Bouwjaar niet doorslaggevend voor waarde schip.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden voor de verkoop van gebruikte pleziervaartuigen    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT00.0024

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit de schriftelijke overeenkomst d.d. 18 mei 1999 tot aanschaf van een gebruikte kajuitzeilboot voor een bedrag van ƒ 51.675,– (inclusief antifouling).   De consument heeft zijn klacht op 4 augustus 1999 schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak.   Volgens de consument is tijdens de verkoop toegezegd dat het gaat om een schip met het bouwjaar 1998, doch komt het schip uit 1996. Zijn vermoeden dat het schip dateert van 1996 is gebaseerd op een klein plaatje in de bakboord bakskist, waarop is vermeld ‘27/96’ met de naam van de werf. De consument geeft aan dat de ondernemer herhaalde malen telefonisch heeft toegezegd het bewijs te kunnen leveren dat het schip dateert uit 1998, doch heeft die stukken tot op heden niet aan de consument toegezonden.   Ter zitting heeft de consument onder meer het volgende naar voren gebracht. Er is niet aan gedacht het bouwjaar schriftelijk vast te leggen omdat de consument erop vertrouwde dat de mededeling van de ondernemer juist was. Verder verklaarde de consument dat er bij de mondelinge toezegging van de ondernemer geen anderen aanwezig zijn geweest. Het verschil in bouwjaar heeft voor de consument vooral emotionele waarde; het gevoelen is dat, bij een eventuele verkoop, een schip uit 1998 een hogere verkoopwaarde zal hebben dan een schip uit 1996.   De consument stelt voor dat de ondernemer ofwel zorgdraagt voor schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het schip uit 1998 komt, ofwel een financiële compensatie voldoet ter hoogte van het verschil tussen de waarde van een [type] uit 1998 en een uit 1996.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak.   Volgens de ondernemer is noch in de overeenkomst, noch in de factuur vermeld dat het zeiljacht van een bepaald jaar is. In de stukken is duidelijk vermeld: ‘een gebruikte [type]. De overeenkomst is zo ondertekend en dus accoord bevonden door de koper.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   De commissie stelt allereerst ambtshalve vast dat zij het geschil kan behandelen ondanks het feit dat de ondernemer sedert 1 juli 1999 niet meer is aangesloten bij [branche]-Vereniging, aangezien de ondernemer wel [branche]-lid was op het moment dat de overeenkomst werd gesloten. De ondernemer heeft de ontvankelijkheid van de consument overigens ook niet betwist.   Inhoudelijk overweegt de commissie het volgende. De commissie stelt vast dat, zoals de ondernemer heeft aangevoerd, noch in de overeenkomst, noch in de factuur, een bouwjaar is overeengekomen. Nu de consument stelt dat dit mondeling is gebeurd en de ondernemer dit betwist, en de consument evenmin bewijs kan aandragen in de vorm van verklaringen van derden, beschikt de commissie over onvoldoende aanknopingspunten om de stelling van de consument bewezen te achten. Dit bewijsprobleem doet zich vaker voor bij mondeling gemaakte afspraken. De commissie merkt daarom op dat, indien een bepaald onderdeel van de overeenkomst voor een partij van wezenlijk belang is, het is aan te bevelen om dat onderdeel schriftelijk in de overeenkomst vast te leggen.   Doch ook indien de consument wel in staat zou zijn geweest om een en ander aan te tonen, rijst de vraag welke schade daardoor zou zijn geleden. Ervan uitgaande dat het inderdaad gaat om een schip uit 1996, zou de consument immers moeten aantonen dat er sprake is van een andere waarde ten opzichte van de situatie dat het schip in 1998 zou zijn gebouwd. Dit zal niet of nauwelijks mogelijk zijn. In de praktijk zal het, bijvoorbeeld bij een eventuele verkoop, niet van wezenlijk belang zijn of het gaat om een schip met het bouwjaar 1998 of 1996. Voor de waarde van een schip is immers niet zozeer van belang wat het bouwjaar is, doch veeleer in welke staat van onderhoud het schip zich bevindt. Zo kan een schip van 15 jaar oud dat volledig is gerenoveerd, een aanzienlijk hogere waarde hebben dan een schip van 7 jaar oud dat slecht is onderhouden. Ter illustratie noemt de commissie in dit verband ook dat bijvoorbeeld in de verkooplijst van gebruikte schepen van de ANWB oudere schepen soms duurder zijn dan jongere.   De commissie merkt in dit verband verder op dat aan een bouwjaar evenmin veel betekenis kan worden toegekend, omdat het schip niet per definitie in dat jaar te water gelaten hoeft te zijn. Stel bijvoorbeeld dat het schip pas in 1998 te water is gelaten, dan zal het weinig verschil maken of het schip in 1996 of in 1998 is gebouwd. De prijs wordt gebaseerd op de staat van onderhoud van het schip zoals het er ligt en niet op theoretische bouwjaren etc. Dit in tegenstelling overigens tot bijvoorbeeld de autobranche, waar het bouwjaar wel een grotere rol speelt.   Resumerend is de commissie van oordeel dat het bouwjaar van het schip niet doorslaggevend kan worden geacht. De consument heeft betaald voor de kwaliteit van het schip, niet voor het bouwjaar. De consument zal zich bij de aanschaf van het schip voornamelijk hebben laten leiden door de staat waarin het zich bevond. Indien achteraf zou blijken dat het schip in 1996 is gebouwd, zal in de staat van het schip – en derhalve in de waarde – geen wezenlijke verandering worden gebracht. Voor zover de consument wel in de bewijsvoering zou zijn geslaagd, beschikt de commissie derhalve over onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen waaruit de schade bestaat die de consument daardoor zou hebben geleden.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.   Beslissing   Het door de consument verlangde wordt afgewezen.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie, op 16 juni 2000.