Commissie niet bevoegd om geschil te behandelen volgens arbitraal beding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur Zakelijk    Categorie: Betaling / Bevoegdheid commissie    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: Arbitraal Vonnisonbevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 200478/201160

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De procedure begon toen verzoekster op 19 januari 2023 een geschil aanhangig maakte tegen verweerster. Verzoekster eiste betaling van een openstaande declaratie van €1.576,71, plus rente en buitengerechtelijke kosten. Ondanks herhaald verzoek tot betaling, bleef verweerster in gebreke. De commissie informeerde verweerster op 12 juni 2023 over het geschil en gaf haar de kans schriftelijk verweer te voeren. Verweerster reageerde echter niet binnen de gestelde termijn. Daarop besloot de voorzitter van de commissie het geschil buiten aanwezigheid van partijen af te handelen.

De voorzitter moest eerst beoordelen of de commissie bevoegd was om het geschil te behandelen. Het bleek dat het geschil deels een privékwestie betrof. Gezien een eerdere uitspraak van de Hoge Raad over arbitrage bij consumentenzaken, concludeerde de voorzitter dat het arbitragebeding in de algemene voorwaarden onredelijk bezwarend was voor de consument. De voorzitter verklaarde de commissie onbevoegd om het geschil te behandelen en te beslissen via arbitraal vonnis.

De uitspraak

Verloop van de procedure
Op 19 januari 2023 heeft verzoekster een geschil aanhangig gemaakt tegen verweerster, welk
verzoekschrift op 20 januari 2023 door de commissie is ontvangen.
Verzoekster heeft afschriften overgelegd van de declaratie van 1 juni 2022, die verweerster – ondanks
herhaald verzoek tot voldoening – geheel of gedeeltelijk onbetaald heeft gelaten, reden waarom
verzoekster op grond van de in de opdrachtbevestiging opgenomen klachten- en geschillenregeling
Advocatuur deze ter incasso heeft voorgelegd aan de commissie.

Verzoekster verzoekt de commissie te bepalen dat verweerster het openstaande bedrag ad € 1.576,71
dient te voldoen, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 4 juli 2022 en 2 oktober
2022 tot en met de datum van de algehele voldoening (welke tot op de dag van indienen van het verzoek €
71,- bedroeg) en de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 236,51, welke kosten op grond van de
algemene voorwaarden van verzoekster minimaal 15% van het bedrag van de openstaande declaratie
bedragen.

De commissie heeft verweerster op 12 juni 2023 bij aangetekend schrijven met bericht van ontvangst op de
hoogte gesteld van onderhavig geschil dat verzoekster bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.
Namens de commissie is verweerster bij deze brief in de gelegenheid gesteld om – onder invulling en
retournering van het bij deze brief bijgevoegde vragenformulier – schriftelijk verweer te voeren tegen de
vordering van verzoekster. Hierbij heeft de commissie tevens te kennen gegeven dat indien verweerster
geen schriftelijk verweer voert, de voorzitter van de commissie – zonder partijen op te roepen voor een
mondelinge behandeling – uitspraak doet door middel van een arbitraal vonnis, waarbij de voorzitter de
vordering van verzoekster zal toewijzen tenzij deze hem ongegrond of onrechtmatig voorkomt.
De aan verweerster gegeven termijn waarbinnen zij verweer kon voeren, is verstreken zonder dat de
commissie voornoemd vragenformulier retour mocht ontvangen. Evenmin heeft verweerster binnen deze
termijn op enigerlei andere wijze verweer gevoerd. De commissie heeft daarbij gebruik gemaakt van de
mogelijkheid om de termijn voor het indienen van verweer conform artikel 29 lid 1 van het Reglement te
bekorten.

Het aangetekend schrijven is door IntraPost op 14 juni 2023 bij verweerster bezorgd.

Verweerster heeft ondanks hiertoe in de gelegenheid te zijn gesteld het standpunt niet aan de commissie
kenbaar gemaakt. De commissie heeft partijen d.d. op 14 augustus 2023 bericht dat het geschil door de
voorzitter van de commissie zal worden afgedaan.

Gezien het vorenstaande heeft de voorzitter, bijgestaan door de heer mr. D.C.J. Frijlink fungerend als
secretaris, overeenkomstig artikel 3, lid 4 van het Reglement het onderhavige geschil buiten aanwezigheid
van partijen afgedaan.

Bevoegdheid arbiter en plaats van arbitrage
Voordat de voorzitter aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering van verzoekster toekomt, dient hij
eerst te beoordelen of de commissie in deze bevoegd te achten is om kennis te nemen van het
verzoekschrift.

In de bij de opdrachtbevestiging d.d. 1 juni 2022 gevoegde Algemene Voorwaarden is in artikel 10 lid 1
bepaald dat alle geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of de uitvoering
van een opdracht, vorderingen tot vergoeding van schade van maximaal € 10.000 en declaratiegeschillen,
zullen worden beslecht conform het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de
commissie).

De voorzitter constateert dat in het verzoekschrift als wederpartij in dit geschil wordt aangeduid: ‘de heer [naam], in hoedanigheid van bestuurder van [naam B.V.]’. Om die reden
is dit geschil als zakelijk geschil aangemerkt en ter beoordeling voorgelegd aan de Geschillencommissie
Advocatuur zakelijk. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder het verzoekschrift en de
opdrachtbevestiging van 1 juni 2022, komt het beeld naar voren dat het geschil minst genomen deels een
privégeschil betreft. Nu het onderscheid tussen de zakelijke en de privécomponent van de
opdrachtverlening en daarmee het karakter van de dienstverlening door verzoekster, niet helder te maken
is, dient de commissie te toetsen of aan artikel 6:236n BW is voldaan.

De voorzitter stelt voorop dat de Hoge Raad bij arrest van 8 november 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1731)
een prejudiciële beslissing heeft genomen waarbij de eisen voor het afdoen van een geschil buiten de
Nederlandse rechter met een consument zijn aangescherpt.

De volgende overwegingen zijn in deze van belang:
2.8.2. Art. 6:236, aanhef en onder n, BW is een nationaalrechtelijke bepaling zonder
Unierechtelijke achtergrond. Bij gelegenheid van de modernisering van de regeling van
arbitrage is het arbitrale beding aan de zogenoemde zwarte lijst van art. 6:236 BW
toegevoegd. De thans geldende tekst van de bepaling is op 1 januari 2015 in werking
getreden en stelt buiten twijfel dat de consument, die doorgaans een zwakkere positie heeft
ten opzichte van de gebruiker, niet tegen zijn wil van de overheidsrechter kan worden
afgehouden (art. 17 Grondwet). Het geschil kan dus niet tegen de wil van de consument aan
arbitrage worden onderworpen.

De arbiter dient ambtshalve te beoordelen of een arbitraal beding onredelijk bezwarend is.
Als de gebruiker en de consument bij afzonderlijke overeenkomst besluiten om hun geschil
door arbitrage te beslechten, mag ervan worden uitgegaan dat de consument welbewust
voor arbitrage kiest.

2.8.3. Ingevolge art. 6:236, aanhef en onder n, BW wordt een beding in de algemene
voorwaarden, horend bij een overeenkomst tussen een gebruiker en een consument, dat
voorziet in de beslechting van een geschil door een ander dan de rechter die volgens de wet
bevoegd zou zijn, als onredelijk bezwarend aangemerkt. Dit is alleen anders als het beding
de consument een termijn gunt van ten minste een maand nadat de gebruiker zich
schriftelijk jegens hem op het beding heeft beroepen, om voor beslechting van het geschil
door de volgens de wet bevoegde rechter te kiezen.

Art. 6:236 BW strekt ertoe de consument te beschermen tegen het gebruik van een beding
dat als onredelijk bezwarend wordt aangemerkt. Dat brengt mee dat een arbitraal beding
waarin niet de in art. 6:236, aanhef en onder n, BW bedoelde termijn van ten minste een
maand is opgenomen, onredelijk bezwarend is. Daaraan kan niet afdoen dat de consument
die termijn feitelijk wel heeft gehad.

2.10. Samengevat betekent het voorgaande dat de voorzieningenrechter die een verzoek om verlof tot
tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis in een consumentenzaak beoordeelt, verplicht is om
ambtshalve na te gaan of (zoals hiervoor nader uitgewerkt):
(i) het arbitrale beding oneerlijk is in de zin van het Europese consumentenrecht;
(ii) een beding op grond waarvan de vordering tegen de consument in het arbitrale
vonnis is toegewezen oneerlijk is in de zin van het Europese consumentenrecht;
(iii) het arbitrale beding de consument een termijn gunt van ten minste een maand nadat de wederpartij
zichop het arbitrale beding heeft beroepen om alsnog ervoor
te kiezen dat het geschil aan de overheidsrechter wordt voorgelegd; en of
(iv) de consument daadwerkelijk de in het arbitrale beding opgenomen termijn van tenminste een maand
is gegund.
De voorzieningenrechter moet onderzoek doen als dat voor de ambtshalve beoordeling nodig is.
Hierbij kan worden gedacht aan het opvragen van bepaalde stukken of het vragen om een
toelichting door de verzoeker of de consument, die daartoe moeten worden uitgenodigd.
Indien aannemelijk is dat een van de hiervoor onder (i)-(ii) genoemde gevallen zich voordoet of
indien aannemelijk is dat een van de onder (iii)-(iv) genoemde gevallen zich niet voordoet, moet de
voorzieningenrechter het verlof in beginsel weigeren. Dat betekent dat het arbitrale vonnis niet
tegen de consument ten uitvoer kan worden gelegd.

De voorzieningenrechter onderzoekt niet ambtshalve of de schuldeiser voldoende heeft gesteld
voor toewijzing van de gevorderde incassokosten en of hij andere daarvoor geldende regels heeft
nageleefd.

De hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat in deze de voorzitter
als arbiter niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil.

Immers, uit de algemene voorwaarden van eiser alsmede de opdrachtbevestiging komt weliswaar naar
voren dat eiser de mogelijkheid heeft een geschil tussen partijen voor te leggen aan de commissie echter,
daarbij is niet expliciet opgenomen de keuzemogelijkheid voor verweerster zoals hiervoor onder
overweging 2.8.3. van de Hoge Raad is weergegeven.

Aldus beschouwd moet het beding als onredelijk bezwaarlijk worden aangemerkt. Daarbij is mede van
belang dat ook de verlofrechter die in een later stadium over het al dan niet verlenen van verlof tot de
tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis zal moeten oordelen, verplicht is op de voet van eerdere
genoemd arrest van de Hoge Raad ambtshalve onderzoek verrichten zoals hiervoor onder overweging 2.10
van de Hoge Raad is aangegeven en in de daarbij aangegeven gevallen dit verlof in beginsel moeten
weigeren.

De voorzitter laat niet na te overwegen dat het opnemen een (arbitraal) beding in algemene voorwaarden
bij het sluiten van een overeenkomst met een consument nog steeds mogelijk is.
Echter, daarbij moet met inachtneming van voornoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad de
zojuist genoemde keuzemogelijkheid voor de consument dan wel expliciet zijn opgenomen.
Daarnaast schrijft de Hoge Raad in eerdergenoemd arrest voor dat de consument voorafgaande aan het
sluiten van de overeenkomst van deugdelijke en transparante informatie is voorzien over de verschillen
tussen de gewone rechterlijke procedure en de commissie. Zulks moet ook kunnen worden aangetoond en
in het geval van arbitrage wel zodanig dat naar voren komt dat de consument welbewust voor
geschillenbeslechting via arbitrage heeft gekozen. Dat de consument in deze daarvoor welbewust heeft
gekozen is niet gebleken noch aannemelijk geworden.

De voorzitter zal de commissie dan ook onbevoegd verklaren kennis te nemen van dit geschil en het bij
arbitraal vonnis te beslechten.

Beslissing
De voorzitter: Verklaart de commissie onbevoegd kennis te nemen van dit geschil en het bij arbitraal vonnis
te beslechten.

Dit arbitraal vonnis is gewezen te Den Haag op en door de voorzitter van de
Geschillencommissie Advocatuur ondertekend.