Causaal verband tussen afhandeling klacht over rem door ondernemer en eenzijdig ongeval.

  • Home >>
  • Voertuigen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Voertuigen    Categorie: Schade    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: VOE02-0376

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil vloeit voort uit een op 3 maart 2001 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een BMW 318 I.
De overeenkomst is uitgevoerd op of omstreeks maart 2002.
In januari 2002 heeft een eenzijdig ongeval met de auto plaatsgevonden, hetgeen volgens consument te wijten is aan een defecte rem waarover hij op 8 januari 2002 bij ondernemer heeft geklaagd.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt. 

De ondernemer heeft de auto geleverd en had bij mijn bezoek aan de garage adequaat op mijn klachten moeten reageren. Nu dat niet is gedaan is hij aansprakelijk voor de door mij geleden schade als gevolg van het ongeval.

Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer betwist alle aansprakelijkheid.
 
Beoordeling van het geschil
 
De commissie heeft het volgende overwogen.
 
De door de consument gestelde overeenkomsten zijn niet door de ondernemer betwist. Gelet daarop houdt de commissie het er voor dat deze overeenkomsten tot stand zijn gekomen. Dat betekent dat de consument ontvankelijk is in zijn klacht.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
 
De consument wordt in zijn klacht ontvankelijk verklaard.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Auto op 12 november 2002.

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op 3 maart 2001 tussen partijen totstandgekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het leveren van een personenauto BMW 318 I van 1992. De levering vond plaats in de maand maart 2001.
 
De consument heeft omstreeks 19 januari 2002 de klacht voorgelegd aan de ondernemer.
 
De consument heeft een bedrag van € 201,11 niet betaald, dit bedrag is bij de Commissie in depot gestort.
 
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.
 
In de nacht van 7 op 8 januari 2002 reed ik op een recht stuk snelweg in de omgeving van Amsterdam, toen het stuurwiel begon te trillen.
Toen ik stopte, zag ik dat de banden in orde waren. De remschijf bij het rechter voorwiel was echter rood gloeiend; het leek alsof het remblokje was geblokkeerd.
Nadat de schijf was afgekoeld ben ik voorzichtig naar huis gereden.
Op 8 januari 2002 heb ik mij bij de ondernemer vervoegd, in verband met de risico’s die ik anders zou kunnen lopen.
Het voorgevallene heb ik aan de balie van de werkplaats verteld.
De ondernemer stuurde mij weg met de mededeling dat het wel vaker voorkomt en dat ik maar terug moest komen wanneer het zich nog een keer voordeed.
 
Op 19 januari 2002, omstreeks 08.15 uur reed ik in de bebouwde kom van Hilversum.
Nadat ik voor een bocht had afgeremd, reed ik de bocht door, zonder problemen te ondervinden.
Op het ogenblik dat ik weer gas gaf reageerde het stuur anders dan normaal. De auto brak uit en ik belandde na een draai rechtsom tegen een boom aan de rechterzijde van de weg.
Er lag geen olie op de weg en bij een blaastest bleek, dat ik niet had gedronken.
Ik heb de auto bij de ondernemer afgeleverd.
Op 22 januari 2002 zei de ondernemer, dat ik me nooit had moeten laten wegsturen door de baliemedewerker.
Op 23 januari 2002 is door een expertisebureau, in opdracht van de schadeverzekeringsmaatschappij van de ondernemer, de schade opgenomen.
De ondernemer bood mij later aan de schadeauto te verkopen en mij een mooi aanbod te doen voor een andere auto.
Aangezien ik mij op het standpunt stel, dat mij geen blaam treft, vind ik dat de schade door de ondernemer moet worden gedragen.
Op advies van de BOVAG heb ik een contra-expertise laten verrichten door een ander expertisebureau.
Na aanvankelijke weigering van de ondernemer om medewerking te verlenen, heeft dit bureau rapport opgemaakt op 3 april 2002, het rapport is gedateerd 17 april 2002.
 
Het eenzijdig ongeval zou niet hebben plaatsgevonden wanneer de remmen geen mankement hadden vertoond. De ondernemer heeft ten onrechte niet adequaat gereageerd op mijn klacht over de remmen.
 
Beide rapporten zijn het erover eens, dat de ondernemer op 8 januari 2002 onzorgvuldig heeft gehandeld. De rapporten verschillen wel in het oordeel over het oorzakelijk verband tussen het voorval en de klacht over de remmen.
De schade aan mijn auto bedraagt ongeveer € 5.882,–. Volgens de ondernemer zou de schade € 7.000,– bedragen.
De ondernemer heeft het vorige aanbod herhaald en bovendien nog aangeboden de reparatie te verrichten voor € 5.000,–. Later heeft de ondernemer nog andere aanbiedingen gedaan, welke betrekking hadden op de aankoop van een andere auto.
Toen ik de auto bij de ondernemer bracht werd mij een leenauto ter beschikking gesteld. Op 30 januari 2002 kreeg ik de telefonische mededeling dat de leenauto met terugwerkende kracht werd gewijzigd in een huurauto en dat ik de rekening daarvan kon tegemoet zien.
Ik heb de auto toen onmiddellijk bij de ondernemer gebracht, waarna over een rekening niet meer is gesproken.
Op 18 juli 2002 ontving ik een rekening van € 201,11, wegens stallingkosten voor de auto.

Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – aangevoerd, dat de auto inmiddels was hersteld door een erkende dealer.
De consument heeft daarbij, ter beperking van kosten, geen nieuwe maar gebruikte onderdelen laten monteren.
De factuur heeft de consument ter zitting overgelegd en bedraagt € 2.600,–.
De factuur voor de reparatie van de remmen is eveneens overgelegd en bedraagt € 302,52.
 
De consument verlangt:
Primair, dat hem wordt toegestaan de schade aan de auto door derden te laten herstellen en de ondernemer te verplichten de kosten daarvan te vergoeden.
Subsidiair verzoekt de consument de ondernemer te verplichten hem een, door de Commissie in goede justitie te bepalen, schadevergoeding te betalen.
In beide gevallen verzoekt de consument de Commissie te bepalen dat hij niet gehouden is de factuur van 18 juli 2002, ten bedrage van € 201,11 te voldoen.

Standpunt van de ondernemer
 
Het namens de ondernemer verwoorde standpunt luidt in hoofdzaak als volgt.
 
De oorzaak van het ontstaan van de schade is in onze opdracht onderzocht door een expertisebureau.
De deskundigen van de beide expertisebureaus die onderzoek hebben gedaan en ook de BOVAG hebben geconcludeerd dat geen causaal verband bestaat tussen de door de consument geuite klacht over de remmen en het ontstaan van het ongeval.
De oorzaak van het slippen ligt buiten het voertuig, zodat geen sprake kan zijn van een gebrek aan het voertuig waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden.
De aansprakelijkheid van de ondernemer kan niet worden aangetoond.

Beoordeling van het geschil
 
De Commissie heeft het volgende overwogen.

De Commissie stelt voorop, dat de ter zitting overgelegde factuur voor het repareren van de remmen voor rekening van de consument dient te blijven, nu de consument deze reparatie ook zou dienen te betalen indien de ondernemer adequaat zou hebben gereageerd op de klacht van de consument en de remmen hebben gerepareerd.
 
De stallingkosten zijn niet op grond van een stallingovereenkomst in rekening gebracht, terwijl niet is gesteld of gebleken dat de kosten op andere gronden door de consument verschuldigd zouden zijn, zodat deze kosten niet verschuldigd zijn voor de consument.
Het in depot gestorte bedrag zal mitsdien aan de consument worden gerestitueerd.

De door de consument gegeven lezing van het voorgevallene is niet in geschil tussen partijen.
Vaststaat dat de consument vrijwel dagelijks de (bocht in de) weg, waar het eenzijdig ongeval plaats vond, met de auto reed. Het wegdek en ook het gedrag van de auto bij nat wegdek waren de consument mitsdien wel bekend.
 
De interpretaties van de rapporten door partijen staan diametraal tegenover elkaar, waar consument en ondernemer op grond van vrijwel dezelfde passages in de rapporten concluderen het gelijk aan hun zijde te hebben.
De kwaliteit van de rapportages is tussen partijen niet in geschil, zodat de Commissie Haar oordeel kan gronden op de inhoud van de rapporten.
 
De deskundigenrapporten in onderlinge samenhang beschouwende stelt de Commissie het onderstaande vast:
Het door de verzekeraar van de ondernemer ingeschakelde expertisebureau stelt, voor zover thans van belang geacht samengevat, vast onder “onderzoek” en onder “oorzaak”:
– Er waren geen stukken (van de remblokken) afgebroken welke het blokkeren van de achterwielen tot gevolg kunnen hebben.
– Het rechter voorwiel draaide iets zwaarder rond dan het linker voorwiel.
– Wij hebben veel roest en vuil geconstateerd aan de remklauwen zelf, op de vlakken waar de remtang over (heen) beweegt met het remmen.
– De oorzaak van het blijven hangen van de remmen zou gelegen kunnen hebben in het slecht kunnen bewegen van de remtang (kennelijk bedoeld remstang) over zijn schuifvlakken, veroorzaakt door roest en vuil.
– De ene keer zullen de remmen meer zijn blijven hangen dan de andere keer.
– Door het slecht kunnen bewegen, zullen de remblokken blijven aanliggen tegen de remschijf nadat een remming is uitgevoerd.
 
Uit het meetrapport aangeduid als Beissbarth STL7000 blijkt onder bedrijfsrem, dat:
– De rolweerstand linksvoor 140 N en rechtsvoor 220 N bedraagt.
– De remkracht is vastgesteld rechtsvoor 2460 N en linksvoor 2040 N.
 
Het rapport van het voor contra-expertise door de consument ingeschakelde bureau stelt, voor zover thans van belang geacht samengevat, vast:
– Na het evenement is een remproef uitgevoerd.
– Het verschil in remkracht bedraagt 17%, waarbij de rechter rem de hoogste remkracht noteerde.
– De rolweerstand van het rechtervoorwiel was ruim 36% hoger dan het linkervoorwiel.
– Het is, gezien het roodgloeiend heet worden van de rem eerder, niet uit te sluiten dat de rechter voorrem is blijven hangen ten tijde van het ongeval.
– Het is mogelijk, dat (bij een voertuig met achterwielaandrijving) bij het uitkomen van een bocht naar rechts met een “haperende” rechter voorwielrem en waarbij iets gas wordt gegeven, het voertuig naar de rechterzijde uitbreekt.
 
Naar het oordeel van de Commissie moet, op grond van de hiervoor aangehaalde opmerkingen en bevindingen van de deskundigen, het ervoor worden gehouden dat het aannemelijk is, dat de rem rechtsvoor in het algemeen wat “na kwam”, hetgeen wil zeggen dat na het remmen de remblokken linksvoor wat eerder de remschijf plachten los te laten dan de rechter remblokken.
 
Evenzeer is het volgens de deskundigen zeer wel mogelijk dat dit “blijven hangen” van de rem rechtsvoor tot gevolg heeft gehad, althans redelijkerwijze tot gevolg heeft kunnen hebben dat, onder de geschetste omstandigheden ter plaatse – waar de consument, na te hebben afgeremd op een niet geheel droog wegdek, de rem heeft losgelaten en meteen daarna, zich nog steeds in de flauwe bocht bevindende, gas heeft gegeven met de bedoeling de snelheid van de auto weer op te voeren tot de in de bebouwde kom toegestane snelheid – de auto naar rechts is uitgebroken, met het bij partijen bekende gevolg.
 
Mede nu de consument ter plaatse goed bekend was en de weg bij wisselende verkeersomstandigheden dikwijls heeft gereden, kennelijk (het tegendeel is immers niet gesteld noch gebleken) zonder dat zijn rijgedrag vaker aanleiding tot slippen of glijden is geweest, acht de Commissie de consument er in geslaagd aannemelijk te maken dat causaal verband bestaat tussen het (ten onrechte) niet door de ondernemer adequaat reageren op de klacht van de consument over de werking van de voorrem en het voorval, alsmede dat tengevolge van dat voorval de schade aan de auto is ontstaan.
 
De Commissie acht mitsdien termen aanwezig de door de consument gemaakte kosten voor het herstel van de auto, met uitzondering van de hiervoor in aanhef reeds beoordeelde reparatiekosten, ter betaling aan de ondernemer op te dragen.
 
De consument heeft terecht de reparatiekosten beperkt door geen nieuwe, doch gebruikte, onderdelen aan de auto te laten monteren.
 
Derhalve wordt als volgt beslist.
 
Beslissing

De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 2.660,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. 

Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.

De commissie wijst het meer of anders verlangde af.
 
Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag ten bedrage van € 201,11 aan de consument overgemaakt.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie auto op 26 februari 2003.