Advocaat declareert bovenmatig en buitenproportioneel in echtscheidingsprocedure

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Kosten    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 26654/46110

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt over de hoogte van de declaraties van de advocaat. De advocaat heeft de cliënt bijgestaan in een echtscheidingsprocedure. In een periode van vier maanden is een bedrag van € 31.130,30 gedeclareerd. De cliënt is het hier niet mee eens. De advocaat stelt dat de cliënt nooit heeft aangegeven dat zij de facturen te hoog vond. In een korte tijd zijn veel werkzaamheden verricht en deze zijn met goedkeuring van de cliënt verricht. De commissie oordeelt dat de werkzaamheden die de advocaat heeft uitgevoerd lang niet allemaal noodzakelijk waren, althans niet zo uitvoerig. Er hebben buitengewoon veel contactmomenten plaatsgevonden. De advocaat had hier meer grenzen aan moeten stellen. De commissie concludeert dat de advocaat bovenmatig en buitenproportioneel heeft gedeclareerd. De klacht is gegrond en de declaratie wordt gematigd naar € 10.376,77.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de hoogte van de declaraties van de advocaat.

De cliënt heeft een bedrag van € 11.721,52 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft de hulp van de advocaat ingeroepen inzake haar echtscheiding. Op dat moment was er al een echtscheidingsprocedure opgestart door haar vorige advocaat. Zij is van mening dat de advocaat een extreem hoog bedrag heeft gedeclareerd in verhouding tot de verrichte werkzaamheden. Over een periode van vier maanden is een bedrag van € 31.130,30 gedeclareerd. Een juiste en billijke verhouding tussen declaratie en belang is afwezig. Het betreft een overzichtelijke echtscheiding. Bovendien zijn er veel niet-relevante werkzaamheden verricht. Pas nadat de cliënt naar haar huidige advocaat is gegaan begon de echtscheidingsprocedure écht. Desondanks was zij toen al een groot bedrag aan declaraties verschuldigd.
De cliënt verzoekt de commissie om de betaalde en onbetaalde facturen te verlagen tot een bedrag dat in verhouding staat tot de verrichte werkzaamheden en de advocaat te veroordelen in de kosten van de procedure.

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënt heeft nooit aangegeven dat zij de facturen te hoog vond. Zij heeft met alle facturen ingestemd en heeft het grotendeel van de facturen ook betaald. Daarnaast heeft zij de werkzaamheden die zijn verricht nooit eerder betwist. De zaak was arbeidsintensief en de cliënt heeft veelvuldig beroep gedaan op de advocaat. Alle werkzaamheden zijn verricht in opdracht en/of met goedkeuring van de cliënt. Zij was ermee bekend dat zij kosten maakte voor de werkzaamheden die zij de advocaat verzocht te verrichten. In korte tijd zijn er veel werkzaamheden verricht, hetgeen resulteert in een hoog factuurbedrag. In tegenstelling tot de stelling van de cliënt is de advocaat van mening dat er geen sprake was van een eenvoudige echtscheiding.

De advocaat verzoekt de commissie om de betalingsverplichting van de cliënt vast te stellen overeenkomstig de aan haar toegezonden declaraties, inhoudende een bedrag van € 11.721,52, en de cliënt te veroordelen in de kosten van de procedure.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Blijkens de door beide partijen op 19 juni 2020 ondertekende akte van compromis zijn zij overeengekomen om het geschil omtrent de hoogte van een achttal declaraties aan de commissie voor te leggen.

Centraal staat de vraag of de advocaat heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. De commissie is van oordeel dat de advocaat niet heeft voldaan aan deze maatstaf. De commissie overweegt daartoe als volgt.

De advocaat heeft in de periode van 18 september 2019 tot en met 13 januari 2020 diverse werkzaamheden gedeclareerd inzake de echtscheidingsprocedure van de cliënt. De commissie heeft geconstateerd dat de werkzaamheden die de advocaat heeft uitgevoerd lang niet allemaal noodzakelijk waren, althans niet zo uitvoerig. Dit heeft veel invloed gehad op het aantal gedeclareerde uren. In totaliteit heeft de advocaat 105,5 uren aan werkzaamheden gedeclareerd, wat heeft geresulteerd in een factuurbedrag van in totaal € 31.130,30. Dit is buitengewoon veel voor een echtscheidingsprocedure van deze omvang, mede gelet op de fase waarin de echtscheidingsprocedure zich op dat moment bevond. Uit de overgelegde stukken is de commissie ook gebleken dat er buitengewoon veel contactmomenten hebben plaatsgevonden tussen de advocaat en cliënt, hetgeen ook weer veel invloed heeft gehad op het aantal gedeclareerde uren. Naar het oordeel van de commissie had de advocaat meer grenzen moeten stellen aan de communicatie tussen hem en de cliënt, in ieder geval ten aanzien van de omvang en uitvoerigheid daarvan.

De commissie is van oordeel dat de omvang van de declaraties niet in verhouding staan tot de noodzakelijke werkzaamheden en de tijd die daar redelijkerwijze mee gemoeid mag zijn. Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat dan ook bovenmatig en buitenproportioneel gedeclareerd. Hierin ziet de commissie aanleiding de declaraties van de advocaat naar redelijkheid en billijkheid te matigen.

Bij een echtscheidingsprocedure als onderhavige acht de commissie het redelijk om 35 uur aan werkzaamheden te declareren. Dit komt neer op één derde van 105,5 uren en daarmee één derde van het gedeclareerde bedrag van € 31.130,30, hetgeen € 10.376,77 inclusief btw bedraagt. De commissie zal dit bedrag afronden op € 10,000,- inclusief btw. Bij het vaststellen van dit bedrag heeft de commissie er ook rekening mee gehouden dat er reeds voorwerk was verricht door een andere advocaat en dat de echtscheidingszaak nadien nog moest worden afgemaakt door weer een andere advocaat.

Gelet op het feit dat de cliënt de advocaat reeds een bedrag van € 19.408,78 heeft betaald, zal het depotbedrag van € 11.721,52 aan de cliënt dienen te worden gerestitueerd en zal de advocaat de cliënt een bedrag van € 9.408,78 dienen terug te betalen.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie stelt de totale betalingsverplichting van de cliënt vast op € 10,000,- inclusief btw.

Met inachtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag aan de cliënt gerestitueerd en dient de advocaat de cliënt een bedrag van € 9.408,78 te betalen.

Bovendien dient de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 242,00 aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, mevrouw mr. A.M. Hilhorst, de heer H.W. Zuur, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. N. Sewradj, secretaris, op 10 februari 2021.