Autonomie bevorderend beleid zorgaanbieder niet in strijd met de Wkkgz

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Klachtafhandeling / zorgvuldig handelen zorgaanbieder    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 213309/244543

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Volgens de klager heeft de zorgaanbieder hem immateriële schade toegebracht door het voeren van een – met de wet strijdig – beleid om familie en/of naasten niet te betrekken bij de behandeling van zijn dochter in het Centrum Intensieve Behandeling (hierna: CIB). Daarnaast heeft de zorgaanbieder ten onrechte nooit inhoudelijk gereageerd op de door hem ingediende klachten. De klager verzoekt de commissie daarom een bedrag aan schadevergoeding aan hem toe te kennen. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder met het toepassen van het autonomie bevorderend beleid niet in strijd met de Wvggz heeft gehandeld, omdat de volwassen dochter van de cliënt heeft ingestemd met het beleid. Op grond van de Wvggz heeft zij het recht om familie en naasten vertrouwelijke informatie over haar behandeling te ontzeggen. Bovendien heeft de zorgaanbieder de klager voldoende geïnformeerd over het beleid door middel van brieven, een familieavond en het aanstellen van een aanspreekpersoon voor de familie. Dat de klager geen inspraak heeft op de behandeling van de dochter is inherent aan het behandelbeleid. Met betrekking tot de stelling van de klager dat de zorgaanbieder niet inhoudelijk heeft gereageerd op zijn klachten oordeelt de commissie dat het op de weg van de klager had gelegen om in te gaan op de uitnodiging van de zorgaanbieder om in gesprek te gaan met de psychiater en directeur van het CIB. De klachtonderdelen zijn daarmee ongegrond.

Volledige uitspraak

Samenvatting

Volgens de klager heeft de zorgaanbieder hem immateriële schade toegebracht door het voeren van een – met de wet strijdig – beleid om familie en/of naasten niet te betrekken bij de behandeling van zijn dochter in het Centrum Intensieve Behandeling (hierna: CIB). Daarnaast heeft de zorgaanbieder ten onrechte nooit inhoudelijk gereageerd op de door hem ingediende klachten. De klager verzoekt de commissie daarom een bedrag aan schadevergoeding aan hem toe te kennen.

De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder met het toepassen van het autonomie bevorderend beleid niet in strijd met de Wvggz heeft gehandeld, omdat de volwassen dochter van de cliënt heeft ingestemd met het beleid. Op grond van de Wvggz heeft zij het recht om familie en naasten vertrouwelijke informatie over haar behandeling te ontzeggen. Bovendien heeft de zorgaanbieder de klager voldoende geïnformeerd over het beleid door middel van brieven, een familieavond en het aanstellen van een aanspreekpersoon voor de familie. Dat de klager geen inspraak heeft op de behandeling van de dochter is inherent aan het behandelbeleid.

Met betrekking tot de stelling van de klager dat de zorgaanbieder niet inhoudelijk heeft gereageerd op zijn klachten oordeelt de commissie dat het op de weg van de klager had gelegen om in te gaan op de uitnodiging van de zorgaanbieder om in gesprek te gaan met de psychiater en directeur van het CIB. De klachtonderdelen zijn daarmee ongegrond.

Beoordeling

De klacht

De klager stelt dat de zorgaanbieder in strijd met artikel 5:13 Wvggz de familie niet heeft betrokken bij de behandeling van zijn dochter. Hij voert hiertoe, samengevat en in de kern weergegeven, het volgende aan.

Het autonomie bevorderend beleid

De dochter van de klager is gediagnosticeerd met ADHD, autisme, PTSS, disharmonische intelligentie en een bipolaire stoornis. Daarnaast is [naam dochter] suïcidaal. In de periode 1 juli 2022 tot en met 8 mei 2023 is [naam dochter] met een zorgmachtiging opgenomen in het CIB van de zorgaanbieder. In het CIB wordt een autonomie bevorderend beleid gehanteerd, waarbij elk contact met de familie over de toestand en behandeling wordt uitgesloten behalve indien een tentamen suïcide heeft plaatsgevonden. Alleen [naam dochter] kan de familie informeren hoe het met haar gaat. Dit beleid van de zorgaanbieder is in strijd met artikel 5:13 Wvggz en niet conform de zorgstandaard Psychotrauma en stress gerelateerde stoornissen (2020). Volgens artikel 5:13 Wvggz dient de zorgaanbieder vooraf familie en/of naasten de gelegenheid te bieden om aan te geven wat hun zienswijze is. Die gelegenheid heeft de klager (ten onrechte) niet gehad. Ook heeft de klager niet kunnen bijdragen aan de evaluatie van de opname, hetgeen eveneens in strijd is met artikel 5:13 Wvggz. [naam dochter] heeft hierdoor niet de beste zorg gekregen, omdat:

–             uit de vorige behandeling van [naam dochter] bij een andere zorgaanbieder volgde dat in fases van herbeleving en dissociaties je geen autonomie van [naam dochter] moet vragen;

–             [naam dochter] soms niet begrijpt wat er gezegd wordt en soms ook vergeet wat er is gezegd;

–             er geen gebruik wordt gemaakt van de ervaring van de familie bij het omgaan met [naam dochter].

De klager heeft al drie keer eerder een klacht ingediend over het beleid. De zorgaanbieder is echter nooit inhoudelijk op de aangevoerde argumenten van de klager ingegaan.

Immateriële schade

Als gevolg van voornoemd beleid en de wijze van afhandeling van de klachten door de zorgaanbieder heeft de klager immateriële schade geleden. Het gebrek aan communicatie heeft bij de klager onder meer geleid tot:

–             onwetendheid over het doel van de behandeling,

–             een gevoel van angst dat [naam dochter] bij het CIB niet op de juiste plek was,

–             het gevoel van machteloosheid, omdat hij zijn dochter niet kan helpen, zelfs als [naam dochter] zelf om hulp vraagt van haar vader bij de monitorgesprekken,

–             onzekerheid en stress, omdat hij geen advies krijgt hoe hij zijn dochter kan ondersteunen,

–             het gevoel buitengesloten te zijn.

Volgens de klager kan hij zich hierdoor minder focussen op zijn werk, is hij vergeetachtiger en chaotischer. Ook kost het voor de klager veel energie om de dag te beginnen en is hij somber over de toekomst van zijn dochter.

De klager verzoekt de commissie om zijn klacht gegrond te verklaren en aan hem een schadevergoeding ter hoogte van € 250,00 toe te kennen.

De reactie van de zorgaanbieder

De zorgaanbieder stelt dat het in het belang van [naam dochter] was om het autonomie bevorderend beleid toe te passen. [naam dochter] is een volwassene met dusdanig ernstige problematiek dat slechts het CIB als derdelijns behandelcentrum nog passende zorg kon bieden. Het autonomie bevorderend beleid was hierbij aangewezen. [naam dochter] had namelijk al diverse behandelingen in de reguliere GGZ doorlopen zonder duurzaam resultaat. Om dit te doorbreken richt het CIB zich op het bevorderen van de autonomie van [naam dochter] conform de theorie van Dawson en Mc Millan. Dit betekent wel dat er anders met naasten wordt omgegaan dan in de reguliere GGZ. De contactpersoon van de familie wordt alleen gebeld als er sprake is van een levensbedreigende situatie. De overige communicatie verloopt via [naam dochter] zelf. Dit is in het belang van een goede vertrouwensrelatie met [naam dochter]. Als de behandelaars dit niet doen dan ontstaat er wantrouwen en terughoudendheid in de relatie om alles te kunnen bespreken in therapie. Naasten dienen bij dit beleid dus een stap naar achteren te zetten en [naam dochter] de ruimte te geven tot ontwikkeling van zichzelf.

Ondanks meerdere pogingen van de zorgaanbieder is het niet gelukt om voor de klager inzichtelijk te maken dat het gehanteerde beleid noodzakelijk was om [naam dochter] de juiste behandeling te bieden. In tegenstelling tot hetgeen de klager aanvoert heeft de zorgaanbieder zich naar behoren ingespannen om zo zorgvuldig mogelijk met klager om te gaan. De zorgaanbieder heeft de klager en familieleden voldoende op de hoogte gesteld van het beleid, zowel voor als tijdens de behandeling van [naam dochter]. Waar mogelijk werden aanvullende afspraken gemaakt met dochter en klager. Ook had de familie een aanspreekpunt waar ze terecht konden voor uitleg over het beleid. Dat de klager niet intensiever bij de behandeling betrokken werd en geen inspraak had is inherent aan het behandelbeleid. De zorgaanbieder benadrukt hierbij dat [naam dochter], een volwassene, zelf akkoord is gegaan met het autonomie bevorderend beleid.

Volgens de zorgaanbieder dient de klacht dan ook ongegrond te worden verklaard.

De beoordeling van het geschil door de commissie

1)           Het autonomie bevorderend beleid

[naam dochter] is in de periode 1 juli 2022 tot en met 8 mei 2023 opgenomen in het CIB van de zorgaanbieder. Het CIB is een derdelijns behandelcentrum waarin cliënten worden opgenomen die diverse behandelingen in de reguliere GGZ hebben doorlopen zonder duurzaam resultaat en/of deze behandeling is vastgelopen. In het CIB wordt een autonomie bevorderend beleid gehanteerd om de cliënt te leren autonoom te functioneren. Dit beleid houdt in dat de contactpersoon van de familie alleen wordt gebeld als er sprake is van een levensbedreigende situatie. De overige communicatie verloopt slechts via de cliënt zelf. De klager is het niet met dit beleid eens en stelt dat hij op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidzorg (Wvggz), specifiek artikel 5.13 Wvgzz, betrokken diende te worden bij de behandeling van zijn dochter en dat de zorgaanbieder dit ten onrechte niet heeft gedaan.

De commissie oordeelt als volgt.

Vaststaat dat [naam dochter], de volwassen dochter van de klager, heeft ingestemd met het autonomie bevorderend beleid in het CIB. Gesteld noch gebleken is dat [naam dochter] op het moment van instemming met het beleid wilsonbekwaam was. Ter zitting heeft [naam psychiater], de psychiater, ook benadrukt dat de wilsbekwaamheid van [naam dochter] gedurende de opname telkens wordt getoetst. Op grond van de Wvgzz heeft [naam dochter] het recht om in te stemmen met een behandeling waarbij familie en naasten geen vertrouwelijke informatie krijgen. De zorgaanbieder heeft naar het oordeel van de commissie dan ook zorgvuldig gehandeld door zich te houden aan het overeengekomen behandelplan van [naam dochter] door geen vertrouwelijke informatie over de behandeling van [naam dochter] aan de familie te geven. Dat de familie van [naam dochter] geen inspraak had op de behandeling van [naam dochter] en niet konden bijdragen aan de evaluatie van de opname is dan ook inherent aan het overeengekomen behandelplan. Daarnaast kon [naam dochter] zelf wel behandelinhoudelijke informatie geven aan haar familie over haar ontwikkelingen en voortgang. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder [naam dochter] hierbij voldoende heeft ondersteund door haar te adviseren: gesprekken op te nemen en te laten horen aan familie of om een notitieblok mee te nemen naar gesprekken en aantekeningen te maken. Het is aan [naam dochter] om iets met dit advies te doen of niet, dit past ook in haar behandeling. Dat de zorgaanbieder het verzoek van [naam dochter] heeft geweigerd om de klager bij een monitorgesprek aanwezig te laten zijn is in lijn met het behandelplan waarmee [naam dochter] zelf heeft ingestemd. De commissie merkt voorts op dat uit de overgelegde stukken volgt dat de zorgaanbieder de klager met brieven, een presentatie op de familieavond en het instellen van een aanspreekpunt voldoende op de hoogte heeft gehouden over het gevoerde autonomie bevorderend beleid. Dat de verwijzer voorafgaand aan de opname van [naam dochter] in het CIB geen contact heeft opgenomen met de klager acht de commissie kwalijk. Dit enkele feit rechtvaardigt echter niet de conclusie dat de zorgaanbieder hierdoor in strijd met de Wvgzz heeft gehandeld. De commissie adviseert de zorgaanbieder om dit in de toekomst te voorkomen door te checken of de verwijzer de familie van de cliënt heeft geïnformeerd.

Alhoewel de commissie de ogen niet sluit dat het autonomie bevorderend beleid erg frustrerend moet zijn geweest voor de klager, heeft de zorgaanbieder naar het oordeel van de commissie, ook gelet op de instemming van [naam dochter] zorgvuldig gehandeld door zich aan het behandelplan te houden en waar mogelijk de klager te informeren. Dit klachtonderdeel (1) wordt dan ook ongegrond verklaard.

1)           Geen inhoudelijke reactie op klachten

De klager stelt dat hij een klacht heeft ingediend bij de klachtenfunctionaris van zorgaanbieder (naam), bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder regio (naam) en bij de klachtenfunctionaris van de zorgaanbieder (plaatsnaam locatie) en dat zij nooit inhoudelijk op de klacht zijn ingegaan.

De zorgaanbieder heeft aangegeven dat 1) de klacht bij zorgaanbieder (naam) niet in behandeling kon worden genomen omdat de afdeling van [naam dochter] per 1 november 2022 onderdeel werd van de zorgaanbieder, en niet langer van zorgaanbieder (naam) en 2) de klacht bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder niet ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 10.3 Wvggz. In reactie op het verzoek van de klager aan de klachtenfunctionaris om de klacht inhoudelijk te behandelen heeft de zorgaanbieder daarom in een brief van 12 april 2023 de klager uitgenodigd voor een gesprek met de leidinggevende psychiater en de directeur. De klager heeft echter niet op deze uitnodiging gereageerd. De klachtenfunctionaris heeft daarna ook geprobeerd om de klager telefonisch te bereiken, maar ook dit is niet gelukt.

De commissie is van oordeel dat het op de weg van de klager had gelegen om op de uitnodiging voor het gesprek in te gaan voor een inhoudelijke reactie op de klacht. Dat de klager dit niet gedaan heeft omdat hij bij voorbaat geen vertrouwen had in het gesprek acht de commissie onvoldoende onderbouwd. Dit klachtonderdeel (2) wordt dan ook ongegrond verklaard.

De conclusie

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond zijn.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

–             verklaart de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer drs. D.J.L. Jonker, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. R.H.W. Theuns-van Waasdijk, secretaris, op 20 februari 2024.