Commissie bepaalt welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor cliënte

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang    Categorie: zorgverlening    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 210236/212485

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

In deze uitspraak behandeld de commissie de vraag welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor cliënte. Cliënte woonde eerst in de gemeente van verzoeker en werd daar behandeld. Vervolgens is zij verhuisd naar de gemeente van verweerder. Door traumatische ervaringen in de gemeente van verzoeker wilde cliënte niet meer terugkeren naar haar oude woonplaats. Cliënte heeft zich per 22 december 2022 uitgeschreven uit het Basis Personen Registratie van verzoeker en ingeschreven bij die van verweerder. De commissie verklaart dat verweerder de verantwoordelijkheid moet dragen vanaf het moment dat cliënte ingeschreven staat als inwoner van de gemeente van verweerder.
De klacht wordt gegrond verklaart.

De uitspraak

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Verzoeker heeft de klacht voorgelegd aan verweerder. De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 6 december 2023 te Den Haag. Partijen hebben de zitting digitaal bijgewoond en hun standpunt toegelicht.

Verzoeker werd vertegenwoordigd door mevrouw [naam], beleidsmedewerker Beschermd Wonen en mevrouw [naam], teamcoördinator Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Verweerder werd vertegenwoordigd door mevrouw [naam] en mevrouw [naam], contractmanager.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de vraag welke gemeente (financieel) verantwoordelijk is voor de begeleiding van de jong meerderjarige [cliënte]. [Cliënte] was woonachtig in de gemeente [naam], centrumgemeente [verzoekende gemeente] (verzoeker) en heeft begeleiding gevraagd in [plaatsnaam], centrumgemeente [verwerende gemeente] (verweerder).

Standpunt van verzoeker
Voor het standpunt van de verzoeker verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De meerderjarige was inwoner van de gemeente van verzoeker ([naam gemeente]). Door verzoeker is in 2021 een indicatie ‘beschermd wonen‘ voor [CLIËNTE] afgegeven. [CLIËNTE] is langdurig opgenomen geweest in een GGZ-instelling in [plaatsnaam] waarna zij zich in oktober 2022 in [plaatsnaam], de gemeente van verweerder ([naam gemeente], heeft gemeld. Het is niet gelukt [CLIËNTE] binnen de gemeente [verwerende gemeente] in een beschermd wonen-traject te plaatsen. Wel was inmiddels ambulante GGZ zorg voor [CLIËNTE] door [specialistische instelling] gestart en [CLIËNTE] had daar ook een klik mee. [CLIËNTE] wilde daarom graag in de regio [plaatsnaam] (gemeente [verwerende gemeente]) blijven wonen en heeft verweerder om begeleiding gevraagd. De ouders van [CLIËNTE] hadden inmiddels een woning voor [CLIËNTE] in [plaatsnaam] gekocht waar [CLIËNTE] sinds december 2022 is ingeschreven.

Verzoeker ([gemeente]) heeft verweerder ([gemeente]) aangegeven dat de regio Midden-Holland geen passende regio is voor [CLIËNTE], omdat zij daar traumatische ervaringen heeft opgedaan. Verzoeker heeft verweerder te kennen gegeven niet de regie voor de begeleiding van [CLIËNTE] op zich te kunnen nemen, omdat zij de instellingen in de regio van [verwerende gemeente] niet kent. Verzoeker heeft voorgesteld de financiële verantwoordelijkheid voor één jaar beschermd wonen voor [CLIËNTE] op zich te nemen onder de voorwaarde dat verweerder de zorg daarna overneemt. Verweerder heeft echter aangegeven dat verzoeker de begeleiding in het kader van ‘beschermd thuis’ voor [CLIËNTE] dient te financieren zonder einddatum. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) hiervoor wel verantwoordelijk is.

De kern van het geschil is niet de financiële verantwoordelijkheid voor [CLIËNTE], maar de vraag bij welke gemeente de regie ligt voor de hulpverlening aan [CLIËNTE].
[Verwerende gemeente] stelt zich op het standpunt dat [verzoekende gemeente] een passende voorziening voor [CLIËNTE] dient te zoeken in de regio van [plaatsnaam] waar [verzoekende gemeente] niet bekend is. [CLIËNTE] woont niet meer in de gemeente [verzoekende gemeente], maar in [plaatsnaam] (gemeente [verwerende gemeente]) en wil geholpen worden in de regio waar zij nu woont mede vanwege de goede GGZ begeleiding die zij daar ontvangt.

Standpunt van verweerder
Voor het standpunt van verweerder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

In het najaar van 2022 heeft [CLIËNTE] zich op grond van de Wmo 2015 bij verweerder gemeld met het verzoek om hulp. Omdat verzoeker de indicatie voor beschermd wonen voor [CLIËNTE] had afgegeven, heeft verweerder verzoeker verzocht de regie en verantwoordelijkheid voor de hulp van [CLIËNTE] te behouden. De situatie van [CLIËNTE] was zorgwekkend en [CLIËNTE] had intramurale zorg nodig die [verwerende gemeente] op dat moment niet kon bieden. Omdat de ouders van [CLIËNTE] inmiddels een woning voor [CLIËNTE] in [plaatsnaam] hadden gekocht, is [verwerende gemeente] min of meer in een (suboptimaal) hulptraject voor [CLIËNTE] gedwongen. De zorg die verweerder ([gemeente]) [CLIËNTE] in het najaar van 2022 heeft aangereikt, was niet toereikend voor haar ondersteuningsbehoefte, maar verweerder heeft besloten, in het belang van [CLIËNTE], die overbruggingszorg te bieden. De geboden zorg bleek gelukkig passend bij [CLIËNTE] waardoor haar situatie inmiddels stabieler is geworden. Verweerder kan zich dan ook voorstellen dat zij de regie voor de ondersteuning voor [CLIËNTE] uiteindelijk gaat overnemen, maar niet vanaf het moment dat die ondersteuning als het ware is ‘opgedrongen’.

Inhoudelijke beoordeling

De meerderjarige [CLIËNTE] was in 2021 ingezetene van de gemeente [naam]; zij was daar ingeschreven op het adres van haar ouderlijk huis. Vanwege ernstige GGZ-problematiek is in maart 2021 door de gemeente [verzoekende gemeente] (verzoeker en centrumgemeente voor de gemeente [naam]) een indicatie beschermd wonen voor [CLIËNTE] afgegeven. [CLIËNTE] is vervolgens voor enige periode opgenomen geweest in een GGZ-instelling in [plaatsnaam] (crisisopname). Na haar ontslag uit die instelling heeft [CLIËNTE] zich in de gemeente [naam] (verweerder) gemeld voor een Beschermd Wonen plaats. Verzoeker heeft toegelicht dat traumatische ervaringen in de regio [naam] een goede behandeling van [CLIËNTE] in die regio in de weg stonden en staan. Na de opname in [plaatsnaam] wilde [CLIËNTE] niet meer in haar “oude” regio terugkeren en heeft zij zich uitgeschreven uit het BPR van de gemeente [naam].

Op grond van de Wmo 2015 (artikel 1.2.1 sub b. van de algemene bepalingen) kan een betrokkene zelf bepalen tot welke gemeente hij/zij zich wil wenden voor een ‘maatwerkvoorziening’ beschermd wonen. [CLIËNTE] heeft zich in oktober 2022 bij de gemeente [naam] (verweerder) gemeld waarmee de verantwoordelijkheid tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening – in dit geval een locatie beschermd wonen – op dat moment op de gemeente [verwerende gemeente] zou zijn komen te rusten.

Verweerder heeft naar voren gebracht dat in oktober 2022 geen passende beschermd wonen-voorziening voor [CLIËNTE] beschikbaar was in de gemeente [verwerende gemeente]. Wel is ambulante hulp en ondersteuning geboden. In het najaar van 2022 hebben de ouders van [CLIËNTE] een woning voor [CLIËNTE] gekocht in [plaatsnaam] (gemeente [verwerende gemeente]). Vanaf december 2022 is [CLIËNTE] ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente [verwerende gemeente]. In geschil tussen partijen is of de gemeente [naam] (verzoeker) of de gemeente [naam] (verweerder) verantwoordelijk is voor de hulp, ondersteuning en begeleiding voor [CLIËNTE].

De commissie overweegt dat verzoeker (gemeente [naam]) vanaf maart 2021 op grond van de artikelen 1.2.1 sub b. en c. van de Wmo 2015 verantwoordelijk was voor de indicatie beschermd wonen. Door een crisissituatie heeft [CLIËNTE] vervolgens verbleven in crisisopvang. Vaststaat dat [CLIËNTE] zich in oktober 2022 eigener beweging tot de gemeente van verweerder heeft gewend voor een maatwerkvoorziening. Vaststaat voorts dat [CLIËNTE] vanaf 6 september 2022 is gestart bij de aanbieder [naam herstelhuis] in [plaatsnaam] (die opvang, begeleiding en ondersteuning biedt aan jonge vrouwen), waarna zij half oktober 2022 is overgeplaatst naar een gezin dat bekend is bij [naam herstelhuis]. Die plaatsing was niet succesvol en is dan ook geëindigd. Van een andere plaatsing is geen sprake geweest, naar verweerder heeft aangegeven, vanwege een gebrek aan geschikte opties voor [CLIËNTE].
Door de aankoop van een woning voor [CLIËNTE] door haar ouders in [plaatsnaam] is [CLIËNTE] met ingang van december 2022 ingezetene geworden van de gemeente van verweerder (gemeente [naam]). Door verweerder wordt ambulante hulp aan [CLIËNTE] verstrekt (door aanbieder [specialistische instelling]) die te kwalificeren is als voorziening ‘beschermd thuis’. Hoewel beide partijen, gelet op de ernst van de problematiek van [CLIËNTE], intramurale zorg geïndiceerd zagen, heeft verweerder ter zitting te kennen gegeven dat er sprake is van een ‘klik’ met haar hulpverleners van [specialistische instelling] en er een zichtbare verbetering is opgetreden in haar situatie. Om die reden is de ambulante hulpverlening (de voorziening ‘beschermd thuis’) gecontinueerd.

De commissie overweegt dat geen van partijen kan worden aangerekend dat [CLIËNTE] een voor beide partijen onverwachte stap heeft genomen door zich in de gemeente [verwerende gemeente] te melden en zich daar te vestigen.
Beide gemeentes hebben zich veel moeite en inzet getroost om [CLIËNTE] de hulp te bieden die zij nodig had en heeft. Partijen hebben zich geconfronteerd gezien met de situatie dat de ouders van [CLIËNTE] op enig moment een woning voor haar hebben gekocht in [plaatsnaam] en zij zich heeft ingeschreven bij de gemeente [naam] (verweerder) alvorens het hulptraject voor [CLIËNTE] conform de voor haar afgegeven indicatie kon worden vormgegeven.

De commissie is van oordeel dat op grond van de hiervoor genoemde artikelen 1.2.1 sub b. en c. van de Wmo 2015 de gemeente [verzoekende gemeente] vanaf maart 2021 verantwoordelijk was voor de regie over de begeleiding van [CLIËNTE] en de warme overdracht aan de gemeente [verwerende gemeente]. In de parlementaire geschiedenis van de Wmo 2015 staat hierover:

“Elke gemeente zal aan daarvoor in aanmerking komende personen (die zich tot de gemeente hebben gewend en een positieve beslissing op hun aanvraag hebben gekregen) opvang en beschermd wonen moeten verstrekken. Deze voorzieningen hoeven echter niet per se in elke gemeente ter plaatse te worden geboden; zo kunnen bijv. vormen van beschermd wonen heel specifiek zijn, zodat daar landelijk slechts een beperkt aantal voorzieningen voor beschikbaar is. In het algemeen deel van de toelichting is al aangegeven dat gemeenten hiertoe dan moeten samenwerken”.

Op grond van artikel 1.2.1 lid a van de Wmo 2015 is die verantwoordelijkheid met ingang van december 2022 overgegaan op de gemeente [verwerende gemeente]. Op grond van voornoemd artikel komt [CLIËNTE] immers in aanmerking voor ondersteuning van de gemeente waarvan zij ingezetene is; met ingang van december 2022 is dat de gemeente [verwerende gemeente].
Op grond van het voorgaande is de commissie dan ook van oordeel dat de klacht gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie;
– verklaart de klacht gegrond;
– bepaalt dat verweerder met ingang van december 2022 (financieel) verantwoordelijk is voor de
ondersteuning voor de meerderjarige [CLIËNTE];
– bepaalt dat verweerder binnen 14 dagen na de verzenddatum van dit bindend advies de door
verzoeker vanaf december 2022 betaalde kosten ten behoeve van de ondersteuning voor [CLIËNTE] aan verzoeker dient te vergoeden;
– wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer mr. dr. B. Wallage en de heer A. Opstelten, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. J.C. Quint, secretaris, op 6 december 2023.