Advocaat handelt niet onzorgvuldig door terugtrekking van zaak waar cliënt waarheidsplicht ernstig schendt

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen / Kwaliteit dienstverlening    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 25350/35251

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt klaagt over de dienstverlening van de advocaat en stelt dat hij een verkeerde dagvaarding heeft uitgebracht. Ook was het dossier van de cliënt rommelig en niet geordend. Daarnaast heeft de advocaat zich ontijdig teruggetrokken van de zaak. Volgens de advocaat zijn de stellingen van de cliënt onjuist. De advocaat heeft na overleg met kantoorgenoten en met de Deken zich aan de zaak onttrokken nadat gebleken was dat de cliënt aan hem vervalste stukken had overgelegd. De commissie oordeelt dat de advocaat niet onzorgvuldig heeft gehandeld door zich terug te trekken van de zaak. De advocaat heeft zijn beslissing na grondig onderzoek weloverwogen genomen. Dat de advocaat terecht niet op de juistheid van de stukken mocht vertrouwen blijkt ook uit het vonnis van de rechtbank, waarin het niet mogelijk is om een uitspraak te doen vanwege de ernstige schending van de waarheidsplicht door de cliënt. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar alle door cliënt overgelegde stukken in het bijzonder het vragenformulier. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt heeft in januari 2019 de advocaat verzocht of hij hem wilde bijstaan in een garantie claim tegen motorservice [plaatsnaam] en de eigenaar in verband met een niet goed uitgevoerde reparatie van de motor na een ongeluk op 17 mei 2018.

Cliënt is niet tevreden over de wijze waarop de advocaat zijn belangen heeft behartigd in dit geschil.
Zijn voornaamste klachten richten zich op:

Dagvaarding:
De advocaat heeft ondanks cliënt ‘s opmerkingen wat er in en uit moest een verkeerde dagvaarding uitgebracht aan wederpartij op 4 april 2019. De cliënt heeft vooraf geen inzage gekregen in de bijlagen die bij de dagvaarding waren gevoegd.
Cliënt heeft de advocaat in de maand maart 2019 een herberekening gegeven van € 1177,84 met daarin opgenomen welke onderdelen hij zelf gekocht had en welke onderdelen motorservice te veel in rekening had gebracht. Deze herberekening heeft de advocaat ondanks zijn verzoek niet bij de dagvaarding gevoegd. Ook de meerkosten spuitwerk ad € 363,10 zijn niet in de dagvaarding opgenomen. Evenmin zijn de foto’s en geluidsopnames, alle belangrijke bewijzen, bijgevoegd.
Voorts heeft cliënt aan de advocaat meegedeeld dat hij een email van Nimag van 15 september 2019 niet moest bijvoegen omdat deze niets toevoegt. Deze e-mail is door de advocaat wel bij de dagvaarding gevoegd. Dit heeft later tot de discussie geleid dat de e-mail door cliënt zou zijn vervalst.

Dossiervorming:
Vanaf 23 mei 2019 was de mail server bij het advocatenkantoor kapot waardoor een aantal stukken die cliënt heeft overgelegd zijn zoekgeraakt. Zijn dossier was rommelig en was niet geordend. Cliënt diende zelf voor een volledig dossier te zorgen: veel en vaak stukken uitprinten en brengen.

Ontijdig terugtrekken als advocaat:
Advocaat stelt dat hij zich op 1 november 2019 aan de zaak van cliënt heeft onttrokken terwijl zitting voor 13 november 2019 gepland stond. Uit rechtbankstukken blijkt dat de advocaat zich al op 1 oktober 2019 had onttrokken aan deze zaak. Door zijn onttrekking en slechte dagvaarding en alles erom heen heeft cliënt de kantonrechtszaak verloren.

Onzorgvuldig procedureel handelen:
Cliënt heeft de zaak verloren door het ontbreken van goede juridische ondersteuning en uitleg in dagvaarding waarom [rechtsbijstanduitvoerder] zich heeft onttrokken aan deze zaak (vanwege de samenvoeging met [naam verzekeraar] per 1 januari 2019). De advocaat heeft geen aanvullend verweer tegen wederpartij na conclusie van antwoord van de wederpartij ingediend ondanks zijn toezeggingen in een persoonlijk gesprek op 9 juli 2019.

Na 1 oktober 2019 is de advocaat zich tegenover derden blijven presenteren als de gemachtigde van cliënt terwijl hij zich al onttrokken had aan de zaak.
De advocaat heeft hem valselijk beschuldigd van het vervalsen van e-mails die in het geding zijn gebracht terwijl enig strafrechtelijk onderzoek naar de inhoud van de stukken ontbreekt. De advocaat heeft geen actie genomen tegen de stellingen van de wederpartij dat de overgelegde stukken waren vervalst door een onderzoek te laten verrichten naar het ip-adres waarvandaan de e-mails zijn verzonden en geen contra expertise te laten verrichten.

Vordering schadevergoeding:
Cliënt heeft veel schade geleden en heeft geen geld meer om de motor nog te maken. Heeft een WAO uitkering op bijstandsniveau. Verzoekt om toekenning van € 10.000,-.

Ter zitting heeft cliënt zijn standpunt nader toegelicht.

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Niet ontvankelijkheid:
De advocaat verzoekt de commissie primair cliënt niet ontvankelijk/zich niet bevoegd te verklaren in de klacht vanwege het feit dat cliënt de interne klachtprocedure van het kantoor niet heeft gevolgd en cliënt zijn klacht reeds in een eerder stadium heeft voorgelegd aan de Orde van Advocaten.

Inhoudelijk:
De rechtbank heeft abusievelijk vermeld dat de advocaat zich op 1 oktober 2019 zou hebben onttrokken aan de zaak. De rechtbank heeft dit aan cliënt meegedeeld maar cliënt wil dit niet accepteren. De advocaat heeft op 1 november 2019, na overleg met kantoorgenoten en met de Deken van de Orde van Advocaten, zich aan de zaak onttrokken nadat gebleken was dat de cliënt aan hem vervalste stukken had overgelegd en daarmee het onderling vertrouwen had geschaad.
Hij heeft cliënt geadviseerd om de rechtbank te verzoeken om de geplande zitting van 13 november 2019 uit te stellen. Dit is ook gebeurd.

De advocaat betwist dat hij de belangen van cliënt niet juist heeft behartigd. De advocaat heeft de uitgebrachte dagvaarding uitvoerig met cliënt besproken op 8 maart 2019 en de aangepaste versie op 28 maart 2019 naar cliënt toegezonden. Met het oog op de zitting in november 2019 heeft de advocaat in oktober 2019 de zaak opgepakt. Bij bestudering van de stukken is hij gestuit op onregelmatigheden in de door cliënt overgelegde stukken. De advocaat heeft een eigen onderzoek gedaan naar de juistheid van de overgelegde stukken en geconcludeerd dat de cliënt zelf een groot aantal brieven en taxatierapporten heeft vervalst, van onder meer [naam expertisebedrijf 1], [naam expertisebedrijf 2], [naam expertisebedrijf 3], [naam expertisebedrijf 4] en [naam verzekeraar]. Hierdoor heeft de advocaat het vertrouwen in cliënt verloren. De advocaat heeft verwezen naar het vonnis van de rechtbank van 12 februari 2020 waarin de vordering van cliënt is afgewezen op basis van artikel 21 Wetboek Burgerlijke rechtsvordering.

De advocaat verzoekt de commissie subsidiair de klacht ongegrond te verklaren en de vordering af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Niet ontvankelijkheid:
Gezien het beroep op niet ontvankelijkheid van de advocaat, dient de commissie hierover eerst een oordeel te geven alvorens het geschil inhoudelijk zal worden beoordeeld.

De advocaat heeft gesteld dat cliënt niet ontvankelijk moet worden verklaard daar de cliënt de interne klachtenprocedure niet heeft doorlopen en de commissie niet bevoegd is over de zaak te oordelen daar er over dezelfde klacht al een tuchtrechtelijke procedure loopt.

De commissie stelt vast dat de advocaat niet bij eerste gelegenheid dit verweer heeft gevoerd zoals het Reglement dit voorschrijft. Reeds hierom dient dit verweer te worden verworpen.

Het feit dat de klacht eveneens bij de Deken van de Orde van Advocaten aanhangig is gemaakt door cliënt leidt evenmin tot niet-ontvankelijkheid van de klacht dan wel onbevoegdheid van de commissie. De commissie overweegt dat een geschillenprocedure naast een tuchtrechtelijke procedure kan plaatsvinden daar het toetsingskader in een geschillenprocedure anders dan in een tuchtrechtelijke procedure is gericht op de beoordeling of een advocaat heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend advocaat mag worden verwacht en cliënt zijn schade via de commissie kan verhalen.

Inhoudelijk:
De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De commissie is van oordeel dat zij in de door partijen overgelegde stukken geen gronden of aanwijzingen aantreft voor de door de cliënt geformuleerde en door de advocaat gemotiveerd weersproken verwijten. In weerwil van het door de cliënt gestelde kan in deze op grond van hetgeen is ingebracht naar het oordeel van de commissie niet de conclusie worden getrokken dat de uitvoering van de opdracht niet naar behoren heeft plaatsgevonden.

De commissie overweegt dat de advocaat niet onzorgvuldig heeft gehandeld door zich te onttrekken aan de zaak. Daarbij neemt zij in aanmerking dat de advocaat alvorens tot deze beslissing te komen uitgebreid advies heeft ingewonnen bij de Deken van Advocaten en zijn beslissing weloverwogen na grondig onderzoek heeft genomen. Voor de commissie is voldoende komen vast te staan dat het vertrouwen in de cliënt in het geding was gezien de door de advocaat geconstateerde onregelmatigheden in de door de cliënt aangeleverde stukken. Dat de advocaat terecht niet op de juistheid van de stukken mocht vertrouwen blijkt naar het oordeel van de commissie uit het vonnis van de rechtbank van 12 februari 2020 waarin de kantonrechter heeft overwogen dat het in deze zaak niet mogelijk is om een gefundeerde uitspraak te doen vanwege het feit dat cliënt op een ernstige wijze de waarheidsplicht heeft geschonden. De kantonrechter heeft in zijn vonnis overwogen dat gezien de substantiële, systematische en bewuste schending van de waarheidsplicht door cliënt geen aanleiding bestaat om hierover nog nadere bewijsverrichtingen te laten plaatsvinden en heeft de vordering van cliënt op grond van artikel 21 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering afgewezen.

Voorts is de commissie van oordeel dat de advocaat niet kan worden verweten dat hij na de onttrekking van de zaak geen nazorg heeft verleend. De advocaat heeft cliënt gewezen op de mogelijkheid om uitstel van de zitting te vragen hetgeen cliënt ook heeft gedaan. Cliënt heeft, zoals tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd door hem bevestigd, er zelf ook voor gekozen geen andere advocaat in de arm te nemen en ook niet van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep te gaan.

Gelet op het voren overwogene is de commissie van oordeel dat niet is gebleken dat de advocaat in deze niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De klachten van de cliënt zullen ongegrond worden verklaard.

De commissie wijst de vordering tot schadevergoeding af nu niet is komen vast te staan dat cliënt als gevolg van het handelen van de advocaat schade heeft geleden.

Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart:

I. cliënt ontvankelijk in zijn klacht;

II. de klacht van cliënt ongegrond en wijst het verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, mevrouw mr. J.M. Schuller, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 19 januari 2021.