consument heeft jaarcontract afgesloten, dat niet tussentijds opzegbaar is.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Sport en Beweging    Categorie: Algemene voorwaarden    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 121361

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een in februari 2018 tussen partijen voor de duur van 12 maanden gesloten overeenkomst waarbij de ondernemer zich heeft verbonden om Fitness-diensten te verlenen en de consument zich heeft verplicht om daarvoor een maandelijkse contributie te betalen van
€ 42,95.

De consument heeft een onbetaald gelaten bedrag van € 300,65 bij de commissie gedeponeerd.

De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument

Het ter zitting toegelichte standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De consument heeft het [naam] abonnement begin 2018 afgesloten aangezien zij een halfjaar in [plaatsnaam] op kamers ging en daarbij graag gebruik wilde maken van sportfaciliteiten. Zij heeft dat ook direct bekendgemaakt bij de baliemedewerkster, die toen heeft verklaard dat zij met dit abonnement te allen tijde met een maand opzegtermijn kan opzeggen en die niet gewezen heeft op geldende aanvullende voorwaarden.

Toen de consument in juni aan de balie wilde opzeggen wegens haar verhuizing naar [tweede plaatsnaam], heeft de baliemedewerkster verklaard dat er nog één maand contributie zou worden afgeschreven, waarna de automatische incasso’s zouden stoppen. Daarvan werd ook digitaal een bevestiging ontvangen. Omdat er nog voor een tijdje betaald was, heeft de consument haar pasje gehouden om nog gebruik te kunnen maken van de faciliteiten. De baliemedewerkster gaf aan dat het pasje vanzelf geblokkeerd zou worden na afloop van de maand juli 2018. Eerst op 31 juli 2018 ontving de consument een e-mail met de stelling dat er sprake zou zijn van een jaarcontract dat niet maandelijks opzegbaar is. Hieruit blijkt dat de ondernemer in gebreke is gebleven bij het correct, juist en tijdig informeren van de consument over de definitieve einddatum van het afgesloten abonnement. In combinatie met hetgeen besproken is bij afsluiten van het abonnement en bij het opzeggen aan de balie, heeft de consument nimmer kunnen weten dat er sprake is geweest van een jaarcontract en heeft de consument te goeder trouw gehandeld. Toen de consument aan de ledenadministratie de ontstane situatie wilde verduidelijken, werd zij bijzonder onvriendelijk te woord gestaan.

Wegens het uitblijven van bevestiging van opzegging binnen de door de ondernemer gestelde termijn van vijf werkdagen, mocht de consument er vanuit gaan dat de opzegging verwerkt en definitief was. De ondernemer heeft verzaakt om binnen een redelijke termijn van zes weken, zoals ook gehanteerd binnen het bestuursrecht, te reageren op de gedane opzegging. Hiermee is de opzegging, ondanks dat dit volgens de ondernemer niet conform het contract was, toch juridische werkelijkheid geworden. Het contract is daarmee per 12 juni 2018 opgezegd met een opzegtermijn van één kalendermaand, dus beëindigd per 31juli 2018. De te late reactie van de ondernemer kan niet voorkomen dat de opzegging van het contract niet in werking is getreden.

Omdat het contract reeds beëindigd was, heeft de consument de geïncasseerde contributie van augustus 2018 gestorneerd. Vanwege het feit dat het contract is beëindigd, heeft de consument betalingsherinneringen genegeerd. Toen in september geen contributie meer werd afgeschreven, ging de consument er vanuit dat de reeds definitieve opzegging ook verwerkt is door de financiële afdeling van de ondernemer. Toen de consument enkele dagen later e-mails van de ondernemer ontving met daarin het onderwerp “Word nu lid en sport tot 1 november gratis!”, bevestigde dat voor de consument dat zij inderdaad geen lid meer was en het contract is opgezegd. Toen de consument had aangegeven geen promotieaanbiedingen meer te willen ontvangen van de ondernemer, werd daar echter geen gehoor aan gegeven. Dat daarna een aanmaning door een incassobureau werd ontvangen, valt dan ook tegen van de ondernemer die in gebreke is geweest en heeft verzaakt om correct, juist en tijdig te communiceren, waarvan de consument nu de dupe dreig te worden.
De consument beroept zich voor de opzegging niet op de contractuele flexverzekering, maar beroept zich op dwaling zoals omschreven in art. 6:228 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), meer specifiek lid a (dat zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten indien expliciet duidelijk was gemaakt dat zij een jaarcontract afsloot dat niét maandelijks opzegbaar was) en/of lid b (dat verzaakt is om de consument voldoende in te lichten met betrekking tot de contracten en de werking hiervan).
Omdat het niet is toegestaan om door te gaan met aanmanen zolang een bezwaar niet (volledig) beantwoord is, beschouwt de consument gestelde betalingstermijnen als niet-bestaand.
Na haar verhuizing naar [tweede plaatsnaam] is de consument nog naar [derde plaatsnaam] vertrokken, maar sinds kort woont zij weer in [provincie], bij haar ouders in [vierde plaatsnaam].
Zoals ter zitting toegelicht, verlangt de consument dat haar abonnement tijdelijk wordt stopgezet en met ingang van 1 maart 2019 wordt ge(her)activeerd.

Standpunt van de ondernemer

Het ter zitting toegelichte standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De vordering van de ondernemer bedraagt op dit moment aan hoofdsom € 300,65. De consument erkent de onderhavige overeenkomst te hebben afgesloten voor de bepaalde tijd van één jaar tegen het overeengekomen periodieke bedrag zoals weergegeven in de overeenkomst en het Clubreglement. De consument zegt de overeenkomst toch na 4 maanden op middels het online opzegformulier met als reden: kwaliteit begeleiding, te duur en gebrek aan motivatie. De ondernemer stuurt een bevestiging van de opzegging waarbij is aangegeven dat de overeenkomst voortduurt tot het einde van de overeengekomen minimale periode van één jaar, dus tot 1 maart 2019. De onbetaalde termijnen zijn daarop ter incasso uit handen gegeven aan het incassobureau.
De consument verweert zich met een beroep op de contributieverzekering, gestelde verhuizing c.q. mondeling ontvangen toezegging. De contributieverzekering maakt volgens artikel 7 onder b van de toepasselijke Algemene Bepalingen (hierna: AB) 
“het mogelijk om voor einde contracttermijn kosteloos op te zeggen of tijdelijk kosteloos te bevriezen met in achtneming van 1 kalendermaand opzegtermijn, indien een van de navolgende omstandigheden zich voordoet:
(…)
iv.     Onverwachte verhuizing naar een adres gelegen op meer dan 15 kilometer afstand van de club.
(…)”.
Art 7 onder c AB bepaalt:
“Indien een Lid op deze contributieverzekering een beroep wilt doen, dan is het Lid gehouden een afdoende bewijs te verstrekken van een van bovenstaande omstandigheden. Indien geen bewijs kan worden verstrekt, kan geen kosteloze, voortijdige beëindiging of bevriezing plaatsvinden”.

De ondernemer verwijst naar de gedane opzegging waarbij de consument de gestelde verhuizing niet noemt als grond voor de gedane opzegging. De ondernemer betwist dan ook nadrukkelijk dat de gestelde verhuizing reden was om de opzegging te doen. De gestelde verhuizing komt pas later in de communicatie naar voren als een tardief verweer en herziene poging om alsnog gebruik te kunnen maken van de contributieverzekering.

Verder benadrukt de ondernemer dat de consument tot op heden geen enkel begin van bewijs heeft aangedragen voor de door de ondernemer betwiste mondelinge toezegging dat het [naam] abonnement te allen tijde met een maand opzegtermijn zou kunnen worden opgezegd. Op de overeenkomst staat de duur van de overeenkomst ondubbelzinnig weergegeven evenals de voorwaarden voor de contributieverzekering.

De consument heeft weloverwogen gekozen voor een overeenkomst van 12 maanden en daarvoor een korting verkregen. Immers indien de consument voor een overeenkomst van onbepaalde tijd zou gaan zou zij periodiek meer kosten kwijt zijn c.q. een hoger tarief betalen. Het afsluiten van een minimale periode geeft de ondernemer zekerheid en brengt de sporter een korting. Indien de consument voor een minimale periode zou hebben gekozen van twee jaar zou zij nog meer korting kunnen genieten. De consument heeft gekozen voor één jaar en was zich derhalve bewust van de verbintenis die zij aanging.

De ondernemer betwist dat de consument bij het aangaan van de overeenkomst al zou hebben aangegeven per juni 2018 de overeenkomst te willen opzeggen althans dat de ondernemer een dergelijke opzegging zou hebben geaccepteerd. Op dat moment zou een overeenkomst voor onbepaalde tijd zijn aangeboden c.q. gewezen worden op de vereisten van de contributieverzekering. Een opzegging wegens verhuizing moet op de juiste wijze worden kenbaar gemaakt middels het presenteren van een deugdelijk bewijs, hetgeen de consument niet heeft gedaan.

De ondernemer heeft de opzegging per 1 maart 2019 natuurlijk wel in het systeem opgenomen en mogelijk de consument benaderd middels een reclame campagne, maar de ondernemer betwist dat de consument hieruit kon en mocht begrijpen dat de ondernemer hiermee haar eerdere standpunt had verlaten. Immers heeft de consument daarop ook nog diverse betaalverzoeken ontvangen en is getracht om de deelbetalingen alsnog te incasseren van haar rekening.

Resumerend: De consument heeft een contract met een minimale looptijd van één jaar afgesloten. De opzegging heeft niet conform de vereisten van de contributieverzekering plaatsgevonden en niet met de benodigde kennisgeving van verhuizing. De gestelde verhuizing is bij gebrek aan enig begin van bewijs betwist. De overeenkomst is tussentijds niet opzegbaar en duurt derhalve voort tot 1 maart 2019.

Beoordeling van het geschil

De commissie overweegt het volgende.

Waar de consument in haar correspondentie aan de ondernemer een handelen in strijd met de Algemene verordening gegevensbescherming verwijt, dreigt zij de ondernemer met een melding bij de Autoriteit Persoonsgegevens en maakt dat geen deel uit van de aan de commissie voorgelegde klacht.

Voor zover de consument zich beroept op in het bestuursrecht gebruikelijke (reactie-)termijnen en bij overschrijding daarvan in te treden ficties of gevolgen, heeft dat in dit geding niet de door de consument veronderstelde gevolgen. Het gaat hier immers niet om een bestuursrechtelijke kwestie, maar om een civielrechtelijk geschil dat de commissie naar civielrechtelijke maatstaven zal beoordelen en beslissen.

Zoals de ondernemer ter zitting verklaart, beperkt dit geding zich tot de door de ondernemer verlangde hoofdsom van € 300,65 die ook in depot staat. De ondernemer legt daaraan ten grondslag dat de consument in verzuim is met de nakoming van haar verplichting om op de overeengekomen wijze de contractueel tot 1 maart 2019 verschuldigde maandtermijnen te voldoen.

Voor zover de consument beweert dat de ondernemer haar vooraf had moeten meedelen dat het jaarcontract niet maandelijks opzegbaar is omdat zij vooraf al “duidelijk [commissie: had] aangegeven slechts voor een half jaar te willen sporten”, is dat niet voldoende aannemelijk geworden. De tussen partijen opgemaakte schriftelijke overeenkomst (hierna: contract) vermeldt zelfs nadrukkelijk als handgeschreven einddatum van de overeenkomst: 1 maart 2019. Blijkens dat contract zijn partijen de overeenkomst ook “aangegaan voor de hierboven aangegeven periode”, dus voor de daarbij aangegeven duur van 12 maanden tot de daarbij eveneens aangegeven einddatum 1 maart 2019. Voor zover relevant bepaalt ook toepasselijk artikel 2 AB onder c dat “het lidmaatschap wordt (…) aangegaan voor een periode zoals aangegeven in het inschrijfformulier” en onder d. dat de overeenkomst pas “na de oorspronkelijke contractduur (kan) worden beëindigd met een opzegtermijn van één kalendermaand”. Voor zover de consument het verweer voert dat vooraf nadrukkelijk mondeling is afgesproken dat haar abonnement maandelijks opzegbaar zou zijn, valt dat moeilijk met het voorgaande te rijmen en vindt dat geen steun in enig bewijsmiddel.

Blijkens haar brief van 25 oktober 2018 verweert de consument zich nadrukkelijk met een beroep op dwaling zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder a. en b. BW. Dit verweer faalt echter. Dat de consument onder invloed van dwaling het jaarcontract heeft gesloten dat zij bij een juiste voorstelling van zaken niet zou hebben gesloten, is onvoldoende om de overeenkomst aan te tasten. Enkel de consument haar onwetendheid dat het overeengekomen jaarcontract niet maandelijks opzegbaar is, is hiertoe onvoldoende. Dat de bedoelde dwaling volgens de consument aan een inlichting van (personeel van) de ondernemer te wijten is, is niet aannemelijk geworden. De consument heeft ter staving van die door de ondernemer betwiste inlichting ook geen enkel bewijsmiddel ingebracht. Ter zitting licht de consument nog toe dat haar de bewuste inlichting is gedaan door een personeelslid genaamd Esther die de overeenkomst met haar is aangegaan, maar onder verwijzing naar de ondertekening van het daarvan opgemaakte contract voert de ondernemer aan dat haar personeelslid Hilda D. de overeenkomst met de consument heeft gesloten.

Voor zover de consument zich op een verhuizing beroept, treft ook dit verweer geen doel. Voor zover relevant bepaalt artikel 7 onder b sub iv. AB dat het mogelijk is “om voor einde contracttermijn kosteloos op te zeggen of tijdelijk kosteloos te bevriezen met inachtneming van 1 kalendermaand opzegtermijn” bij “onverwachte verhuizing naar een adres gelegen op meer dan 15 kilometer afstand van de club”, maar is onder c. bepaald: “Indien een Lid [commissie: hierop] een beroep wil doen, dan is het Lid gehouden een afdoende bewijs te verstrekken van een van bovenstaande omstandigheden. Indien geen bewijs kan worden verstrekt, kan geen kosteloze, voortijdige beëindiging of bevriezing plaatsvinden”. De stukken van de consument bevatten geen enkel (steun)bewijs van een onverwachte verhuizing zoals in dit artikel bedoeld. Dit geldt ook voor de door de consument ter zitting gestelde verhuizing naar [tweede plaatsnaam].

Voor zover de consument omstandigheden aanvoert waarvan zij toelicht daarin (alsnog) de veronderstelde acceptatie van haar tussentijdse opzegging door de ondernemer te hebben gezien, zijn dat geen omstandigheden die naar het oordeel van de commissie bij de consument hebben kunnen leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen op een dergelijke acceptatie althans op basis waarvan de consument in goed vertrouwen van een dergelijke acceptatie heeft mogen uitgaan.
Gezien het voorgaande oordeelt de commissie de door de ondernemer verlangde betaling van
€ 300,65 toewijsbaar. De commissie concludeert dat de klacht ongegrond is en zal bepalen dat het door de consument te betalen (rest)bedrag vanuit het depot rechtstreeks aan de ondernemer wordt uitbetaald.

De commissie beslist daarom als volgt.

Beslissing

De commissie wijst het door de consument verlangde af.

De commissie bepaalt dat een bedrag van € 300,65 vanuit het depot aan de ondernemer wordt uitbetaald.
Aldus beslist door de Geschillencommissie Sport en Beweging, bestaande uit mr. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, mr. P.B. Vos en N. El Ayachi, leden, op 13 maart 2019.