onderzoek naar gedaan. Ook heeft consument niet kunnen aangeven of en waarom vervangende aanschaf van een nieuw apparaat gunstiger voor haar zou zijn geweest.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Algemene Geschillencommissie voor Consumentenzaken, op 21 december 2004.

Commissie: Glas, Porselein en Aardewerk

Referentienummer: GPA04-0009

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven