Advocaat heeft bij verdelingsprocedure van cliënte aan inspanningsverplichting voldaan

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Betaling / Inspanningsverplichting    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 14242/25858

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte vindt dat de advocaat haar belangen niet goed heeft verdedigd in een verdelingsprocedure tegen haar ex-partner. De advocaat heeft verzuimd de producties bij de processtukken op de juiste wijze aan te leveren en reageerde niet of laat op e-mails van de cliënte. De advocaat geeft aan er alles aan te hebben gedaan om de bewijsstukken zo duidelijk en overzichtelijk mogelijk te maken voor het Hof. Dat het Hof dit onvoldoende duidelijk heeft geacht is jammer, maar niet terecht. De commissie oordeelt dat de omstandigheid dat de procedure bij het Hof voor de cliënte teleurstellend is verlopen, niet betekent dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. Daarnaast is gebleken dat de advocaat uitvoerig met de cliënte heeft overlegd en gesproken en haar heeft geadviseerd over de te nemen stappen in de procedure. De advocaat heeft aan haar inspanningsverplichting tegenover de cliënte voldaan. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De cliënte heeft de klacht voorgelegd aan de advocaat.

De cliënte klaagt erover dat de advocaat haar belangen niet goed heeft behartigd in een verdelingsprocedure tegen haar ex-partner. De advocaat heeft onzorgvuldig en niet adequaat gehandeld waardoor de cliënte de procedure bij het Hof heeft verloren.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft de advocaat verzocht haar bij te staan in een verdelingsprocedure tegen haar ex-partner met wie zij van 1986 tot 2014 een relatie had.
De verdeling betrof onder meer de kosten ten behoeve van een in eigendom aan de ex-partner toebehorende woning, een gemeenschappelijke woning in Frankrijk, diverse (hypothecaire) geldleningen en een verrekening van de kosten van huishouding.

De cliënte stelt dat de advocaat ernstig tekort is geschoten in het behartigen van haar belangen gedurende de procedure bij het Hof. Zij heeft verzuimd de producties bij de processtukken op de juiste wijze aan te leveren, zij reageerde niet of laat op e-mails van de cliënte en zij gaf geen of onjuiste adviezen na vragen van de cliënte.

De cliënte had de indruk dat de advocaat onvoldoende kennis van zaken had om haar te kunnen bijstaan en onvoldoende ervaren was. De advocaat heeft onvoldoende gedaan om de positie van de cliënte te verdedigen. Het Hof heeft in het arrest van 10 september 2019 aangegeven dat de stellingen van de cliënte onvoldoende waren onderbouwd. De cliënte heeft echter een enorme hoeveelheid overzichten, bankafschriften en relevante documenten aangeleverd. Door de advocaat zijn deze documenten op een onduidelijke wijze aan het Hof aangeboden en is onvoldoende verwezen naar de betreffende producties. De cliënte verwijt de advocaat dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld.
De cliënte stelt dat de fouten van de advocaat hebben geleid tot een voor haar zeer ongunstige uitspraak van het Hof. Op grond van die uitspraak dient zij een bedrag van afgerond € 100.000,– aan de ex-partner te voldoen. Aangezien de ex-partner op 26 juli 2019 is overleden is de vordering overgegaan op de erfgenamen van de ex-partner. De cliënte beschikt niet over de financiële middelen om die vordering te betalen. De erfgenamen zijn nog niet tot executie overgegaan.

Mede vanwege een mogelijke gerechtelijke dwaling van het Hof heeft de cliënte de mogelijkheden van cassatie laten onderzoeken door twee advocaten. Gelet op de kosten heeft zij van een procedure in cassatie moeten afzien.

De cliënte heeft een klacht ingediend bij het kantoor van de advocaat die door een kantoorgenoot van de advocaat is behandeld. Het verbaasde de cliënte niet dat zij bij een niet onafhankelijke klachtfunctionaris geen gehoor vond voor haar klachten. Wel verbaasde het de cliënte ten zeerste dat zij een declaratie ontving voor het gesprek met de klachtfunctionaris.

De cliënte verlangt een creditnota voor het nog openstaande bedrag van € 8.500,–. Voorts vordert de cliënte een schadevergoeding van € 10.000,– ter dekking van de geestelijke, emotionele en financiële schade die de cliënte als gevolg van het handelen van de advocaat heeft geleden.

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De cliënte heeft de advocaat in 2017 verzocht haar bij te staan in een verdelingsprocedure tegen haar ex-partner. Van 2013 tot 2017 had de cliënte zich laten bijstaan door een andere advocaat die de procedure in eerste aanleg voor de cliënte had gevoerd en een appeldagvaarding aan de ex-partner had laten betekenen. De advocaat heeft de memorie van grieven opgesteld.
De advocaat heeft vele besprekingen met de cliënte en haar dochter gevoerd en er was veelvuldig contact per e-mail en telefoon. De advocaat heeft alle e-mails gelezen en beantwoord. Dit blijkt ook uit de overgelegde urenspecificaties. Dat de advocaat onvoldoende ervaring en kennis van zaken zou hebben weerspreekt de advocaat en acht zij uiterst grievend. Slechts eenmaal heeft de advocaat te kennen gegeven met een collega te willen overleggen. De advocaat heeft de cliënte laten weten dat zij nog niet eerder een mondeling pleidooi bij het Hof had meegemaakt; dit komt weinig voor. Uiteraard heeft de advocaat vele comparities gedaan zowel bij de rechtbank als bij het Hof, ook in vergelijkbare zaken.

Door de cliënte werden met regelmaat stukken aangeleverd die de advocaat gebruikte om in de processtukken te verwerken. In overleg werd de grote hoeveelheid producties per jaartal aan het Hof aangeleverd. De advocaat heeft er alles aan gedaan om de (financiële) bewijsstukken zo duidelijk en overzichtelijk mogelijk te maken voor het Hof. Dat het Hof deze wijze onvoldoende duidelijk heeft geacht is heel ongelukkig maar niet terecht.

De advocaat stelt dat zij de zaak van de cliënte immer naar eer en geweten heeft behandeld en de te nemen juridische stappen telkens goed heeft overdacht. Bij aanvang van de werkzaamheden heeft de advocaat de cliënte voorgehouden dat zij het wellicht beter kon laten bij de uitspraak van de rechtbank waarbij de vordering van de cliënte (grotendeels) was afgewezen maar eveneens de vordering in reconventie van de ex-partner. De advocaat van de ex-partner heeft voorgesteld om in onderling overleg tot een regeling te komen maar de cliënte koos ervoor de procedure bij het Hof door te zetten. Dat de uitspraak van het Hof ten nadele van de cliënte is uitgepakt kan de advocaat niet worden verweten. Ook kan de advocaat er niets aan doen dat de ex-partner van de cliënte op 26 juli 2019 is overleden waardoor zijn vordering op zijn erfgenamen is overgegaan.
De advocaat merkt voorts nog op dat de cliënte niet heeft geklaagd over de procedure tot verkrijging van een machtiging tegeldemaking onroerende zaak die wel goed voor de cliënte is verlopen.

Gelet op een mogelijke gerechtelijke dwaling hebben partijen het instellen van cassatieberoep besproken maar de cliënte heeft daarvan afgezien.

De cliënte heeft een klacht ingediend bij het kantoor van de advocaat waarna de klachtenfunctionaris de klacht heeft beoordeeld. De advocaat erkent dat die werkzaamheden ten onrechte in de declaratie aan de cliënte zijn opgenomen. Aan de cliënte is vervolgens een creditnota gestuurd.

De advocaat heeft zich tot het uiterste ingespannen voor de cliënte en zorgvuldig en adequaat gehandeld. De advocaat verzoekt de commissie dan ook het (niet onderbouwde) verzoek tot het toekennen van schadevergoeding af te wijzen.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde en hetgeen is ingebracht overweegt de commissie het volgende.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat zij heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.

De commissie stelt daarbij voorop dat een advocaat bij de behandeling van een zaak de leiding dient te nemen en vanuit zijn of haar eigen verantwoordelijkheid kan bepalen hoe de belangen van zijn of haar cliënt het beste worden gediend. De enkele omstandigheid dat de procedure bij het Hof voor de cliënte teleurstellend is verlopen betekent nog niet dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.

Voorts stelt de commissie voorop dat bij de uitvoering van de opdracht door de advocaat sprake is van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis.

Als opvolgend belangenbehartiger heeft de advocaat de cliënte vanaf 2017 bijgestaan in een bij het Hof te voeren verdelingszaak tegen de ex-partner van de cliënte. Die procedure was langdurig, complex en omvangrijk. Alvorens tot een einduitspraak te komen heeft het Hof twee tussenarresten gewezen (onder meer om het tussen partijen toepasselijke recht te bepalen) en er is een pleidooizitting geweest. De commissie constateert dat er gedurende de gehele periode van juridische bijstand door de advocaat veelvuldig contact en overleg is geweest tussen partijen. De commissie is gebleken dat de advocaat uitvoerig met de cliënte heeft gecorrespondeerd en gesproken en haar heeft geadviseerd over de te nemen stappen in de procedure. Onweersproken is dat de advocaat met de cliënte heeft besproken om de uitspraak van de rechtbank in stand te laten en in overleg met de advocaat van de ex-partner tot een regeling te komen. De cliënte koos er zelf voor de procedure bij het Hof door te zetten, zo stelt de commissie als onvoldoende weersproken vast. De advocaat heeft de stelling dat zij niet adequaat zou hebben gereageerd op e-mails van de cliënte en haar onjuist zou hebben geadviseerd betwist en gemotiveerd weerlegd en weersproken. De cliënte heeft haar stelling wat dit betreft onvoldoende geconcretiseerd laat staan voldoende onderbouwd zodat die zal worden verworpen.

Het Hof Den Bosch heeft in het arrest van 10 september 2019 te kennen gegeven dat de stellingen van de cliënte onvoldoende waren onderbouwd en haar vorderingen afgewezen. In het arrest heeft het Hof onder meer opgemerkt dat de cliënte onvoldoende duidelijk had aangegeven op welke bewijsmiddelen zij zich beriep. Daarmee is niet gezegd dat dit te wijten is aan een tekortkoming van de advocaat zoals de cliënte stelt. Onvoldoende weersproken is dat partijen er in overleg voor hebben gekozen om de grote hoeveelheid financiële bewijsstukken ter verduidelijking van de positie van de cliënte per jaartal te rubriceren en aldus aan het Hof aan te leveren.
De enkele omstandigheid dat het Hof heeft overwogen geen acht te hoeven slaan op de op die wijze en aldus gerubriceerde bewijsstukken maakt nog niet dat de advocaat in de uitvoering van haar opdracht is tekortgeschoten. Daarbij is van belang dat de commissie niet kan vaststellen of het Hof tot een andere voor de cliënte gunstige(re) beslissing zou zijn gekomen indien het Hof op deze wel acht had geslagen. Voorts is daarbij van belang dat de cliënte heeft berust in de gehele uitspraak van het Hof, waaronder deze overweging, door geen cassatieberoep in te stellen tegen de uitspraak van het Hof.

Dat er sprake is van schade door toedoen van de advocaat kan dan ook niet worden vastgesteld en is ook overigens niet gebleken. De commissie zal deze vordering dan ook afwijzen.

Voor creditering van het nog door de cliënte aan de advocaat te betalen openstaande bedrag ad € 8.500,– vanwege tekort schieten door de advocaat bestaat dan ook geen enkele aanleiding. De commissie begrijpt dat de cliënte dit openstaande bedrag via maandelijkse betalingen afbetaalt aan de advocaat.
Wel constateert de commissie dat de werkzaamheden inzake de klachtenprocedure ten onrechte bij de cliënte in rekening zijn gebracht. Vaststaat echter dat de advocaat nadat deze fout was onderkend, deze fout hersteld heeft door een creditnota aan de cliënte te sturen.

De commissie is, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en ingebracht en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook van oordeel dat de advocaat al hetgeen heeft gedaan en ingebracht om de vordering van de cliënte aan te tonen. Zij heeft aan haar inspanningsverplichting jegens de cliënte voldaan. Ook is de commissie, gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en ingebracht en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de advocaat heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.

De klacht van de cliënte zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dat niet tot een ander oordeel van de commissie kan leiden.

Gelet op het vorenstaande beslist de commissie als volgt.

Beslissing
Verklaart de klacht van de cliënte ongegrond en wijst het door de cliënte verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, mevrouw mr. H.M.J. van den Hurk, mevrouw drs. P.C. Hoogeveen – de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, plaatsvervangend secretaris, op 28 augustus 2020.