Advocaat is inspanningsverplichting bij tot stand brengen betalingsregeling alimentatie voldoende nagekomen

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Betaling    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 2658/11085

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt vindt dat de advocaat niet tijdig een betalingsregeling, betreft de alimentatie, tussen hem en zijn ex-vrouw heeft getroffen. Hierdoor heeft het alimentatiebureau na vijf maanden aangegeven over te gaan tot beslaglegging. De advocaat stelt zo goed mogelijk te hebben bemiddeld om te komen tot een betalingsregeling die vervolgens ook vrij snel door de advocaat van de ex-vrouw werd geaccepteerd. De ex-vrouw moest de incasso van het alimentatiebureau stopzetten, maar weigerde dit te doen. De commissie oordeelt dat de advocaat zich voldoende en tijdig heeft ingespannen om de door cliënt gewenste betalingsregeling tot stand te brengen. Dat de ex-vrouw de voorgestelde betalingsregeling uiteindelijk niet heeft getekend kan de advocaat niet worden verweten. Dat geldt ook voor de weigering van het alimentatiebureau om de incasso stop te zetten. De advocaat heeft voldoende pogingen ondernomen om tot een door cliënt gewenst resultaat te komen. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de advocaat.

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening.

Standpunt van cliënt
Voor het standpunt van cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënt zit al twaalf jaar in een vechtscheiding. Er is sprake van ouderverstoting. Op 17 juli 2018 heeft de cliënt de advocaat opdracht gegeven om een betalingsregeling (terzake te betalen alimentatie) te treffen met de ex-vrouw van cliënt. Dit nu de rechtbank eerder met terugwerkende kracht had beslist dat cliënt een hogere alimentatie zou moeten gaan betalen. Cliënt wilde niet dat zijn ex-vrouw in één keer een groot bedrag zou ontvangen. Hij had van zijn zoon begrepen dat zijn ex-vrouw van het geld een puppy en een auto zou gaan kopen zodat het geld dus niet naar zijn kinderen zou gaan. Cliënt is door het [naam alimentatiebureau] in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken, met een eventuele verlenging van nog eens vier weken, een betalingsregeling te treffen met zijn ex-vrouw. Pas na vier weken heeft de advocaat een eerste verzoek tot een regeling verstuurd. Er was toen al een aantal keren aangegeven dat de tijd drong. Toen de communicatie met de ex-vrouw eenmaal op gang was gekomen, heeft de advocaat ook steeds traag gereageerd. Na vijf maanden was er nog steeds geen betalingsregeling getroffen waarop het [naam alimentatiebureau] heeft aangegeven tot het leggen van beslag over te zullen gaan. Cliënt heeft daarop besloten tot betaling aan het [naam alimentatiebureau] over te gaan. De opslagkosten waren in de tussentijd behoorlijk opgelopen. Daarnaast was de rekening van de advocaat gelet op de verrichte werkzaamheden fors. Volgens cliënt is sprake van wanprestatie. Hij is € 600,– kwijt aan incassokosten en € 1.000,– aan advocaatkosten terwijl dit alleen gaat om een betalingsregeling die naar de mening van de cliënt ook in zes weken geregeld had kunnen worden. Cliënt is teleurgesteld over de gang van zaken.

Cliënt verlangt vergoeding van de opslagkosten ad € 979,18 en de factuur van de advocaat van € 1.217,15 minus het advies ad € 272,50. In totaal verlangt cliënt een schadevergoeding van € 1.923,83.

Standpunt van de advocaat
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 17 juli 2018 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden met cliënt. De wens van cliënt om onbelast en structureel contact te krijgen met zijn twee minderjarige kinderen is besproken. Daarnaast is de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2018 besproken waarin een door cliënt te betalen kinderalimentatie met terugwerkende kracht tot 3 januari 2018 is vastgelegd. Afgesproken is dat de advocaat de volledige processtukken aangeleverd zou krijgen en zou beoordelen of het zinvol zou zijn om in hoger beroep te gaan.
De advocaat heeft naar beste weten bemiddeld om te komen tot een betalingsregeling die vervolgens ook vrij snel door de advocaat van de ex-vrouw werd geaccepteerd. Cliënt en zijn ex-vrouw hadden een betalingsregeling getroffen over de achterstand die was ontstaan doordat de rechtbank de kinderalimentatie met terugwerkende kracht had gewijzigd. Het [naam alimentatiebureau] accepteerde die betalingsregeling echter alleen als het inmiddels ingezette incasso-traject zou worden gestopt. Omdat de ex-vrouw het [naam alimentatiebureau] opdracht had gegeven tot incasso van de achterstallige betalingen, is zij (of haar advocaat) de enige die de incasso ook weer stop kon zetten. Desondanks heeft de advocaat het [naam alimentatiebureau] benaderd met als doel om de reactie ook weer aan de advocaat van de ex-vrouw te kunnen doorsturen. De ex-vrouw heeft vervolgens geweigerd om de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen. De e-mails van de advocaat met daarin bewijs van de overeenstemming over de betalingsregeling waren voor het [naam alimentatiebureau] onvoldoende om de incasso stop te zetten. Ondanks dat de advocaat daarop via de advocaat van de ex-vrouw heeft aangedrongen heeft de ex-vrouw dat geweigerd. Op het laatste moment wierp de ex-vrouw de incassokosten op. Daarover heeft de advocaat nooit meer de juiste informatie ontvangen om een eventueel compromisvoorstel te kunnen formuleren. De advocaat meent naar beste weten te hebben bemiddeld om te komen tot een betalingsregeling, maar de ex-vrouw heeft vervolgens geweigerd om die betalingsregeling te tekenen en de incasso stop te zetten, ondanks aandringen van de advocaat.

Voorts heeft de advocaat gesteld dat zij op 24 juli 2018 een concept bericht heeft opgesteld. Dat is een week na de intake. Op 6 augustus 2018 is de e-mail verzonden. Het [naam alimentatiebureau] heeft op 14 september 2018 een brief gestuurd over de incasso. De advocaat heeft het betalingsvoorstel op 21 september 2018 naar de advocaat van de ex-vrouw gestuurd, dat op 3 oktober 2018 werd geaccepteerd. Het concept van het betalingsvoorstel is op 18 september 2018 aan cliënt toegezonden.
De advocaat meent aldus snel en adequaat te hebben gehandeld en het proces redelijkerwijs niet meer had kunnen bespoedigen. In de eerste plaats omdat de informatievoorziening en afstemming met cliënt tijd kost en in de tweede plaats omdat alleen met medewerking van de ex-vrouw als opdrachtgever de incasso kon worden gestopt en – na haar akkoord op de betalingsregeling – kon worden verwacht dat zij deze ook zou laten stoppen.

De klacht is dan ook ongegrond.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.

De klacht van cliënt komt er in de kern op neer dat de advocaat niet (tijdig) een betalingsregeling tussen cliënt en zijn ex-vrouw heeft getroffen.

Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de commissie dat de advocaat zich voldoende en tijdig heeft ingespannen om de door cliënt gewenste betalingsregeling tot stand te brengen. Dat de ex-vrouw de voorgestelde betalingsregeling (die door haar akkoord was bevonden) uiteindelijk niet heeft getekend kan de advocaat niet worden verweten. Dat geldt eveneens voor de weigering van het [naam alimentatiebureau] om de incasso stop te zetten. Daarvoor was opdracht van de ex-vrouw nodig, die zij niet wilde geven. De advocaat zou eventueel een kort geding hebben kunnen aanspannen tegen de wederpartij maar het voeren van een (kort geding) procedure zou slechts tot (aanzienlijk) hogere kosten hebben geleid terwijl de uitkomst van een dergelijke procedure onzeker was.

Al met al is de commissie van oordeel dat de advocaat voldoende pogingen heeft ondernomen om tot een door cliënt gewenst resultaat te komen. De houding van de ex-vrouw is er echter debet aan geweest dat het niet kon worden opgelost. De advocaat kan in deze geen verwijt worden gemaakt. Zij heeft naar het oordeel van de commissie gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat verwacht mag worden.
De factuur komt de commissie, gelet op de verrichten werkzaamheden, niet onredelijk voor.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is. Het door cliënt verlangde wordt afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klachten van cliënt ongegrond;

– wijst het door cliënt verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. J. van der Groen, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, mevrouw mr. drs. S. Euwema, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 19 december 2019.