advocaat kan zich terugtrekken nu hij en cliënt verschillen over de haalbaarheid van de zaak en manier waarop de procedure moet worden voortgezet.

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Tekortkoming in de uitvoering opdracht    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 106690

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.

Standpunt van de cliënt

Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en in het bijzonder naar het vragenformulier van 4 november 2016. Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.

De cliënt heeft zich tot de advocaat gewend met het verzoek hem bij te staan in het kader van een geschil tussen hem en zijn voormalige raadsman [naam voormalig raadsman], ontstaan tijdens de behandeling van een geschil tussen de cliënt en een andere voormalig advocaat van de cliënt, [naam voormalig advocaat]. De cliënt verwijt [naam voormalig raadsman] dat hij heeft verzuimd in de namens de cliënt ingestelde procedure tegen [naam voormalig advocaat], een concreet bewijsaanbod te doen.
Daardoor was het niet mogelijk cassatieberoep in te stellen, met als gevolg dat de cliënt zijn vorderingen op [naam voormalig advocaat] wegens onder meer verjaring zijn afgewezen door het Hof. Een tweede gevolg van het verzuim was dat het verzendbewijs van een stuitingsbrief niet meer mocht worden overgelegd in de appelprocedure bij het Hof.

Anders dan de cliënt is de advocaat van oordeel dat aansprakelijkstelling van [naam voormalig raadsman] niet reëel is. De advocaat heeft daarom de werkzaamheden ten behoeve van het geschil van de cliënt met zijn voormalig raadsman [naam voormalig raadsman] beëindigd. Mede nu de cliënt tevergeefs drie andere advocaten heeft benaderd om zijn zaak over te nemen, wenst de cliënt echter, dat de advocaat zijn belangen blijft behartigen en dat de advocaat in dat kader dan ook een dagvaarding zal uitbrengen tegen [naam voormalig raadsman]. Er is volgens de cliënt immers geen geldige reden voor de advocaat om zijn werkzaamheden voor de cliënt te beëindigen.

Bij nagekomen brief van 2 maart 2017 heeft de cliënt de advocaat voorgesteld dat hij de opdracht afkoopt door terugbetaling van de door de cliënt betaalde declaraties van in totaal € 1.644,24, te vermeerderen met het klachtengeld van € 102,50. Naar zijn mening is dat een alleszins redelijk voorstel, aangezien hij nog net zo ver is als een jaar geleden.

Standpunt van de advocaat

Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar de brief van de advocaat van 9 januari 2017. Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.

De advocaat stelt dat de cliënt al een aantal decennia is verwikkeld in juridische procedures tegen zijn voormalige advocaten ([naam voormalig advocaat], [naam voormalig advocaat] en [naam voormalig raadsman]). Die procedures vloeien voort uit het feit dat de cliënt in 1981 betrokken is geraakt bij een ongeval ten gevolge waarvan hij schade heeft geleden. [naam voormalig raadsman] is in 2011 namens de cliënt een gerechtelijke procedure tegen [naam voormalig advocaat] gestart. In die procedure heeft de cliënt veroordeling van [naam voormalig advocaat] gevorderd tot betaling aan hem van een bedrag van € 42.091,86. Die hoofdsom was opgebouwd uit twee deelvorderingen, namelijk vordering A, zijnde een bedrag van € 22.495,66 en vordering B, zijnde een bedrag van € 19.596,20. Aan de vorderingen heeft de cliënt ten grondslag gelegd dat
[naam voormalig advocaat] de wettelijke rente over de door [naam voormalig advocaat]aan de cliënt verschuldigde schadevergoeding niet goed heeft aangezegd. Zowel de rechtbank als het Hof hebben de vorderingen afgewezen. In april 2016 heeft de cliënt contact opgenomen met de advocaat en hem verzocht de haalbaarheid te onderzoeken van een succesvolle procedure jegens [naam voormalig raadsman] voor de schade die de cliënt door toedoen van [naam voormalig raadsman] heeft geleden. Volgens de cliënt heeft [naam voormalig raadsman] namelijk een beroepsfout gemaakt en heeft hij verzuimd in de door hem namens de cliënt aangespannen procedure tegen [naam voormalig advocaat] een concreet bewijsaanbod te doen. Als gevolg daarvan zijn de vorderingen jegens [naam voormalig advocaat] wegens (onder meer verjaring) afgewezen.
De advocaat voert aan dat hij uiteindelijk tot de conclusie is gekomen dat wat de cliënt wenst juridisch niet haalbaar is; een vordering tot schadevergoeding voor de afgewezen vordering A achtte hij vrijwel vanaf het begin niet reëel en een vordering tot schadevergoeding voor de afgewezen vordering B achtte de advocaat op voorhand weliswaar pleitbaar, maar de kans op succes is onzeker. Hij heeft de cliënt dan ook geadviseerd vordering A in te trekken, hetgeen de cliënt weigerde. De advocaat wenst geen zaak te bepleiten die in zijn ogen volstrekt niet haalbaar is.

Hij heeft de cliënt dan ook geïnformeerd dat hij niet zal overgaan tot het opstellen van een (concept)dagvaarding zoals de cliënt wenste en heeft de opdracht teruggegeven omdat hun meningen over de wijze waarop de zaak moest worden behandeld verschilden. Het gaat hier om het basisprincipe dat een advocaat ‘dominus litis’ is, aldus de advocaat, en dus niet alleen onafhankelijk is ten opzichte van de wederpartij maar ook ten opzichte van zijn cliënt. Een verplichting tot hervatting van de werkzaamheden is er niet, terwijl bij de advocaat bovendien het noodzakelijke vertrouwen in de samenwerking ontbreekt. De advocaat concludeert tot ongegrondverklaring van de klacht.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat.

De commissie stelt vast dat de advocaat en de cliënt van mening verschillen over de wijze waarop de zaak dient te worden behandeld. Zij hebben dat verschil van inzicht in onderling overleg niet kunnen oplossen. Ten aanzien van eerdergenoemde vordering A is de advocaat van mening dat een schadevergoedingsactie niet reëel is en ten aanzien van eerdergenoemde vordering B is de advocaat van mening dat die vordering wellicht pleitbaar is, maar dat het geenszins zeker is dat vordering B in appèl wel zou zijn toegewezen indien [naam voormalig raadsman] zijn werk goed zou hebben gedaan. De advocaat heeft de cliënt, na zorgvuldige bestudering van de zaak, mede gelet op de procesrisico’s en ter voorkoming van kosten, geadviseerd vordering A niet te betrekken in de eventuele procedure jegens [naam voormalig raadsman], de cliënt aangegeven dat hij als advocaat er moeite mee heeft een vordering in te stellen die naar zijn overtuiging niet haalbaar is en zich daarna teruggetrokken en de opdracht teruggegeven.
Naar het oordeel van de commissie mag van de advocaat niet worden gevergd dat deze namens de cliënt een vordering instelt die hij niet pleitbaar acht. De advocaat draagt op grond van artikel 9 van de Gedragsregels voor de advocatuur de volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van de zaak, en dient zich op zorgvuldige wijze terug te trekken indien tussen de advocaat en zijn cliënt verschil van mening bestaat over de wijze waarop de zaak moet worden behandeld en dat geschil niet in onderling overleg kan worden opgelost. Gelet daarop en nu de cliënt erop bleef staan dat genoemde vordering A zou moeten worden betrokken in de procedure jegens [naam voormalig raadsman], stond het de advocaat vrij zich terugtrekken en de opdracht terug te geven. De advocaat heeft de opdracht met de vereiste zorgvuldigheid neergelegd, de cliënt daarover geïnformeerd en gewezen op de mogelijkheid van het raadplegen van een andere advocaat. Dat het de cliënt vervolgens niet is gelukt om een andere advocaat te vinden die zijn belangen zou willen behartigen, is – hoe spijtig ook –  een omstandigheid die niet aan de advocaat kan worden toegerekend.

Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat in deze dan ook gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Anders dan de cliënt betoogt in zijn brief van 2 maart 2017 is de commissie van oordeel dat de declaraties niet behoeven te worden gecrediteerd.
Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die maken dat de advocaat de door de cliënt betaalde declaraties zou moeten terugbetalen. Deze vordering zal de commissie dan ook afwijzen.
Van (overige) schade voor de cliënt door toedoen van de advocaat, is niet gebleken nog afgezien van de omstandigheid dat de cliënt deze niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd.

Voor zover door partijen aangevoerde stellingen niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andersluidende beslissing kunnen leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond;

– wijst het door de cliënt verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 8 maart 2017.