Binnen zonwering met zonwerend glas geen alternatief voor buiten zonwering; ondernemer moet schadevergoeding betalen

  • Home >>
  • Garantiewoningen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Garantiewoningen    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: Arbitraal Vonnis   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 189463/194225

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil gaat over hetgeen ondernemer in de woning van consument heeft geplaatst. Consument heeft gevraagd om een buiten zonwering, maar ondernemer heeft zonwerend glas in combinatie met binnen zonwering geplaatst. Een deskundige heeft naar de staat van de installatie gekeken en heeft een deskundigenrapport opgesteld. Dit rapport hebben de arbiters meegenomen in hun vonnis. De arbiters verklaren dat het door ondernemer geplaatste niet volstaat als alternatief voor een buiten zonwering. Ondernemer moet schadevergoeding aan consument betalen. De klacht wordt gegrond verklaard.

De uitspraak

Ondergetekenden:
de heer mr. R.J. Paris te [plaatsnaam], mevrouw mr. C.M.W. Friedman – de Waele te [plaatsnaam] en de heer ir. F.A.J. Münninghoff te [plaatsnaam], die in het onderhavige geschil als arbiters optreden, hebben het volgende vonnis gewezen.

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage
De bevoegdheid van de Geschillencommissie Garantiewoningen (hierna te noemen: de commissie) tot beslechting van het geschil berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals opgenomen in de tussen de ondernemer en de consument gesloten koop-/ aannemingsovereenkomst met toepasselijkheid van de SWK Garantie- en waarborgregeling, versie 1 januari 2020 en het bijbehorend Garantiesupplement, bestaande uit de modules I F en II V (hierna te noemen: de garantieregeling). Hierin wordt bepaald dat “alle geschillen …, welke ook (…) die naar aanleiding van de koop-/aannemingsovereenkomst (…) ontstaan, worden beslecht bij wege van arbitrage door de Geschillencommissie Garantiewoningen overeenkomstig de regelen beschreven in het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Garantiewoningen”.

Daarmee is voldaan aan de eis van artikel 1021 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De arbiters zijn daarom bevoegd om het geschil te beslechten. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 16 lid 1 van het Geschillenreglement van de Geschillencommissie Garantiewoningen (hierna te noemen: het reglement) te beslissen als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden.

Als plaats van arbitrage is Den Haag vastgesteld.

Onderwerp van het geschil
De ondernemer heeft geen buitenzonwering, maar zonwerend glas in combinatie met binnen zonwering gerealiseerd in de woning van de consument. Is deze vorm van zonwering als gelijkwaardig alternatief te beschouwen?

Behandeling van het geschil
Op 30 juni 2023 heeft te Den Haag de mondelinge behandeling van het geschil plaatsgevonden ten overstaan van de arbiters, bijgestaan door de heer mr. [naam] als secretaris.
Partijen waren via een videoverbinding aanwezig. Van de zijde van de consument was de heer [naam] aanwezig. De ondernemer werd ter zitting vertegenwoordigd door de gemachtigde mevrouw mr. [naam], vergezeld van de heer [naam]. Als toehoorder was mevrouw [naam] (kantoorgenoot van mevrouw mr. [naam]) aanwezig.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken en hetgeen door de consument ter zitting naar voren is gebracht. In de kern komt het standpunt van de consument op het volgende neer.

De consument heeft bij koop-/aannemingsovereenkomst, getekend op respectievelijk 11 en 14 februari 2021, (verder: de overeenkomst) een appartement in een gemeentelijk monument gekocht. Het betreft een voormalige technische school die wordt omgebouwd. Doorslaggevende reden bij de koop was volgens de consument dat de Technische Omschrijving (TO) vermeldde dat het appartement uitvalschermen kreeg. Dit gezien de grote en hoge raampartijen op het zuidoosten en het zuidwesten in het appartement. De ondernemer heeft in een gewijzigde TO de uitvalschermen in eerste instantie vervangen door screens. Daar had de consument geen bezwaar tegen, omdat deze dezelfde voordelen hebben als uitvalschermen. Bij een tweede wijziging van de TO heeft de ondernemer de screens echter vervangen door zonwerende beglazing aan de binnenzijde met elektrisch bedienbare rolgordijnen. Volgens de consument heeft de ondernemer niet aangetoond dat de verandering technisch noodzakelijk is. De consument meent dat de verandering afbreuk doet aan de kwaliteit van zijn appartement.

Het is de consument gebleken dat ingevolge de toepasselijke erfgoedregelgeving van de gemeente Groningen het verboden is het gebouw “in enig opzicht te wijzigen” en dat buitenzonwering in principe niet was toegelaten. Bij de beoordeling van de plannen heeft de monumentencommissie volgens de consument echter wel ruimte gelaten voor zonwering, als onderdeel van een integraal voorstel (inclusief ontwerp van de kozijnen).

Ten onrechte heeft de ondernemer nagelaten een voorstel met screens aan de monumentencommissie ter beoordeling voor te leggen. De commissie heeft die mogelijkheid expliciet geopend. De consument stelt zich op het standpunt dat de ondernemer geen reden heeft om af te wijken van de overeenkomst tussen partijen en rechtens alsnog een voorstel met screens moet voorleggen aan de monumentencommissie, zulks conform de opening die de gemeente heeft geboden.

De ondernemer heeft niet overeenkomstig de op hem rustende inspanningsverplichting gehandeld. Zeker gezien de specifieke omstandigheden is de consument van mening dat wel degelijk afbreuk wordt gedaan aan waarde, kwaliteit en bruikbaarheid van zijn appartement (binnenmilieu).

De consument verzoekt de ondernemer ertoe te veroordelen dat de ondernemer alsnog de mogelijkheden voor screens aan monumentencommissie voorlegt, in overleg met de consument. De consument verzoekt subsidiair om een vergoeding. Hij stelt voor de vergoeding door een externe deskundige te laten vaststellen.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijzen de arbiters naar de overgelegde stukken en hetgeen door de ondernemer ter zitting naar voren is gebracht. In de kern komt het standpunt van de ondernemer op het volgende neer.

De ondernemer kan met een beroep op artikel 37 van de overeenkomst (eenzijdig) wijzigingen doorvoeren.
De ondernemer heeft reeds een aanvraag voor buitenzonwering ingediend bij de monumentencommissie en heeft daarom al uitvoering gegeven aan het primaire standpunt van de consument. De monumentencommissie heeft echter nadrukkelijk negatief geadviseerd ten aanzien van dit voorstel.
De ondernemer ziet geen andere mogelijkheid meer om wel buitenzonwering in te passen in de gevel, ten aanzien waarvan de commissie wel positief zal gaan adviseren.
Het opnieuw indienen van een voorstel is daarom volstrekt zinloos. De wijziging is aantoonbaar noodzakelijk. Volgens de ondernemer zal de monumentencommissie op geen enkele manier een positief advies afgeven met betrekking tot de inpassing van buitenzonwering in de gevel van de voormalig technische school.

Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kwaliteit van het appartement als de wijziging wordt doorgevoerd. De ondernemer verwijst hiervoor naar een door onderzoeksbureau [naam] uitgevoerd onderzoek. Het gebruik van de binnen zonwering is hetzelfde als de buitenzonwering en er bestaat geen significant verschil ten aanzien van het energiegebruik. Er wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 29 van de overeenkomst en artikel 6 van de algemene voorwaarden. De ondernemer mocht op grond daarvan eenzijdig de wijziging doorvoeren.

De ondernemer heeft zich toereikend ingespannen om de gewenste zonwering te realiseren door het ontwerp te wijzigen en het gesprek met de gemeente aan te gaan en heeft zich ingespannen de consument volledig voor te lichten.

De consument heeft op geen enkele wijze aangetoond dat hij (vermogens)schade lijdt als gevolg van de wijziging.

De ondernemer concludeert dat de vorderingen van de consument afgewezen dienen te worden, waarbij een eventuele veroordeling in de (proces)kosten van dit geschil voor diens rekening dient te komen.

Uitgangspunten
Voor de beoordeling van het geschil nemen de arbiters – naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde en met inachtneming van de inhoud van de overgelegde stukken – het navolgende als uitgangspunt.

In de overeenkomst is de eerdergenoemde garantieregeling van toepassing verklaard. Op grond van de van toepassing zijnde artikelen van de garantieregeling heeft de ondernemer zich jegens de consument onder meer verbonden de woning (af) te bouwen conform de betreffende technische omschrijving en tekening(en) en – voor zover aanwezig – staten van wijzigingen, zoals aangegeven op de bij de aannemingsovereenkomst behorende situatietekening, zulks naar de eisen van goed en deugdelijk werk en met inachtneming van de voorschriften van overheid en nutsbedrijven. De woning is nog niet opgeleverd.

Op grond van de van toepassing zijnde artikelen van de garantieregeling heeft de ondernemer tevens aan de consument gegarandeerd dat de toegepaste constructies, materialen, onderdelen en installaties onder redelijkerwijs te voorziene externe omstandigheden deugdelijk zijn en bruikbaar voor het doel waarvoor zij zijn bestemd, een en ander voor zover ter zake geen beperkingen zijn opgenomen. Op grond hiervan heeft de ondernemer tevens gegarandeerd dat de woning voldoet aan de toepasselijke eisen van het Bouwbesluit dat van toepassing is op de verkregen bouwvergunning. Deze normen worden hierna gezamenlijk aangeduid als: de garantienormen.

Op grond van artikel 16 lid 2 sub g van het reglement bevat het arbitrale vonnis, naast de beslissing, in elk geval de vaststelling welk gedeelte van het arbitrale vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die vallen onder de SWK Garantie- en Waarborgregeling en welk gedeelte van het vonnis betrekking heeft op die onderdelen van het geschil die geen betrekking hebben op de SWK Garantie- en Waarborgregeling.

Beoordeling van het geschil
De arbiters overwegen als volgt.

De consument heeft ter zitting verklaard zich te realiseren dat zijn woning niet voorzien zal gaan worden van buitenzonwering. De arbiters verstaan dit zo dat hij daarmee zijn primaire vordering – eruit bestaande dat de ondernemer verplicht zou worden in overleg met de consument alsnog de mogelijkheden voor screens aan de monumentencommissie voor te leggen – heeft ingetrokken. Gelet op het vorenstaande komen de arbiters niet toe aan de vraag tot welke inspanning de ondernemer zich op grond van de overeenkomst verplicht heeft. Zij laten dit klachtonderdeel dan ook verder buiten beschouwing.

Ter beoordeling blijft echter wel staan de vraag of de door de ondernemer gerealiseerde zonwerende beglazing aan de binnenzijde met elektrisch bedienbare rolgordijnen gelijkwaardig is aan buitenzonwering. De arbiters zoeken daarvoor steun in het deskundigenrapport van [naam deskundige bureau] d.d. 19 december 2022.

[Naam deskundige bureau] concludeert:
“Op basis van de uitgevoerde berekeningen en het kwalitatieve vergelijk zal de buitenzonwering naar verwachting beter presteren dan de voorgestelde gemetalliseerde binnen zonwering in combinatie met de zonwerende beglazing. Het verschil is echter beperkt.

Het energieverbruik neemt op basis van de NTA 8800 met circa 200 kWh op jaarbasis toe wanneer er wordt gekozen voor een gemetalliseerde binnen zonwering in combinatie met zonwerende beglazing. Het energieverbruik is echter wel in grote mate afhankelijk van het gebruikersgedrag van de bewoner (geldt zowel voor binnen- als buitenzonwering).

Daarnaast heeft een gemetalliseerde binnen zonwering ook enkele voordelen ten aanzien van het energieverbruik en onderhoud ten opzichte van buitenzonwering. Deze voordelen komen niet goed tot uiting in de berekeningsmethode van de NTA 8800 en hebben met name betrekking op het gebruikersgedrag, namelijk:
• Wanneer in de zomer de binnen zonwering niet naar beneden is gedaan (vergeten door de bewoner). Dan komt maar de helft aan opvallende zoninstraling daadwerkelijk binnen in vergelijk met een buitenzonwering die niet is neergelaten. Dat betekent dat het appartement minder hard opwarmt ten opzichte van een vergelijkbare situatie met buitenzonwering en dus ook dat er minder hoeft te worden weggekoelt.
• In koude periode kan de bewoner ’s nachts een extra isolatielaag voor het glas aanbrengen. Dit zorgt voor minder energieverlies door de pui, waardoor het appartement minder afkoelt en daarmee in de ochtend minder hoeft te worden opgewarmd. Buitenzonwering heeft nauwelijks effect op het warmteverlies door de glaspui.
• Binnen zonwering heeft minder onderhoud nodig ten opzichte van buitenzonwering. Bij het toepassen van
binnen zonwering is er geen risico dat de bewoner vergeet de zonwering omhoog te doen (bijvoorbeeld omdat de bewoner niet thuis is) wanneer de windbelasting op de gevel te hoog is (windkracht 5 of hoger).”

De consument heeft weliswaar enige bemerkingen – in de vorm van aanvullingen – bij dit rapport gemaakt, maar de consument heeft de inhoud van dit rapport op zichzelf niet weersproken. Nu de bevindingen en conclusie door partijen niet, dan wel onvoldoende zijn betwist en deze de arbiters ook overigens niet onjuist voorkomen, nemen zij deze over en maken deze tot de hunne.

Gelet op het vorenstaande achten de arbiters dit klachtonderdeel gegrond in die zin dat het geboden alternatief van zonwerende beglazing aan de binnenzijde met elektrisch bedienbare rolgordijnen, op grond van de bevindingen van de deskundige niet volledig gelijkwaardig is te achten aan buitenzonwering. Zij zullen de consument dan ook in zoverre in het gelijk stellen.

Toetsing aan de garantieregeling
De arbiters overwegen dat in het kader van de garantieregeling dient te worden beoordeeld of de situatie voldoet aan de uit hoofde van de garantienormen te stellen eisen.
Nu het geschilpunt betreft de levering van zonwering in of aan de woning van de consument is geen sprake van een garantiegeschil, maar van een zogenaamd leveringsgeschil uit hoofde van de overeenkomst. De garantieregeling biedt voor dergelijke geschillen geen toetsingskader.

Vervangende schadevergoeding
De arbiters achten een vervangende schadevergoeding van € 500,– gelet op de omstandigheden van dit geval passend. Daartoe overwegen zij dat de ondernemer ter zitting niet, althans onvoldoende weersproken, heeft verklaard dat de geboden oplossing naar schatting op jaarbasis circa € 50,– aan extra energiekosten oplevert. De arbiters volgen de ondernemer hierin en dat leidt over meer jaren genomen tot een vergoeding van € 500,–.

De consument heeft ter zitting weliswaar een vervangende schadevergoeding van € 5.000,– gevorderd, maar hij heeft dat bedrag op geen enkele wijze onderbouwd en heeft overigens het rapport van de deskundige op dit punt onvoldoende weersproken.

Klachtengeld
De consument wordt in het gelijk gesteld, in zoverre dat de klacht gegrond is verklaard. Daarom zal, zoals bepaald in artikel 20 lid 1 van het reglement, het betaalde klachtengeld door de commissie aan de consument worden terugbetaald.

Beslissing
De arbiters, als goede personen naar billijkheid, met inachtneming van de tussen partijen geldende voorwaarden, beslissen als volgt:

I. verklaren de klacht van de consument gegrond;

II. veroordelen de ondernemer tot betaling van een bedrag van € 500,– aan de consument, binnen 14 dagen na dagtekening van dit vonnis;

III. stellen vast dat aan de consument ter zake van de klacht geen beroep toekomt op garantie uit hoofde van de SWK Garantie- en Waarborgregeling;

IV. bepalen dat de consument het betaalde klachtengeld van de commissie retour ontvangt;

V. wijzen het meer of anders gevorderde af

Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op en door de arbiters van de Geschillencommissie Garantiewoningen ondertekend.