Communicatie van advocaat naar cliënte verdient geen schoonheidsprijs, maar dit kan niet leiden tot de conclusie dat advocaat niet goed heeft gehandeld.

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Tekortkoming in de uitvoering opdracht    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV10-0054

De uitspraak:

Bevoegdheid arbiters en plaats van arbitrage

De bevoegdheid van de arbiters berust op een overeenkomst tot arbitrage, zoals vervat in de opdrachtbevestiging van 2 september 2008, waarbij partijen zich voor de beslechting van alle geschillen ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of uitvoering van de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, onderwerpen aan arbitrage door de Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: de commissie). Aldus is voldaan aan de eis van artikel 1021Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. Partijen zijn tevens overeengekomen dat alle geschillen – zoals hiervoor omschreven – zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement Geschillencommissie Advocatuur (hierna te noemen: het Reglement).   De bevoegdheid van ondergetekenden om het geschil tussen partijen als arbiters te beslechten is gezien het vorenstaande gegeven. Zij dienen gelet op het bepaalde in artikel 31 van het Reglement te beslissen als goede mannen naar billijkheid, waarbij zij met in achtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteren dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat.   Standpunt eiseres   Eiseres wenst de declaraties, die verweerster ondanks herhaalde betalingsherinneringen niet heeft voldaan, ter incasso aan de commissie voor te leggen. [De advocaat] heeft aan [de cliënte] rechtsbijstand verleend in een echtscheidingsprocedure. Voor haar werkzaamheden heeft de advocaat declaraties verzonden die onbetaald zijn gebleven voor een bedrag van € 1 083,96. Mitsdien verzoekt de advocaat de commissie de cliënte te veroordelen tot betaling van de openstaande vordering van € 1.083,96.   Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt haar standpunt op het volgende neer.   Een [kantoorgenoot van de advocaat] heeft een eerste gesprek met cliënte gevoerd. Nadat de advocaat de zaak had overgenomen heeft zij met cliënte een bespreking gevoerd waarin de ins en outs van de echtscheiding en de gevolgen daarvan aan haar zijn uitgelegd. De cliënte gold oorspronkelijk als een toegevoegd cliënte. Nadat zij te kennen had gegeven als betalend cliënte te willen gelden zijn alle uren, abusievelijk ook die van haar kantoorgenoot, op het tarief van de advocaat gesteld. Naderhand is dit gecorrigeerd. Aan het einde van de werkzaamheden ontving de cliënte automatisch een specificatie van de werkzaamheden. De advocaat heeft de zaak van haar kantoorgenoot overgenomen mede gelet op de vast te stellen waarde van de onderneming bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap; de zaak te ingewikkeld werd geacht voor een beginnend advocaat. De aangevraagde toevoeging had betrekking op de gehele zaak, inclusief de boedelscheiding.   Met inachtneming van het vorenstaande verzoekt de advocaat de klachten van de cliënte ongegrond te verklaren en haar vordering af te wijzen. De advocaat handhaaft haar verzoek om de cliënte te veroordelen tot betaling van de openstaande vordering van € 1.083,96.   Standpunt verweerster   Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de klachten op het volgende neer.   De cliënte stelt dat zij niet duidelijk is geïnformeerd over zaken aangaande de echtscheiding. Volgens de cliënte duurde het te lang, verliep de communicatie met het kantoor en de overname door collega’s niet prettig en is in de bevestiging het klachtgesprek niet correct weergegeven. Steeds opnieuw heeft de cliënte moeten vragen om een specificatie. De advocaat heeft de toevoeging opnieuw moeten aanvragen. De cliënte betwist dat zij heeft aangegeven niet de declaratie te willen voldoen.   De cliënte verzoekt de commissie de vordering van de advocaat af te wijzen. Bovendien verzoekt de cliënte de commissie een vergoeding vast te stellen van € 4 799,01 te vermeerderen met de kosten voor de commissie.   Behandeling van het geschil   Op 23 november 2010 heeft de mondelinge behandeling ten overstaan van de arbiters plaatsgevonden.   Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen om ter zitting te verschijnen.   Beide partijen zijn ter zitting verschenen en hebben hun standpunten nader toegelicht.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   De door de cliënte geuite klachten hebben betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening door de advocaat en lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling van dit geschil. De commissie beslist naar redelijkheid en billijkheid met inachtneming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarbij zij als maatstaf voor het handelen van de advocaat hanteert dat deze heeft gehandeld zoals verwacht mag worden van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat. De commissie is van oordeel dat de advocaat inzake de onderhavige zaak als zodanig heeft gehandeld. In de overgelegde stukken treft de commissie geen gronden of aanwijzingen aan voor de door de cliënte geformuleerde bezwaren. De verwijten van de cliënte vinden geen steun in de overgelegde correspondentie noch in de processtukken, en ook op de zitting van de commissie is niet van nadere feiten gebleken. De commissie is weliswaar van oordeel dat de communicatie naar de cliënte toe geen schoonheidsprijs verdient – de advocaat had als professionele partij daaraan beter sturing moeten geven – doch dat kan niet leiden tot de conclusie dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. De commissie heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat ook de cliënte, gelet op de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, in deze kwestie naar de advocaat toe niet geheel duidelijk is geweest en bijvoorbeeld omtrent haar wens om in aanmerking te komen voor gefinancierde rechtshulp bepaald niet standvastig is geweest.   De enkele omstandigheid dat de genomen stappen niet hebben geleid tot het door de cliënte gewenste resultaat maakt nog niet dat de advocaat tekortgeschoten is in de uitvoering van de opdracht. Bij de uitvoering van de opdracht door de advocaat is immers in beginsel sprake van een inspanningsverbintenis en niet van een resultaatsverbintenis. De prestatie bestond niet in het behalen van een bepaald resultaat maar bestond daarin dat de advocaat zich daarvoor diende in te spannen. Met haar werkwijze is de advocaat zijn inspanningsverplichtingen correct nagekomen. Gelet op het vorenstaande alsmede de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat de klachten van de cliënte ongegrond zijn.   De commissie is voor wat betreft de kosten van de door de advocaat verrichte werkzaamheden niet gebleken dat de hoogte of de omvang van de declaratie gelet op de verrichte werkzaamheden bovenmatig of buitenproportioneel is. De commissie is gebleken dat eerst nadat de cliënte heeft aangegeven dat er bestede tijd door mr. Hamming en mr. Van der Veen bij haar in rekening is gebracht, deze bestede tijd is gecrediteerd. Weliswaar laat dit wat betreft zorgvuldigheid te wensen over, echter dat kan, naar het oordeel van de commissie niet tot de conclusie leiden dat de advocaat niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mag worden verwacht. Gelet op het vorenstaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting wordt de vordering van de advocaat om de cliënte te veroordelen tot betaling van € 1.083,96 toegewezen.   Gelet op de beslissing zal de commissie het verzoek van de cliënte om een vergoeding vast te stellen, afwijzen nog daargelaten dat de cliënte de vordering tot schadevergoeding niet nader heeft onderbouwd. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat de cliënte door nalaten of toedoen van de advocaat schade heeft geleden.   De commissie zal voorts de cliënte als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze arbitrage, die worden vastgesteld op € 87,25 van het door de Stichting Geschillencommissie voor Beroep en Bedrijf (SGB) vastgestelde bedrag aan honorarium en verschotten van de arbiters. Gelet op de beslissing wordt de advocaat geacht de arbitragekosten bij wijze van voorschotbetaling mede namens de cliënte te hebben voldaan. De commissie bepaalt voorts dat het bedrag dat de advocaat ter zake de arbitragekosten heeft voldaan in zijn geheel komt te vervallen aan de commissie en veroordeelt de cliënte tot betaling van deze kosten aan de advocaat.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De commissie:   – veroordeelt de cliënte om aan de advocaat te voldoen een bedrag van € 1.083,96;   – veroordeelt de cliënte in de kosten van deze arbitrage, aan de zijde van de advocaat vastgesteld op € 89,25 aan honorarium en verschotten van de arbiters;   – wijst het meer of anders verzochte af.   Dit arbitraal vonnis is gewezen en door de arbiters van de Geschillencommissie Advocatuur.