Consument trekt opdracht in binnen wettelijke termijn; makelaar geen recht op vergoeding

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Makelaardij Consumentenmarkt    Categorie: Overeenkomst    Jaartal: 2023
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 193227/206701

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Dit geschil vloeit voort uit een overeenkomst van bemiddeling waarbij ondernemer zich heeft verplicht tot het bemiddelen in de verkoop van het huis van consument. Consument heeft de opdracht ingetrokken per e-mail, omdat hij ontevreden was over de kwaliteit van de dienstverlening. De intrekking werd geweigerd door ondernemer en ondernemer stuurt een factuur op. De commissie oordeelt dat de het wetsartikel waarop ondernemer zich beroept niet geldt in dit geschil. Consument is verkeerd ingelicht door ondernemer dat er een vergoeding betaald moet worden bij de intrekking van de opdracht. De klacht wordt gegrond verklaard.

De uitspraak

Behandeling van het geschil
Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Onderwerp van het geschil
Op 9 juni 2022 is tussen partijen een opdracht tot bemiddeling tot stand gekomen met betrekking tot de verkoop van de woning van de consument. De consument heeft per e-mail van 21 juni 2022 de opdracht ingetrokken. De consument is op deze intrekking teruggekomen nadat de makelaar hem mededeelde dat hij € 750,– aan intrekkingskosten zou zijn verschuldigd. De bemiddelingsovereenkomst is toen uitgevoerd, maar de consument heeft de opdracht enige tijd later opnieuw ingetrokken, omdat hij ontevreden was over de kwaliteit van de dienstverlening. Daarna heeft de consument een andere makelaar ingeschakeld. In de opdracht is in artikel 2 vermeld dat, kort gezegd, nadat de woning op [naam woningwebsite] is gepubliceerd de consument bij intrekking recht heeft op een vergoeding van € 1.999,–. Na de tweede intrekking maakt de makelaar daarop aanspraak. De consument wil het bedrag van € 1.999,– (factuur van 18 oktober 2022) niet betalen. Dit bedrag heeft hij in depot bij de commissie gestort. Ook wil hij € 10.000,– schadevergoeding, omdat vanwege de nalatigheid van de makelaar zijn woning voor een te lage koopprijs is verkocht.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De opdracht tot bemiddeling is digitaal tot stand gekomen. De consument stelt binnen de bedenktijd, althans in elk geval toen de makelaar nog geen werkzaamheden had verricht, de opdracht te hebben ingetrokken, namelijk op 21 juni 2022. Dat bleek volgens de makelaar alleen mogelijk te zijn als hij € 750,– aan intrekkingskosten zou betalen. Dat schrok de consument af, zodat hij toch door is gegaan met de makelaar. Uiteindelijk heeft de consument besloten de opdracht in te trekken. Hij was ontevreden over de kwaliteit van dienstverlening. Verder stelt de consument dat de eerste intrekking ten onrechte is geweigerd door de makelaar zodat hij niets is verschuldigd.

Standpunt van de makelaar
Voor het standpunt van de makelaar verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De werkzaamheden zijn naar behoren uitgevoerd en de intrekkingskosten zijn overeengekomen in de opdracht. Daarom moeten de intrekkingskosten worden betaald.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De consument verwijst naar artikel 6:230o van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Daarin is vermeld dat binnen 14 dagen de consument de overeenkomst kan ontbinden. Dat heeft de consument op 21 juni 2022 per e-mail op ondubbelzinnige wijze (lid 3 van voormeld artikel) gedaan met als reden dat de fotograaf die de foto’s voor de presentatie op [naam woningwebsite] zou maken ziek bleek en hij, zo begrijpt de commissie, het allemaal niet vond opschieten. Toen heeft de makelaar te kennen gegeven dat aan de consument € 749,– in rekening zou worden gebracht waarbij hij een beroep heeft gedaan op het volgende beding in de opdracht: “In het geval dat de opdracht wordt ingetrokken vóór publicatie op [naam woningwebsite] heeft [ondernemer] recht op een vergoeding van €749,-.” De commissie concludeert dat dit niet mogelijk is: de consument trekt de opdracht op ondubbelzinnige wijze in binnen de wettelijke termijn en dus heeft de makelaar geen recht op dit bedrag.

De makelaar wijst er nog op dat de consument in de opdracht expliciet heeft ingestemd af te zien van de bedenktijd en de makelaar verzoekt direct met zijn werkzaamheden te beginnen. De consument heeft het daartoe bestemde vakje aangevinkt en daarna zijn handtekening gezet. Dit argument gaat echter niet op want dit is niet een van de toegestane uitzonderingen zoals bedoeld in artikel 6:230p BW. De voor deze zaak relevante uitzondering ziet erop dat van de intrekkingstermijn kan worden afgezien als de makelaar zijn werkzaamheden voltooit binnen de ontbindingstermijn en duidelijk is dat dit niet het geval is. In dit verband is relevant dat de makelaar niet uitlegt aan de hand van een chronologisch overzicht wat er wel is gebeurd (de consument stelt uitsluitend dat een telefoongesprek is gevoerd) terwijl duidelijk is dat de consument het te traag vond gaan (hij moest te lang wachten op de foto’s omdat de fotograaf ziek werd).

De consument is teruggekomen op de intrekking nadat hij begreep dat hij € 749,– aan intrekkingskosten zou moeten betalen. Daarna hebben partijen de samenwerking gecontinueerd en heeft de consument uiteindelijk de opdracht definitief ingetrokken, omdat hij ontevreden was over de kwaliteit van dienstverlening. De commissie is van oordeel dat de door de Europese wetgever voorgeschreven consumentenbescherming, die onder andere is geïncorporeerd in voormeld wetsartikel, inhoudt dat de consument ook de werkzaamheden van na de eerste intrekking niet hoeft te betalen. De consument is immers op het verkeerde been gezet door de mededeling van de makelaar dat hij € 749,– bij intrekking was verschuldigd, terwijl dit in strijd was met de wet. Enkel en alleen om die reden is de opdracht voortgezet. Toewijzing van loon over de door de makelaar verrichte werkzaamheden zou in strijd zijn met de bescherming die de wet aan consumenten die overeenkomsten op afstand aangaan beoogt te geven. Daarom is de consument in het geheel geen courtage verschuldigd aan de consument.

Omdat de consument blijkens het vragenformulier bereid is € 500,– te betalen voor de werkzaamheden van de makelaar zal de commissie dit bedrag aan de makelaar toewijzen.

De commissie ziet geen aanleiding om de door de consument verzochte schadevergoeding toe te kennen. De consument stelt dat door de vertraging een lagere koopsom is gerealiseerd, maar dat is onvoldoende toegelicht door de consument en dus niet komen vast te staan. Zo ontbreken de koopovereenkomst en de transportakte van de woning zodat de makelaar zich daartegen onvoldoende kan verweren en de commissie de argumenten van de consument dus niet kan toetsen.
Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing
De klacht is gegrond. Het door de consument verlangde wordt deels toegewezen. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.

Van het in depot gestorte bedrag van € 1.999,– moet € 500,–, aan de makelaar worden uitbetaald en de rest aan de consument worden terugbetaald. De makelaar moet het door de consument betaalde bedrag van € 77,50 aan behandelingskosten aan de consument vergoeden.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Makelaardij, bestaande uit de heer mr. A.J.J. van Rijen, voorzitter, de heer mr. J.J. Hendrikse, mevrouw drs. W. Nienhuis, leden, op 20 juni 2023.