Borgsom is een aanvullende betalingsverplichting, welke niet was overeengekomen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Kosten / Overeenkomst    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 206823/221377

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De consument heeft een villa gehuurd bij de ondernemer. Na de boeking heeft de ondernemer als voorwaarde gesteld dat de consument een borgsom diende te betalen. De consument klaagt erover dat de ondernemer deze aanvullende voorwaarde heeft gesteld voor het gebruik van de villa. De commissie is van oordeel dat de borgsom aangemerkt moet worden als een aanvullende betalingsverplichting, welke partijen niet zijn overeengekomen. De klacht is dan ook gegrond.

De uitspraak

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Recreatie (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2023 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter (digitale) zitting hun standpunt toegelicht.

De ondernemer werd ter zitting vertegenwoordigd door mevrouw [naam], bijgestaan door mr. [naam], bedrijfsjurist.

Onderwerp van het geschil
De consument heeft de klacht voorgelegd aan de ondernemer.

Het geschil betreft de mededeling van de ondernemer – een paar weken oor de geboekte periode – dat de consument een borg dient te betalen, terwijl daarover niets stond in de huurovereenkomst.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ter elfder ure heeft de ondernemer een borgsom van € 100,– doorbelast en mij gemaand dit prompt te betalen. Hierover is door mij een afkeuringsbericht gestuurd en nu beweert de ondernemer dat er te allen tijde een borgsom kan worden opgelegd. Mijns inziens dient dit vooraf te worden afgestemd en niet nu (met het mes op de keel) te worden opgeëist. Dat is principieel en juridisch onjuist volgens mij. Onder protest heb ik dit bedrag dit bedrag betaald om geen discussie aan de poort te krijgen.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument beklaagt zich over het feit dat hij voorafgaand aan zijn verblijf verzocht is een borgsom van € 100,– te betalen, zonder dat dit voorafgaand aan de boeking met hem zou zijn afgestemd.

Weerlegging klacht
1. de consument heeft op 31 juli 2022 een 10-persoons [naam]villa geboekt voor het paasweekend van 7 tot en met 11 april 2023 voor in totaal negen personen. De boekingswaarde bedraagt € 1.284,75. Op deze boeking zijn de RECRON-voorwaarden voor vakantieverblijven van toepassing.

2. Het klopt dat de ondernemer op 17 maart 2023 aan de consument heeft verzocht een borgsom te betalen van € 100,–, dit in verband met het feit dat dergelijke 10-persoons villa’s niet altijd netjes worden achtergelaten. Uiteraard krijgt de consument de borg weer terug op het moment dat de woning netjes is achtergelaten. De consument heeft deze borg op 21 maart 2023 betaald. Nu er zich geen schade heeft voorgedaan, heeft hij deze borgsom op 14 april 2023 weer terug ontvangen.

3. De ondernemer beroept zich in deze op artikel 2, lid 2, van de RECRON-voorwaarden. De ondernemer heeft de wijziging van de overeenkomst, namelijk het innen van borg, twee weken voor het verblijf schriftelijk aan de consument kenbaar gemaakt. Nu het hier gaat om een bedrag van € 100,– op een boeking van € 1.284,75, is er geen sprake van een hele ingrijpende wijziging en meent de ondernemer dat hij in deze situatie niet onrechtmatig gehandeld heeft, in die zin dat daar gevolgen aan verbonden moet worden.

4. Mocht de wijziging voor de consument wel ingrijpend zijn geweest, dan had het hem uiteraard vrijgestaan op grond van artikel 2, lid 3 de overeenkomst kosteloos te annuleren.

Gezien het bovenstaande ziet de ondernemer niet in welk belang de consument heeft bij deze zaak en wat de gevolgen in deze zouden moeten zijn, nu zijn verblijf heeft plaatsgevonden en hij zijn borg na zijn verblijf heeft teruggekregen. De ondernemer verzoekt de commissie dan ook de klacht van de consument ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Op 31 juli 2022 heeft de consument bij de ondernemer een 10-persoons Bosvilla geboekt voor het Paasweekend van 7 tot en met 11 april 2023. In de boekingsbevestiging/reservering wordt met geen woord gerept over het betalen van een borg. Op 17 maart 2023 heeft de ondernemer de consument aangegeven dat hij een borg van € 100,– dient te betalen. De consument kon zich daar niet mee verenigen, omdat hij van mening is dat hij hierover reeds bij de boeking geïnformeerd had moeten worden. Hij had dus al van tevoren van de borg op de hoogte willen zijn en er niet achteraf – een paar weken voor de geboekte periode – mee geconfronteerd willen worden.

Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de ondernemer desgevraagd verklaard – dit in aanvulling op de mededeling in het verweerschrift dat de ondernemer ervoor heeft gekozen de mogelijkheid tot het vragen van een borgsom op te nemen in zijn algemene voorwaarden op de website – dat bij het hoofdkantoor een verzoek is ingediend om het boekingsproces dusdanig aan te passen, dat de borg vooraf dient te worden geïnd. Onzeker is echter of dat verzoek zal worden gehonoreerd. Voor de beoordeling van de onderhavige klacht acht de commissie dat echter niet van belang.

Vaststaat dat partijen op 31 juli 2022 een huurovereenkomst met elkaar zijn aangegaan, dat in die huurovereenkomst geen melding wordt gemaakt van een borg die betaald dient te worden en ten slotte dat de ondernemer de consument pas een paar weken voor de geboekte periode heeft meegedeeld dat hij een borg diende te betalen. Naar het oordeel van de commissie is met het laatste sprake van een aanvullende betalingsverplichting, die essentieel onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst. Juist daarom had het op de weg van de ondernemer gelegen om deze betalingsverplichting op te nemen in die overeenkomst.

Op grond van het voorgaande zal de commissie de klacht gegrond verklaren.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht gegrond.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. H.A. van Gameren, voorzitter, de heer P.W.M. Meijkamp, mevrouw mr. J.M. Huysman- Hartkamp, leden, op 26 oktober 2023.