Advocaat had de cliënt niet de mogelijk voor aanvraag toevoeging moeten geven, nu duidelijk was dat deze zou worden afgewezen

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Declaratie    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 83835

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de totstandkoming van de opdrachtovereenkomst, de hoogte van de declaratie en de door de cliënt gevorderde schadevergoeding.

De cliënt heeft een bedrag ter grootte van € 467,08 niet aan het kantoor voldaan en dit bedrag over-eenkomstig het Reglement van de commissie in depot gestort.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

In de kern komt de klacht van de cliënt – kort gezegd – erop neer niet juist te zijn geïnformeerd over de kosten van juridische bijstand. Bij het telefoongesprek op 20 december 2013 heeft de advocaat hem niet meegedeeld dat hij bij een gezamenlijk inkomen van € 35.600,–, niet voor een toevoeging in aanmerking zou komen.

Aangezien ook is afgesproken dat de advocaat zijn diensten zou verlenen tegen een bedrag van € 811,–, is de cliënt het openstaande bedrag van € 467,08 niet verschuldigd.

De cliënt is niet akkoord gegaan met de opdrachtovereenkomst. Hij heeft die niet getekend. De advocaat is reeds stukken gaan opvragen voordat de cliënt de opdrachtovereenkomst van de advocaat had ontvangen.

De cliënt ziet als oplossing van het geschil dat het declaratiebedrag tot nihil wordt teruggebracht.

De cliënt verzoekt de commissie hem een in redelijkheid en billijkheid vast te stellen vergoeding toe te kennen.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van het kantoor verwijst de commissie naar de overgelegde stukken.

De overeenkomst is door aanbod en aanvaarding tot stand gekomen. Nadat de cliënt zich voor rechts-bijstand tot de advocaat had gewend, heeft deze de opdracht aanvaard. De opdrachtovereenkomst is gesloten, ook al heeft de cliënt die niet getekend.

De advocaat heeft de cliënt duidelijk te kennen gegeven dat in het geval geen toevoeging zou worden verleend, het door hem gehanteerde tarief voor de verrichte werkzaamheden in rekening zou worden gebracht. De cliënt is hierover ook geïnformeerd middels het aan de opdrachtovereenkomst toegevoegde ‘aanhangsel opdrachtovereenkomst voor toevoegingszaken’.

De cliënt zou zonder meetelling van het inkomen van zijn partner zeer waarschijnlijk voor een toevoeging in aanmerking zijn gekomen. Toen de cliënt echter informatie gaf over het inkomen van zijn echtgenote en meedeelde dat hij niet ging scheiden, was dat niet meer zeker. De advocaat kan dan ook niet worden verweten dat geen toevoeging werd verleend.

De advocaat betwist op enigerlei wijze in de dienstverlening tekortgeschoten te zijn. Hij heeft de cliënt rechtsbijstand verleend en ten behoeve van hem werkzaamheden verricht die in rekening zijn gebracht. De facturatie is alleszins redelijk.

De advocaat verzoekt de commissie de cliënt te veroordelen tot betaling van de openstaande factuur, een en ander uitvoerbaar bij voorraad, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de uitspraak.

Beoordeling van het geschil

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie overweegt dat de advocaat bij haar brief van 23 december 2013 aan de cliënt de opdracht heeft bevestigd. In geschil is daarbij of  de cliënt een voorbehoud heeft gemaakt voor wat betreft (de omvang van) de kosten van de tenuitvoerlegging van de opdracht.

De advocaat heeft in haar brief de cliënt meegedeeld zijn belangen te zullen behartigen en dat de kosten daarvan onder het bereik van de nog aan te vragen toevoeging zouden vallen, tenzij de Raad voor Rechtsbijstand (hierna te noemen: de Raad) zou beslissen dat de cliënt niet voor een toevoeging in aanmerking zou komen.

In dat geval zouden de werkzaamheden worden verricht tegen het door de advocaat genoemde tarief.

De cliënt heeft betwist dat hij in het telefoongesprek van 20 december 2013 met de advocaat, enkele dagen voordat hem de opdrachtbevestiging werd gestuurd, erop gewezen is niet voor een toevoeging in aanmerking te komen, hetgeen naar het oordeel van de commissie onvoldoende door de advocaat is weerlegd. Bovendien bevindt zich bij de stukken de e-mail van 23 december 2013 van de cliënt, waarin hij de advocaat wijst op het arbeidscontract van zijn vrouw en hem dan nog uitdrukkelijk verzoekt uit te zoeken of hij in aanmerking komt voor een toevoeging.

Gegeven de omstandigheden had de advocaat, naar het oordeel van de commissie, de cliënt terstond moeten meedelen dat hij niet voor een toevoeging in aanmerking zou komen omdat het gezinsinkomen het door de Raad gehanteerde inkomenscriterium overschreed. De Raad zou immers inzake de strafzaak waarin de bijstand van de advocaat was gevraagd, het gehuwdencriterium hanteren, nu het verblijf van de echtgenote van de cliënt in het opvanghuis slechts tijdelijk was, de cliënt gehuwd was en overigens omtrent een eventuele echtscheiding nog geen zekerheid bestond. Gelet op het hiervoor overwogene heeft de advocaat niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht, zodat de klacht van de cliënt gegrond is.

Gelet op het hiervoor overwogene heeft de advocaat niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht, zodat de klacht van de cliënt gegrond is.

Voorts is als onweersproken komen vast te staan dat de advocaat de werkzaamheden, in weerwil van de mededeling in de brief van 23 december 2013 dat daarmee eerst na ondertekening van de op-drachtbevestiging zou worden aangevangen, vóór de ondertekening is aangevangen. Behalve het op-vragen van het strafdossier zijn geen inhoudelijke werkzaamheden verricht.

De commissie zal, gelet op het hiervoor overwogene, bepalen dat het in depot gestorte bedrag van € 467,08 aan de cliënt wordt gerestitueerd. De commissie acht de cliënt daarmee voldoende gecom-penseerd.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft naar het oordeel van de commissie geen verdere bespreking nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard ziet de commissie daarin reden de advocaat te veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld, derhalve een bedrag van € 52,50.

Bovendien dient de advocaat overeenkomstig het reglement van de commissie een bijdrage van € 115,– in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht gegrond;

bepaalt dat met inachtneming van het hiervoor overwogene het depotbedrag van € 467,08 aan de cliënt wordt gerestitueerd;

bepaalt dat overeenkomstig het reglement van de commissie de advocaat het klachtengeld aan de cliënt, die deze kosten heeft voldaan, ter hoogte van € 52,50 dient te vergoeden;

bepaalt dat overeenkomstig het reglement van de commissie de advocaat als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil de commissie een bedrag van € 115,– is verschuldigd;

wijst het meer of anders verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 23 mei 2014.