Chirurg heeft goed gehandeld door kleinere borstprotheses te plaatsen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 89676/109873

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte heeft bij de zorgaanbieder een operatie ondergaan waarbij haar oude borstprotheses werden vervangen. Volgens de cliënte heeft de chirurg hiervoor te kleine protheses gebruikt en mist zij nu volume/vulling in haar borst. De cliënte heeft meerdere artsen om een second opinion gevraagd en die hebben bevestigd dat er te kleine protheses zijn gebruikt. Zij eist een vergoeding voor een prothesewissel. De zorgaanbieder stelt dat de behandeling vooraf duidelijk was besproken met de cliënte en dat de operatie goed is verlopen. Daarnaast zouden zwaardere protheses mogelijk ervoor zorgen dat de borsten zouden gaan hangen vanwege de slappe huid van de cliënte. De commissie oordeelt dat er niet kan worden vastgesteld dat de chirurg niet goed gehandeld heeft. De prothese is gekozen met oog op de lange termijn en in goed overleg met de cliënte. De commissie verklaard de klacht ongegrond.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Stichting OLVG, gevestigd te Amsterdam
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 1 november 2021 te Den Haag.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door [naam], juridisch adviseur.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de vervanging van borstimplantaten.

Standpunt van de cliënte
Voor het standpunt van de cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte is niet tevreden over het resultaat van de operatie waarbij de oude borstprotheses in verband met kapselvorming zijn vervangen door nieuwe protheses en een borstlift is uitgevoerd.

In juli 2018 heeft cliënte een eerste consult gehad met de plastisch chirurg. Daarbij is gesproken over een maat prothese die zou voldoen aan de wens van cliënte, te weten volle borsten vergelijkbaar met de oude protheses. De plaatsing van de protheses zou via een dual plane techniek uitgevoerd worden. In verband met zwangerschap en niet beschikbaar zijn van de eerste chirurg is uiteindelijk de operatie in december 2019 door een andere plastisch chirurg uitgevoerd. Deze chirurg stond niet achter de dual plane techniek vanwege het risico op een double bubble, dus is in overleg met cliënte besloten om de prothese voor de spier te plaatsen. Cliënte heeft vertrouwd op de deskundigheid van de arts met betrekking tot de maat, “inschatting” van de prothese en de toegepaste techniek.
Achteraf is cliënte niet tevreden met het resultaat. De borsten zijn niet rond en missen volume. Cliënte heeft de arts verzocht om een hersteloperatie waarbij grotere protheses zouden moeten worden geplaatst. Cliënte kon met bijbetaling van € 1000,– grotere protheses krijgen alleen raadde de arts haar dat vanwege haar huidstructuur af. Meer projectie door een IMF-correctie zou voldoende resultaat geven. Na de hersteloperatie heeft cliënte nog steeds een ongewenst resultaat en mist zij volume bovenin.

Cliënte is erachter gekomen dat zij protheses heeft gekregen met een breedte van 11,25 cm terwijl zij een borstbreedte heeft van 14 cm. Haar standpunt is dat zij te kleine protheses heeft gekregen waardoor 3 cm van haar borst niet opgevuld is en zij daarom de gewenste vulling/volume niet heeft gekregen. Bij de maatinschatting is de eerste plastisch chirurg uitgegaan van 335CC van het merk [merknaam]. Door de maattabellen te vergelijken is de cliënte erachter gekomen dat dit merk in de breedte smaller valt. De oude protheses waren van het merk [merknaam] rond 400CC en 13,5 cm breed.
Diverse artsen, die cliënte voor een second opinion heeft geraadpleegd, hebben haar geadviseerd bij de zorgaanbieder een hersteloperatie aan te vragen waarbij grotere protheses passende bij haar borstbreedte voor de spier of dual plane zouden moeten worden geplaatst.
Cliënte heeft vervolgens een second opinion gevraagd aan de eerste plastisch chirurg die aangaf dat voor het door haar gewenste resultaat inderdaad grotere protheses nodig zijn, namelijk 625CC en 14 cm breed en daarbij een IMF-correctie voor nog beter resultaat.

De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft haar klacht niet gegrond verklaard en de zorgaanbieder heeft dit oordeel overgenomen. Om alsnog het gewenste resultaat te bereiken, zou cliënte nu de volledige prijs van een prothesewissel, € 4.900,–, zelf moeten bekostigen. Hier is cliënte het niet mee eens.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte heeft een behandeling ondergaan die verantwoord was en vooraf afgesproken was, met bovendien een fraai resultaat. Een eventuele vervolgbehandeling is mogelijk voor eigen rekening. De zorgaanbieder wijst alle aansprakelijkheid af.
Ter zitting heeft de zorgaanbieder gesteld dat de operatie lege artis is uitgevoerd. Cliënte is een hersteloperatie aangeboden waarbij grotere implantaten zouden worden ingebracht maar zij is niet op dit aanbod ingegaan. Hoewel deze hersteloperatie is aangeboden is echter wel geadviseerd om dit toch niet te doen. De verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat door de slappe huid bij zwaardere protheses de borsten eerder gaan hangen waarna derhalve weer eerder een hersteloperatie nodig zal zijn.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt als volgt.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij haar werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op haar rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de zorgaanbieder) voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt; zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder is vereist dat voldoende aannemelijk is dat de zorgaanbieder, dan wel ieder die werd ingeschakeld bij de uitvoering van de voor de zorgaanbieder uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting, is tekortgeschoten in de uitvoering van die verplichting. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten (toerekenbare tekortkoming) en cliënte moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie is van oordeel dat, gelet op de over en weer gewisselde stukken, de standpunten van partijen en de overgelegde foto’s, niet kan worden geoordeeld dat de plastisch chirurg in deze niet heeft gehandeld volgens professionele standaard. Zij heeft de operatie lege artis uitgevoerd en met betrekking tot de prothese gekozen voor een duurzame oplossing op de langere termijn in plaats van een kortstondig optimaal resultaat, zulks in uitvoerig overleg met cliënte. De commissie oordeelt de klacht ongegrond.

Daarbij overweegt de commissie nog als volgt. De arts heeft op goede gronden gekozen voor de prothese die zij heeft geplaatst. Een bredere prothese met een groter volume zal op termijn de huid nog meer uitrekken dan nu al het geval is waardoor de borst eerder zal gaan hangen en eerder weer een hersteloperatie noodzakelijk zal zijn. De commissie is bekend met de risico’s van de voor cliënte voorgestane dual plane techniek waarbij het implantaat deels achter de spier wordt aangebracht. Ambtshalve is ook bekend dat op termijn bij deze toegepaste techniek het risico toeneemt op een zogenaamde “double bubble” waarbij de prothese onder de borstklier wegzakt met een ongewenst visueel resultaat. De arts heeft zorgvuldig gehandeld door cliënte deze techniek af te raden.

Voor aanspraak op materiële schadevergoeding is ten minste vereist dat de zorgaanbieder in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Van een toerekenbare tekortkoming is hier echter geen sprake zodat de vordering tot schadevergoeding dient te worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie verklaart de klacht ongegrond en wijst het door de cliënte verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer dr. J.F.A. van der Werff, de heer mr. P.O.H. Gevaerts, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 1 november 2021.