Consument heeft tijdens lockdownperiode geen vakantiepunten gespaard

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2022
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 134541/147222

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument stelt dat de ondernemer onterecht vakantiepunten heeft ingehouden terwijl de opvang van de overheid dicht moest tijdens een lockdownperiode. De consument heeft vakantiedagen moeten gebruiken die hij volgend jaar pas wilde inzetten en eist een financiële compensatie van de ondernemer om nieuwe vakantiedagen te kopen bij zijn werkgever. De ondernemer stelt dat de consument een contract had waarbij hij maandelijks spaarde voor vakantiepunten. Omdat de consument, door de overheid en de ondernemer, is gecompenseerd voor de facturen tijdens de lockdown, heeft de consument niet zelf betaald en zijn er dus geen vakantiepunten gespaard. De ondernemer heeft de vakantiepunten van de periode waarvoor de consument is gecompenseerd afgetrokken van het totale aantal vakantiepunten van de consument, waardoor een negatief saldo is ontstaan. Dit negatieve saldo is in rekening gebracht. De commissie oordeelt dat de ondernemer terecht het negatieve saldo in rekening heeft gebracht omdat de consument tijdens de lockdown niet betaald heeft voor de vakantiepunten. De klacht is ongegrond.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft het feit dat de ondernemer vakantiepunten over een lockdownperiode op het tegoed van de consument heeft ingehouden.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument is het oneens met de ondernemer dat deze zijn vakantiepunten over de periode van 4 januari 2021 t/m 18 april 2021 waarin de buitenschoolse opvang op last van de overheid was gesloten, heeft ingehouden. De consument is – ondanks het feit dat hij voor de door hem betaalde opvangvergoeding over die periode volledig is gecompenseerd – van mening dat de ondernemer hem heeft benadeeld en hierdoor onrechtmatig heeft gehandeld. De ondernemer heeft misbruik dan wel gebruik gemaakt van zijn machtspositie, omdat hij als consument geen alternatief heeft.

De ondernemer is niet meegegaan in het voorstel van de consument om het in totaal opgebouwde negatieve aantal vakantiepunten kwijt te schelden en hem zijn overige punten wel te laten inzetten. De inzet van die punten is nu niet meer mogelijk, waardoor hij voor de opvang van zijn dochter vakantiedagen heeft moeten opmaken, die hij in een volgend jaar had willen inzetten. De consument blijft niets ander over dan van de ondernemer een financiële compensatie te verlangen zodat hij daarvan bij zijn werkgever extra vakantiedagen kan kopen.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken en naar hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Partijen zijn met elkaar een plaatsingsovereenkomst voor kinderopvang aangegaan volgens het ‘alles-in-een-pakket’. Dit pakket biedt opvang gedurende schoolweken met per vaste opvangdag 10 vrije besteedbare dagen (105 uur) per kalenderjaar; in het geval van de consument 315 uur voor drie opvangdagen per week. Deze dagen kunnen worden ingezet tijdens vakanties, studiedagen en – indien de kind- en personele bezetting het toelaten – als extra dag tijdens schoolweken. Na afloop van het kalenderjaar, dan wel bij (gedeeltelijke) beëindiging van de overeenkomst, vervalt het resterende aantal vrij besteedbare dagen. Indien voor het einde van het jaar de overeenkomst wordt beëindigd, worden de vrij besteedbare dagen herberekend. Indien te veel uren zijn opgenomen, dan worden deze te veel opgenomen uren afzonderlijk in rekening gebracht. Dit volgt uit de aanvullende voorwaarden van de ondernemer die van toepassing zijn verklaard op de plaatsingsovereenkomst.

De ondernemer hanteert het volgende facturatiesysteem. Maandelijks wordt een vast bedrag gefactureerd aan de ouders, zo ook aan de consument. Dit vaste bedrag is gebaseerd op een gemiddeld aantal BSO-uren per kalenderjaar. De vakantiepunten zijn onderdeel van het vaste maandtarief en worden dus ook gelijk over het jaar verdeeld. Het bedrag dat maandelijks aan ouders wordt gefactureerd, bestaat dus feitelijk uit twee delen: de opvanguren in de schoolweken en 1/12e deel van de vakantiepunten (saldotegoed) waarmee de contractant de vrij besteedbare dagen kan inzetten. De contractant ontvangt dit saldo jaarlijks op 1 januari vooruit op basis van de dan geldende opvangovereenkomst. Er wordt dus als het ware maandelijks gespaard voor vakantiepunten.

In de periode 4 januari 2021 t/m 18 april 2021 is de buitenschoolse opvang van de ondernemer gesloten geweest op last van de overheid. Het kabinet heeft ouders die van die kinderopvang gebruik maakten, opgeroepen om tijdens de sluiting de facturen voor de kinderopvang door te betalen. Daarmee behielden ouders een plek voor hun kinderen op de opvang, hoefde er niet te worden ingegrepen in het lopende kinderopvangtoeslagsysteem, bleef de sector deels gefinancierd en kon noodopvang worden geboden aan ouders met cruciale beroepen en kwetsbare kinderen. De ouders die hun facturen voor de kinderopvang tijdens de gedwongen sluiting volledig zijn blijven betalen, ontvingen van de overheid een tegemoetkoming van de eigen bijdrage tot de maximum uurprijs, die meetelt voor de berekening van de kinderopvangtoeslag. De ondernemer heeft het gedeelte boven de maximaal te vergoeden uurprijs door de overheid, het zogenaamde boven-fiscaal tarief, aan de ouders vergoed. De ouders, inclusief de consument, zijn dus volledig gecompenseerd voor niet gekregen kinderopvang.

Over de lockdownperiode, waarin de ouders volledig zijn gecompenseerd, is niet ‘gespaard’ voor vakantiepunten. De ondernemer heeft een berekening gemaakt en besloten dat naar rato over de periode van 4 januari 2021 t/m 18 april 2021 een tegoed zou worden opgebouwd van 31 vakantiepunten per opvangdag per week. Omdat de consument drie dagen per week opvang afnam, kwam dit neer op 93 vakantiepunten die zouden zijn opgebouwd over de lockdownperiode. Hier zijn partijen het over eens. De 93 vakantiepunten waarvoor de consument is gecompenseerd, zijn van zijn puntentegoed afgeboekt, zoals meermaals door de ondernemer is meegedeeld aan de consument. Het puntentegoed van de consument werd hierdoor negatief, wat betekent dat hij meer vakantietegoed heeft gebruikt in de periodes buiten de lockdownperiode, dan waarvoor hij heeft gespaard. Zoals aan de ouders gecommuniceerd, heeft de ondernemer dit negatieve saldo aan de ouders gefactureerd, zo ook aan de consument.

Gedurende de lockdownperiode is de overeenkomst gedeeltelijk ontbonden geweest. Het gevolg daarvan was dat de wederzijdse verplichtingen over de betreffende periode zijn komen te vervallen dan wel ongedaan moesten worden gemaakt. Voor de ouders had dit tot gevolg dat de betalingsverplichting verviel, voor de ondernemer dat geen verplichting bestond om de overeengekomen opvang te leveren. Dit gold dus ook voor de opbouw van het vakantietegoed over de betreffende maanden en de toevoeging daarvan aan het totale vakantietegoed. De ondernemer heeft de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst niet ingeroepen tegenover de consument, die dit overigens ook niet heeft gedaan tegenover de ondernemer. De ondernemer baseert zijn standpunt over de ontbinding van de overeenkomst op het advies van een door hem geraadpleegde advocaat en op een eerdere, gepubliceerde uitspraak van de commissie. Daarbij komt dat het onverkort doorsparen van vakantietegoed tot ongewenste en onredelijke gevolgen voor de ondernemer zou hebben geleid. Het vakantietegoed kon tijdens de verplichte sluiting van de opvang namelijk niet worden ingezet door de ouders. Dit zou leiden tot grote ‘reserves’ vakantietegoed. Bovendien zouden bij schoolvakanties en op studiedagen van de basisschool te veel ouders hun vakantiepunten willen inzetten, waardoor er een te grote druk op het rooster zou ontstaan op die dagen.

Volgens de consument zou gegrondverklaring van zijn klacht ertoe moeten leiden dat het aan hem gefactureerde bedrag voor vergoeding van gebruikt vakantietegoed zou moeten worden kwijtgescholden. Gegrondverklaring kan voor andere ouders een precedent scheppen. Voor de consument en de andere ouders die in 2021 meer opvanguren hebben gebruikt dan waarvoor zij hebben gespaard, zouden in dat geval de facturen kwijtgescholden moeten worden. De ondernemer zou daardoor aanzienlijke schade lijden, terwijl de consument en de andere ouders door de volledige compensatie van de door hem/hen betaalde opvangvergoeding geen schade heeft/hebben geleden. Mocht er geen sprake van ontbinding zijn geweest, dan verzetten de redelijkheid en de billijkheid zich ertegen dat opbouw van vakantietegoed over de lockdownperiode wordt toegekend en dat de facturen voor het negatief puntentegoed worden kwijtgescholden.

De ondernemer is van mening dat hij correct heeft gehandeld door geen vakantiepunten te laten opbouwen over de periode dat de ouders volledig zijn gecompenseerd. Van het onterecht inhouden of onrechtmatig handelen door de ondernemer is dan ook geen sprake. De ondernemer verzoekt de commissie daarom de klacht van de consument ongegrond te verklaren.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft op grond van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen zij tijdens de mondelinge behandeling naar voren hebben gebracht, het volgende overwogen.

De commissie zal eerst het beroep van de ondernemer op gedeeltelijke ontbinding van de plaatsingsovereenkomst bespreken. Anders dan de ondernemer in navolging van zijn advocaat lijkt te betogen, kan een overeenkomst niet van rechtswege worden ontbonden door (het intreden van) een toestand die buiten de invloedssfeer van partijen ligt, zoals in dit geval een door de overheid verplichte lockdownperiode. Alleen een actie van een van partijen kan bewerkstelligen dat een overeenkomst geheel of gedeeltelijk wordt ontbonden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de ondernemer onbetwist verklaard dat hij de ontbinding van de overeenkomst tegenover de consument niet heeft ingeroepen en dat de consument dat ook niet tegenover hem heeft gedaan. Daarmee staat vast dat de overeenkomst niet (partieel) is ontbonden en dat de verplichtingen van partijen over en weer zijn blijven bestaan. De ondernemer heeft zich voor zijn standpunt dat de overeenkomst gedurende de lockdownperiode gedeeltelijk ontbonden is geweest, beroepen op een eerder gepubliceerde uitspraak van de commissie. Het standpunt van de ondernemer berust echter op een onjuiste lezing van die uitspraak. Die uitspraak maakt weliswaar gewag van het feit dat een overeenkomst partieel ontbonden kan worden, maar vermeldt ook dat daarvoor een actie van een van partijen, die bij de overeenkomst betrokken is (in dat geval de consument), vereist is. Het standpunt van de ondernemer wordt verworpen.

Juridisch is de onderhavige situatie voor de ondernemer te duiden als een overmachtssituatie. De ondernemer was in verband met coronapandemie van overheidswege verplicht de buitenschoolse opvang gedurende de eerder genoemde periode te sluiten. De ondernemer had geen andere keuze. Weliswaar is de ondernemer tegenover de consument te kort geschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de plaatsingsovereenkomst – te weten het bieden van buitenschoolse opvang –, maar die tekortkoming is hem in de gegeven omstandigheden niet toe te rekenen.

Vast staat dat de consument de maandfacturen die betrekking hadden op de lockdownperiode is blijven betalen, zoals de overheid dat van de ouders heeft gevraagd. In de maandfacturen was een financiële component opgenomen voor vakantiepunten waarmee de consument vrij besteedbare dagen kon inzetten. Vast staat ook dat de consument voor zijn betalingen volledig is gecompenseerd door de overheid en voor wat het zogenaamde boven-fiscaal tarief betreft door de ondernemer. Door die volledige compensatie heeft de consument feitelijk niet voor de vakantiepunten betaald en hij kan dan ook geen recht op vakantiepunten over de lockdownperiode doen gelden. Terecht heeft de ondernemer geen vakantiepunten over de lockdownperiode aan het puntentegoed van de consument toegevoegd. De consument heeft de stelling van de ondernemer niet betwist dat het puntentegoed van de consument daardoor negatief werd doordat hij in de periodes buiten de lockdownperiode méér vakantietegoed heeft gebruikt dan waarvoor hij heeft gespaard. De ondernemer was gerechtigd dat negatief tegoed aan de consument in rekening te brengen.

De commissie is van oordeel dat de ondernemer niet het verwijt treft de consument te hebben benadeeld of tegenover hem onrechtmatig te hebben gehandeld en evenmin dat de ondernemer misbruik dan wel gebruik heeft gemaakt van zijn machtspositie. De commissie is dan ook van oordeel dat de klacht van de consument ongegrond is.

De consument heeft om toekenning van een schadevergoeding verzocht. Voor toekenning van een schadevergoeding is – nu er sprake is van een contractuele verhouding tussen partijen – vereist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming (wanprestatie). Hierboven is overwogen dat daarvan geen sprake is. Reeds om die reden komt de grondslag te ontvallen aan de verzochte schadevergoeding en moet het desbetreffende verzoek van de consument worden afgewezen.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht van de consument ongegrond;

– wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Aldus beslist op 8 april 2022 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit de heer mr. J.M.P. Drijkoningen, voorzitter, de heer drs. T. Blom en mevrouw mr. M. Stroetenga, leden, in aanwezigheid van de heer mr. L.G.H. Cox, secretaris.