Cliënt te lang aan het lijntje gehouden en heeft recht op schadevergoeding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: Schadevergoeding    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 192235/219367

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De cliënt is in 2019 verwezen door zijn huistandarts naar de zorgaanbieder voor een behandeling aan zijn kaak. Hij is terechtgekomen bij het Centrum Bijzondere Tandheelkunde van de zorgaanbieder. De tandarts aldaar heeft de cliënt niet willen helpen, omdat andere behandelaren met specialisme gehandicaptenzorg zouden zijn aangewezen. De cliënt vindt dat hij door de tandarts bij het CBT lange tijd aan het lijntje is gehouden, waardoor zijn beoogde behandeling vijf jaar op zich heeft laten wachten. Daarom wil de cliënt een schadevergoeding van de zorgaanbieder van € 25.000,–.
De commissie verklaart de klacht gegrond. Zij wijst een bedrag aan schadevergoeding toe van €2.500,–.

De uitspraak

In het geschil tussen
de heer [naam], wonende te [plaatsnaam] (hierna te noemen: de cliënt)
en
Medisch Spectrum Twente (MST), gevestigd te Enschede
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Ter zitting werd de zorgaanbieder vertegenwoordigd door mr. [naam].

De behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2023 te Zwolle.

De commissie heeft het volgende overwogen.

Beoordeling

Wat aan het geschil vooraf is gegaan.
De cliënt is bekend met lichamelijke beperkingen, waaronder spasmes. Zijn spasmes maken het hem moeilijk om zich goed verstaanbaar te maken. De huistandarts heeft de cliënt verwezen naar de kaakchirurg voor een beoordeling van een eventuele ingreep aan de kaak, die de spraak zou kunnen verbeteren. De verwijzing werd ondersteund door de huisarts. Voor de behandeling is een machtiging nodig en ook verkregen van de zorgverzekeraar.

De cliënt is op 8 augustus 2019 op het spreekuur geweest van de kaakchirurg. Hij heeft een consult ingepland met een tandarts Maxillo Faciaal Prothetist (hierna: tandarts MFP) van het Centrum Bijzondere Tandheelkunde (CBT). Dat consult vond plaats op 7 februari 2020. De tandarts MFP was van mening dat de hulpvraag beter past bij het deskundigengebied van ‘Gehandicaptenzorg’. Op 3 maart 2020 heeft een vervolgconsult plaatsgevonden met de tandarts MFP en een tandarts-gehandicaptenzorg. In het medisch dossier is hierover het volgende opgenomen:

Patiënt met voldoende coöperatie tijdens tandheelkundige behandeling ondanks lichamelijke
beperking. Er is sprake van een onderbroken tandboog welke niet direct gerelateerd is aan de lichamelijke beperking. Mogelijke opvulling van tandbogen zal niet per se bijdragen aan een verbetering van
functionaliteit in spraak.
Het behandelplan zou volgens de tandarts MFP moeten worden uitgevoerd door de huistandarts. Deze terugkoppeling heeft de huistandarts niet daags na 3 maart 2020 bereikt.
In april 2021 heeft een andere tandarts dan de huistandarts geïnformeerd naar de bevindingen van de tandarts MFP. In overleg met deze andere tandarts heeft de tandarts MFP daarop op 13 april 2021 de bovenstaande conclusies uit het consult van 3 maart 2020 opgestuurd naar de huistandarts. De cliënt heeft daarop op een boze manier aan medewerkers van het CBT laten weten dat hij het niet eens is met de terug verwijzing naar de huistandarts. Daarop is een nieuw consult ingepland bij de tandarts MFP.
Op 25 juni 2021 vond het consult plaats met de tandarts MFP en de tandarts-gehandicaptenzorg. De tandarts MFP heeft tijdens dat consult aan de cliënt gezegd dat hij goed behandelbaar zou zijn bij de huistandarts en dat er geen behandelindicatie voor het CBT is. De tandarts MFP heeft aangeboden het dossier nogmaals te bestuderen en de cliënt binnen twee weken telefonisch te informeren. Die afspraak is de tandarts MFP niet nagekomen, waarop de cliënt herhaaldelijk een terugbelverzoek heeft achtergelaten. De cliënt heeft zich daarbij boos opgesteld.

Wat de cliënt wil.
De cliënt is lange tijd aan het lijntje gehouden door de tandarts MFP, maar een behandeling is niet van de grond gekomen. Die is voor hem van groot belang, omdat hij verwacht na de behandeling beter te kunnen praten en vervolgens werk te kunnen vinden. De cliënt vindt dat als er gegronde redenen zijn om van een behandeling af te zien, op de zorgaanbieder de taak rust om dat aan de cliënt mee te delen en om terug te koppelen en te verwijzen naar de juiste behandelaar. Dat heeft de tandarts MFP allemaal niet gedaan.
Ook heeft de tandarts MFP zich niet aan de afspraak gehouden dat hij binnen twee weken na 25 juni 2021 de cliënt zou terugbellen met zijn bevindingen na een dossieronderzoek. Terugbelverzoeken zijn niet opgevolgd.
Als gevolg van het dralen bij de zorgaanbieder heeft de behandeling tot op de dag van vandaag niet plaatsgevonden. Ook is de verleende zorgmachtiging verlopen. Een en ander leidt tot schade:
– € 4.985,28 voor de kosten voor de behandeling, aangezien de zorgverzekeraar de kosten niet vergoedt;
– € 20.014,72 wegens immateriële schade.

Het verweer daartegen.
De zorgaanbieder heeft aanvankelijk aangevoerd dat de cliënt niet-ontvankelijk is in zijn geschil, omdat hij de klachtenprocedure bij de zorgaanbieder niet heeft gevolgd. Dat verweer heeft de zorgaanbieder ter zitting ingetrokken.

Volgens de zorgaanbieder bestond er voor het CBT geen behandelindicatie. Het CBT voert als derdelijnszorgverlener specifieke behandelingen uit. De behandeling waar de cliënt om vraagt hoort thuis bij de kaakchirurg, of kan worden uitgevoerd door de huistandarts. De zorgaanbieder meent daarom dat de cliënt niet kan klagen over het niet uitvoeren van de behandeling. Wel is de zorgaanbieder het met de cliënt eens dat de tandarts MFP de cliënt had moeten bellen naar aanleiding van de afspraak op 25 juni 2021.
De zorgaanbieder betwist dat zij gehouden is een bedrag aan schadevergoeding aan de cliënt te betalen. Die schade is niet onderbouwd en evenmin is voldoende aannemelijk dat de schade kan worden toegerekend aan een fout van de zorgaanbieder.

Het oordeel van de commissie.
De commissie verklaart de klacht gegrond. Zij wijst de cliënt een schadevergoeding toe van € 2.500,–. Dat oordeel berust op de volgende overwegingen.

Het toetsingskader
Van een tandarts mag verwacht worden dat hij handelt, zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in dezelfde omstandigheden zou hebben gedaan. Dat betekent dat het aan de cliënte is om in dit geschil te stellen en aannemelijk te maken dat de tandarts onzorgvuldig heeft gehandeld en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. De commissie toetst het handelen van de zorgaanbieder dus objectief, en aan de norm dat de zorgaanbieder moet voldoen aan deze inspanningsverplichting.
Een tandarts is verplicht om goede zorg te geven. Toch kan een tandarts besluiten om een behandeling niet te geven, als hij deze medisch zinloos vindt. De tandarts moet in zo’n geval altijd met de cliënt overleggen over zijn beslissing. En hij mag niet volstaan met een enkele weigering de behandeling uit te voeren. Op een behandelaar rust de verplichting, voor zover aanwezig, een alternatief aan te geven. Dit vloeit voort uit de KNMT-notitie uit 2012 ‘Het beëindigen of niet-aangaan van een behandelingsovereenkomst’.

De tandarts bij het CBT kon niet volstaan met de mededeling dat hij niet gaat behandelen
De commissie beschikt niet over voldoende informatie om de weigering van de tandarts MFP om de cliënt te behandelen te beoordelen. Maar de commissie heeft vastgesteld dat de hulpverlener de cliënt onvoldoende helder heeft geïnformeerd over zijn beweegredenen niet te willen behandelen en bovendien niet heeft gezocht naar alternatieve vormen van zorg. De tandarts MFP heeft in zijn terugkoppeling van 3 maart 2020 geschreven dat de cliënt wordt terugverwezen naar de huistandarts. De commissie vindt het niet aannemelijk dat de huistandarts de aangewezen hulpverlener is om de zijdelingse delen van de kaak van de cliënt te reconstrueren. De tandarts MFP had daarom binnen de vakgroep, dan wel binnen het ziekenhuis moeten informeren naar mogelijke behandelwijzen die in zijn visie wel zouden aansluiten op de wensen van de cliënt. Dat heeft de tandarts MFP niet gedaan.

De tandarts bij het CBT heeft ook in de herkansing niet gezorgd voor een behandeltraject
Geruime tijd na het consult op 3 maart 2020 is de tandarts MFP ermee bekend geworden dat zijn terugkoppeling aan de huistandarts niet was aangekomen. Hoewel het dan passend is dat een nieuw consult plaatsvindt om de cliënt verder op weg te helpen, moet vastgesteld worden dat de tandarts MFP ook hier de mist in is gegaan. Hij is de afspraak om de cliënt terug te bellen bij herhaling niet nagekomen. Daarnaast moet vastgesteld worden dat de tandarts MFP opnieuw geen stappen heeft gezet om de cliënt binnen het ziekenhuis te laten helpen.
De klacht die gaat over het niet aangaan van de behandelingsovereenkomst is daarom gegrond.

Schadevergoeding
De cliënt stelt dat hij schade heeft geleden, omdat als gevolg van de handelwijze van de zorgaanbieder de behandeling zo’n vijf jaar stil heeft gelegen.
De commissie volgt de cliënt niet in zijn stelling dat hij daardoor de vergoeding door de zorgverzekeraar is misgelopen. Ter zitting heeft de cliënt bevestigd dat voor een nieuwe behandeling een nieuwe zorgmachtiging is aangevraagd en is verkregen. De behandeling wordt dus vergoed. Hier is geen sprake van schade die de zorgaanbieder aan de cliënt moet vergoeden.

De cliënt eist ook ‘smartengeld’, immateriële schadevergoeding, tot een bedrag van ruim € 20.000. Daaraan heeft de cliënt ten grondslag gelegd dat zijn leven vijf jaren op de pauzestand heeft gestaan. Hij heeft behoefte aan de behandeling, omdat de verwachting is dat zijn spraak daardoor zal verbeteren. Daarmee vergroot hij zijn kansen op betaald werk. Bij de beoordeling van smartengeld is volgens de commissie sprake van een ondergrens: een gevoel van onbehagen leidt niet tot de toekenning van immateriële schadevergoeding. Er moet dus iets meer aan de hand zijn. De bovengrens is dat de zorgaanbieder niet een extra straf opgelegd moet worden, omdat zij fout heeft gehandeld.

De commissie is van oordeel dat de cliënt voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij immateriële schade heeft geleden als gevolg van het achterwege laten van de behandeling door de zorgaanbieder en het uitblijven van communicatie daarover, die aan de zorgaanbieder toerekenbaar is. De immateriële schadevergoeding brengt tot uitdrukking het lijden dat de cliënt heeft ondervonden van het feit dat de tandarts bij het CBT de cliënt feitelijk jarenlang aan het lijntje heeft gehouden en niet ervoor heeft gezorgd dat via een andere hulpverlener een behandeltraject op gang kwam. De commissie kan niet vaststellen of het werkelijk zo is dat de cliënt daardoor kans op betaald werk heeft gemist (dat zou bovendien feitelijke schade zijn en geen immateriële schade).

De commissie, die oordeelt naar redelijkheid, komt alles afwegende tot de conclusie dat een bedrag van € 2.500,– aan immateriële schadevergoeding toewijsbaar is.

Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:
• verklaart de klacht gegrond;
• veroordeelt de zorgaanbieder tot betaling aan de cliënt van een bedrag van € 2.500,– aan immateriële schadevergoeding.

Bovendien dient de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 75,– aan de cliënt te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de zorgaanbieder aan de commissie behandelingskosten verschuldigd.

Deze behandelingskosten worden geheel betaald.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer dr. F.J.M. Disch, de heer mr. R.P. Gerzon, leden, in aanwezigheid van de heer mr. C.J.H. Terwal, secretaris, op 2 november 2023.