Cliënt niet-ontvankelijk in klachten waarover commissie al eerder geoordeeld heeft

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: niet-ontvankelijkverklaring   Uitkomst: niet-ontvankelijk   Referentiecode: 9856/20262

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënt heeft klachten over de opname en behandeling van zijn moeder door de KNO-arts en verpleegkundigen van de zorgaanbieder. De zorgaanbieder geeft aan dat de klachten van de cliënt al eerder in een procedure bij de Geschillencommissie zijn behandeld en dat deze niet opnieuw behandeld kunnen worden. De commissie geeft aan dat het niet mogelijk is om dezelfde klacht over hetzelfde handelen opnieuw voor te leggen aan de Geschillencommissie met het doel om een andere uitkomst van de procedure te krijgen. Volgens de commissie heeft de zorgaanbieder meer dan voldoende gereageerd op vragen van de cliënt en op de klachten over de behandeling van de moeder. De commissie oordeelt dat aan haar dezelfde klachten zijn voorgelegd als waarover zij al eerder heeft geoordeeld bij een eerder bindend advies. De klachten kunnen dus niet opnieuw in behandeling worden genomen. De cliënt wordt in de klachten niet-ontvankelijk verklaard.

Volledige uitspraak

In het geschil:
Cliënt wonende te [woonplaats]

en

Academisch Ziekenhuis Groningen, gevestigd te Groningen (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Uit de stukken blijkt dat eerst dient te worden vastgesteld of de cliënt in zijn klacht ontvankelijk is.

De Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de Geschillencommissie) heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2020 te [adres] Zwolle.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

De cliënt heeft ter zitting het standpunt toegelicht. De zorgaanbieder is niet ter zitting verschenen.

Onderwerp van het geschil
De moeder van de cliënt is op 17 oktober 2015 met spoed opgenomen in het ziekenhuis (zorgaanbieder). In het voorjaar van 2016 is zij overleden. De cliënt heeft een aantal vragen over de zorg die de zorgaanbieder heeft geboden. In dit geschil gaat het om de vraag of de zorgaanbieder verplicht is informatie aan de cliënt te verstrekken.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De klacht gericht tegen [naam] (KNO-arts).

Moeder [naam], moeder van de cliënt (verder te noemen: moeder), is op 10 april 2015 met spoed doorverwezen naar de KNO-afdeling van de zorgaanbieder in verband met slik- en pijnklachten in keel en oor. De KNO-arts heeft het nodige onderzoek verricht, maar de beeldvorming was problematisch in verband met de aanwezigheid van overvloedig slijm. Daarom was endoscopisch onderzoek met afzuiging of met een starre scoop aangewezen. Het besluit om endoscopisch onderzoek te verrichten met afzuiging kwam twee maanden te laat, aldus de cliënt.

De cliënt heeft op 10 september 2018 een klacht ingediend bij de Klachtencommissie van de zorgaanbieder. In zijn brief heeft de cliënt vijftien specifieke klachten aan de orde gesteld. De zorgaanbieder heeft de klacht behandeld op een zitting van de Klachtencommissie op 16 november 2018. Bij de hoorzitting was onder meer de KNO-arts aanwezig voor een toelichting op zijn handelen.

Volgens de cliënt heeft de KNO-arts tijdens de hoorzitting een toelichting gegeven op zijn beslissing om moeder niet meteen na het eerste consult te onderzoeken met behulp van een zogenoemde ‘starre scoop’, die niet in overeenstemming was met de eerder gegeven uitleg aan de familie. Aanvankelijk had de KNO-arts namelijk verklaard dat voor endoscopisch onderzoek met de starre scoop nodig is dat moeder onder narcose wordt gebracht. Gelet op een eerder doorgemaakte beroerte, achtte de KNO-arts narcose een te groot risico. Maar tijdens de zitting bij de Klachtencommissie op 16 november 2018 veranderde de KNO-arts zijn argument. Niet het risico dat kleeft aan narcose zou doorslaggevend zijn geweest voor zijn handelen, maar op basis van een statistische redenering aan de hand van medische literatuur heeft de KNO-arts een inschatting gemaakt van de kans op mogelijke complicaties en aandoeningen. Ondanks herhaaldelijk verzoek weigert de zorgaanbieder die statistische redenering op schrift te stellen en met de cliënt te delen. Daarover vraagt de cliënt het oordeel van de Geschillencommissie.

De klacht gericht tegen [arts 1], [arts 2] en twee verpleegsters ([verpleegster 1] en [verpleegster 2]).

Moeder kreeg op 9 oktober 2015 een neussonde ingebracht om ervoor te zorgen dat zij voldoende voeding en vocht kon binnen krijgen. Dat was geen succes, want zij werd misselijk en gaf over. Desondanks werd zij op 15 oktober 2015 naar huis gestuurd. Ook thuis lukte het moeder niet om voeding binnen te houden. Daarom werd zij op 17 oktober 2015 weer opgenomen op de verpleegafdeling. [Arts 1] heeft voorgesteld de sonde van positie te veranderen, van maag naar darm. Die sonde is op 22 oktober 2015 geplaatst.

De cliënt wil van de zorgaanbieder meer informatie over de keuzes en achtergronden bij het geven van sondevoeding aan moeder. Op die manier wil hij het handelen in de periode van 17 oktober 2015 tot en met 30 oktober 2015 kunnen begrijpen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Volgens zorgaanbieder zijn de klachten van de cliënt al eerder behandeld in een procedure bij de Geschillencommissie, die heeft geleid tot het bindend advies van 4 oktober 2019. In de onderhavige klachten van de cliënt leest de zorgaanbieder geen nieuwe punten, waarop de zorgaanbieder nader in zou moeten gaan.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Het geschil gaat over de zorgovereenkomst tussen moeder en de zorgaanbieder. Moeder is overleden, maar ook nabestaanden mogen een klacht indienen, die ziet op de zorgovereenkomst tussen de overledene en de zorgaanbieder. De cliënt is een nabestaande van moeder. Daarom is de Geschillencommissie bevoegd om de klacht van de cliënt te behandelen.

Het karakter van het bindend advies.

De Geschillencommissie Ziekenhuizen is bij wet ingesteld. Zij heeft als taak om alle geschillen tussen cliënten en zorgaanbieders te beslechten door in zo’n geschil een bindend advies uit te brengen, of door een schikking tussen partijen te bevorderen. Dat staat in artikel 20 van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg en in het Reglement Geschillencommissie Ziekenhuizen.

‘Bindend advies’ houdt in dat partijen vooraf met elkaar overeenkomen dat wat de Geschillencommissie beslist tussen hen zal gelden. Dat heet een vaststelling.

Het is niet mogelijk om dezelfde klacht over hetzelfde handelen opnieuw voor te leggen aan de Geschillencommissie met het doel een andere uitkomst van de procedure te bewerkstelligen.

Cliënt dient (materieel) dezelfde klachten opnieuw in, over hetzelfde feitencomplex.

De Geschillencommissie ziet in hetgeen de cliënt heeft aangevoerd voornamelijk een herhaling van zijn eerdere klachten.

T.a.v. de KNO-arts [naam].

Cliënt heeft eerder over het handelen van de KNO-arts geklaagd. Hij heeft in de eerdere procedure onder de aandacht van de Geschillencommissie gebracht dat de KNO-arts, tijdens de zitting voor de Klachtencommissie van de zorgaanbieder op 16 november 2018 aan de hand van statistiek een verklaring voor zijn medisch optreden heeft gegeven. In de uitspraak van de Geschillencommissie van 4 oktober 2019 heeft de Geschillencommissie de klacht, die is gericht tegen de afhandeling van de klachten van de cliënt door de Klachtencommissie, ongegrond verklaard (zaaknummer 124069). De Geschillencommissie heeft daarin geoordeeld dat het niet gebruikelijk, laat staan verplicht is dat de zorgaanbieder een proces-verbaal maakt van hetgeen is besproken tijdens een klachtenzitting. Het doel van de zitting is juist om de klacht en het medisch handelen te verduidelijken. Die verstrekte informatie kan dienstbaar zijn aan een correcte afhandeling door de beoordelende klachtencommissie. Er bestaat geen verplichting om al hetgeen tijdens de klachtenzitting aan de orde is gekomen nog eens op papier te zetten, laat staan dat één van de deelnemers verplicht is een pleitnota of iets dergelijks over te leggen.

De cliënt persisteert bij zijn verzoek om schriftelijke vastlegging van de ‘statistische redenering’ van de KNO-arts tijdens de klachtenzitting op 16 november 2018. Hij legt dus zijn klacht opnieuw aan de Geschillencommissie voor. Echter zoals de Geschillencommissie hiervoor heeft overwogen, geldt hetgeen de Geschillencommissie bij uitspraak van 4 oktober 2019 tussen hen heeft vastgesteld als bindend advies. Daarover kan de cliënt niet opnieuw een geschil voorleggen.

Op grond van het voorgaande is de cliënt niet-ontvankelijk in de klacht gericht tegen [KNO-arts].

T.a.v. [arts 1], [arts 2] en de verpleegsters.

De Klachtencommissie van zorgaanbieder heeft de klacht over het handelen rondom het plaatsen van de sondevoeding als volgt beoordeeld (zie de brief van 30 november 2018):

‘Op de spoedeisende hulp is op 17 oktober 2015 door [arts 1], naar aanleiding van overmatig braken bij sondevoeding, door middel van een X-thorax bij [moeder cliënt] vastgesteld dat de sonde niet te ondiep lag. Voor 22 oktober 2015 was reeds het plaatsen van een PRG-sonde gepland. Er is op de spoedeisende hulp toen niet gesproken over een jejunumsonde. Daarnaast is aangegeven dat het plaatsen van een jejunumsonde, volgens de mdl-arts, niet de eerste keuze is bij de behandeling van misselijkheid bij sondevoeding. De Klachtencommissie kan zich vinden in de gang van zaken met betrekking tot de controle van de reeds geplaatste sonde en de plaatsing op 22 oktober 2015 van de PRG sonde als gepland’.

In het geschil dat de cliënt eerder aan de Geschillencommissie heeft voorgelegd, klaagt de cliënt erover dat de Klachtencommissie bij haar oordeel onvoldoende aan waarheidsvinding heeft gedaan, door af te gaan op informatie die de artsen hebben verstrekt. De Geschillencommissie heeft die klacht bij uitspraak van 4 oktober 2019 ongegrond bevonden. Daartoe heeft zij als volgt overwogen:

‘De commissie heeft op basis van het thans voor handen dossier niet kunnen vaststellen dat de Klachtencommissie haar oordeel op onjuiste feiten of uitgangspunten heeft gebaseerd. Waar klager aanvoert dat de Klachtencommissie haar oordeel eenzijdig onderbouwt doordat het alleen het oordeel van de artsen weergeeft miskent klager dat een beoordeling van medisch handelen door – onder meer – een (andere) arts als deskundige is gebaseerd op kennis die door hem of haar op het vakgebied is verworven en voorts op ervaring en intuïtie, welke zich uiteindelijk niet steeds, althans niet uitputtend, laat uitleggen. Dit is niet noodzakelijk anders als het een klager betreft die zich in de materie heeft verdiept.
Van een gebrek aan objectiviteit blijkt daaruit niet.
Dit geldt voor de klachtonderdelen 1., 8., 9., 12., 13. en 15’.

Hieruit volgt naar het oordeel van de Geschillencommissie dat de zorgaanbieder aan de Klachtencommissie voldoende inzicht heeft geboden in haar handelen. De feitelijke gang van zaken rondom de sondevoeding aan moeder is hiermee tussen partijen voldoende vastgesteld. Daaruit volgt dat het opnieuw bevragen van zorgaanbieder een herhaling vormt van al eerder behandelde klachten, zodat de cliënt ook in zoverre in zijn klacht niet-ontvankelijk is.

Ten overvloede overweegt de Geschillencommissie als volgt.

De Geschillencommissie heeft begrip voor de behoefte van de cliënt om de medische zorg aan moeder te begrijpen. Het is echter de vraag hoe ver een zorgaanbieder daarin kan meegaan.

In dit geval was de cliënt als mantelzorger vrijwel steeds aanwezig bij de behandeling van zijn moeder. Hij heeft dus steeds kunnen zien welke zorg aan zijn moeder werd geboden. Ook heeft cliënt zijn vragen al bij voorbaat aan de behandelend artsen kunnen stellen, hoewel cliënt in dat verband erover heeft geklaagd dat zij niet voldoende beschikbaar waren.

Ook na het overlijden van moeder heeft de zorgaanbieder geprobeerd om antwoord te geven op de vele vragen van de cliënt. Dat begon bij de klachtenfunctionaris, die naar aanleiding van de eerste klachtbrief van de cliënt nog heeft geprobeerd te bemiddelen. De zorgaanbieder heeft in haar brief van 22 oktober 2018 vervolgens een uitvoerige reactie gegeven op de klachten van de cliënt. Er heeft een mondelinge behandeling van de klacht plaatsgevonden op 16 november 2018, waarna de Klachtencommissie in haar uitspraak van 30 november 2018 haar oordeel over de klachten van de cliënt heeft gegeven. Op 25 maart 2019 heeft de zorgaanbieder toegelicht welke maatregelen zij heeft genomen naar aanleiding van de uitspraak van de Klachtencommissie. Ook heeft zij het volledige medische dossier van moeder aan de cliënt verzonden. Aanvullend heeft zij op 15 mei 2019 een aantal medische artikelen aan de cliënt verzonden.

De Geschillencommissie constateert dat de cliënt zich daarmee nog niet afdoende geïnformeerd acht, maar dat neemt niet weg dat de zorgaanbieder naar het oordeel van de Geschillencommissie meer dan voldoende heeft gereageerd op vragen van de cliënt en op de klachten over de behandeling van moeder.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat aan haar dezelfde klachten zijn voorgelegd, als waarover zij reeds heeft geoordeeld bij bindend advies van 4 oktober 2019. Om die reden kan de commissie de cliënt niet meer ontvangen in zijn klacht.

Beslissing
De cliënt wordt in de klachten niet-ontvankelijk verklaard.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, dr. F.J.M. Disch, mr. I. van den Hoven-van Vogelpoel, leden, in aanwezigheid van mr. C. Koppelman, secretaris, op 15 oktober 2020.