Geen nieuwe feiten/omstandigheden; ne bis in idem.

Standpunt van de consument

Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak:

Begin augustus 1999 heeft de ondernemer naar aanleiding van een incident, zoals wordt omschreven in het op 10 januari 2000 door de commissie uitgebrachte advies, de overeenkomst met de consument opgezegd en zoon [naam zoon] de toegang tot het park ontzegd. De consument heeft zich met succes bij de geschillencommissie tegen de beëindiging van de overeenkomst verzet. Bij de behandeling van deze klacht werd niet aan de commissie verzocht zich uit te spreken over de duur van de ontzegging welke de zoon was opgelegd door de ondernemer.

Aangezien de vraag of de toegang terecht aan de zoon is ontzegd niet aan het oordeel van de commissie onderworpen is geweest, is door indiening van deze nieuwe klacht geen sprake van een verkapt hoger beroep of inbreuk op het ne bis in idem beginsel.

Op 10 oktober 2000 is aan de ondernemer verzocht aan te geven hoe lang het verbod nog heeft te gelden. De ondernemer heeft door middel van een schrijven van 25 oktober 2000 aangegeven dat hij geenszins bereid is de zoon weer tot het park toe te laten.  De consument is van oordeel dat de sanctie niet “eeuwig” kan duren en dat een einddatum vastgesteld dient te worden. Nu partijen er zelf niet uitkomen, verzoekt de consument de commissie te bepalen hoe lang de ontzegging van de toegang voor de zoon dient te duren.

Ter zitting heeft de raadsman van de consument, kort samengevat, nog het volgende naar voren gebracht. De ontzegging treft de consument en zijn gezin zwaar, zeker nu de zoon vader is geworden. Het gevolg van de ontzegging is dat de consument ook zijn kleinkind niet op het park kan ontvangen.

De zoon heeft voor de handelingen die hij ten opzichte van het personeel van de ondernemer heeft begaan en die de reden voor de ontzegging vormen, van het Openbaar Ministerie een transactie aangeboden gekregen ter hoogte van ƒ 500,00 welke hij heeft voldaan. Uiteraard is de hoogte van de opgelegde boete gerelateerd aan de ernst van het feit. In een brief van 24 november 1999 geeft de Officier van Justitie nog aan dat het slachtoffer wellicht wel aanleiding heeft gegeven voor de reactie van de zoon.

Naar aanleiding van het schrijven van de ondernemer merkt de consument op dat van het afgeven van een verkeerd signaal pertinent geen sprake is. Een ontzegging van ruim twee jaar is een zeer duidelijk signaal dat bepaald gedrag niet getolereerd wordt. Het valt niet te verwachten dat  er problemen zullen ontstaan, indien de zoon indien hij weer toegang krijgt tot het park, opnieuw in contact zal komen met de personeelsleden van de ondernemer met wie het conflict ontstond. Het gaat toch om professionele Horeca- mensen. Overigens is van arbeidsongeschiktheid van de personeelsleden naar aanleiding van de gebeurtenissen begin augustus 1999 geen sprake geweest. Verscheidene bewoners van het park verklaren dat zij niets daarvan hebben gemerkt.  Er is ook geen enkele aanwijzing dat een incident als zich in augustus 1999 heeft voorgedaan zich zal herhalen.

De consument verzoekt de commissie dan ook in redelijkheid te bepalen op welk moment aan de aan de zoon opgelegde ontzegging een einde dient te komen.

Standpunt van de ondernemer

Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak:

In 1999 is een geschil ontstaan tussen partijen als gevolg van openbare geweldpleging en bedreiging gepleegd door de zoon van de consument jegens personeel van de ondernemer. Naar aanleiding hiervan heeft de ondernemer de overeenkomst met de consument opgezegd. De consument heeft daarop de commissie verzocht te bepalen dat de overeenkomst moest worden voortgezet. Het bindend advies luidde dat de overeenkomst moest worden voortgezet met uitzondering van de zoon.

De consument heeft nu opnieuw een klacht bij de commissie ingediend. In feite wordt gevraagd het bindend advies van 10 januari 2000 te wijzigen of, anders gezegd, een soort hoger beroep in te stellen. Het is een fundamentele rechtsregel dat men niet twee keer kan procederen over dezelfde zaak. In het voorgaande advies werd de vordering slechts ten dele toegewezen, d.w.z. de overeenkomst moest weliswaar worden voortgezet, maar met beperkingen. De consument kan niet wederom de reeds eerder en toen slechts gedeeltelijk toegewezen vordering instellen.

In het schrijven van 25 oktober 2000 van de ondernemer als reactie op het verzoek om de zoon weer toe te laten, wordt aangegeven om welke redenen de ondernemer hiertoe niet bereid is. Indien iemand die zich heeft schuldig gemaakt aan geweldpleging en bedreigingen op korte termijn weer triomfantelijk op het park rondloopt, geeft dat een volstrekt verkeerd signaal af aan de overige bewoners van het park. De ondernemer wenst geen confrontatie van de zoon met de personeelsleden die destijds tengevolge van het incident arbeidsongeschikt zijn geraakt. Terugkeer van de zoon op het park wordt door de ondernemer ongewenst en onverantwoord geacht en is voor hem onaanvaardbaar.

Beoordeling van het geschil

De commissie heeft het volgende overwogen:

In de eerder door de consument ingediende klacht heeft de consument de opzegging van de overeenkomst door de ondernemer betwist. Daarbij heeft de consument aangegeven dat er naar zijn mening onderscheid moet worden gemaakt door wie de regels zijn overtreden. De consument stelde dat indien niet de recreant zelf, maar een gezinslid de overtreding heeft begaan, dit niet tot onmiddellijke opzegging hoeft te leiden. Er zou aangegeven kunnen worden dat de persoon die het gedrag heeft vertoond niet meer welkom is.

De commissie heeft bij wege van bindend advies op 10 januari 2000 het volgende beslist: “De ondernemer zet de overeenkomst met betrekking tot een vaste standplaats met de consument en zijn gezin met uitzondering van zoon [naam zoon] voort en laat de consument en zijn gezin wederom toe tot de horeca en faciliteiten op de camping”.

In de overwegingen wordt het volgende vermeld: “De commissie is van oordeel dat het ook in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid om na één incident, hoe ernstig dit incident ook is, de overeenkomst met het gehele gezin met onmiddellijke ingang zonder “laatste” waarschuwing te beëindigen. Bovendien meent de commissie dat de ontzegging van de toegang tot de camping van de zoon van de consument een maatregel is die voldoende duidelijk maakt dat geweld niet wordt getolereerd door de ondernemer”. En voorts: “Dientengevolge dient de overeenkomst met de consument te worden voortgezet, waarbij de ondernemer zijn verbod voor zoon [naam zoon] om de camping te bezoeken kan handhaven”.

De commissie komt tot de conclusie dat de vraag of de toegang aan zoon [naam zoon] terecht is ontzegd, aan het oordeel van de commissie onderworpen is geweest en dat de commissie heeft beslist dat het verbod kan worden gehandhaafd.

De commissie is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een nieuwe klacht. Feitelijk verzoekt de consument onder het naar voren brengen van nieuwe argumenten de commissie opnieuw te beslissen over het reeds eerder voorgelegde geschil en beoogt de consument een matiging van het eerder gewezen bindend advies. Dit is in strijd met het rechtbeginsel dat men niet twee keer kan procederen over dezelfde zaak (ne bis in idem).

Op grond van het voorgaande is de consument niet ontvankelijk in zijn klacht.

Beslissing

De consument wordt in zijn klacht niet ontvankelijk verklaard.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie.

Commissie: Recreatie

Referentienummer: REC00-0329

Delen?

Was deze informatie duidelijk?

“Om de gehele uitspraak te printen: klik alle subkopjes open en print dan de pagina”
Terug naar boven