De klachten over nalatige zorg en onveilige situaties zijn gegrond, maar nabestaanden hebben geen recht op immateriële schadevergoeding.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Verpleging Verzorging en Geboortezorg    Categorie: Schade immaterieel    Jaartal: 2017
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 108690-1

De uitspraak:

In het geschil tussen

Klaagster en Stichting Humanitas, gevestigd te Rotterdam (verder te noemen: de zorgaanbieder)

Behandeling van het geschil

Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennisgenomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 10 mei 2017 te Rotterdam.

Partijen hebben op voorhand aangegeven niet aanwezig te zullen zijn bij de behandeling van het geschil ter zitting.  
 
Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil heeft betrekking op de kwaliteit van de geleverde zorg door de zorgaanbieder. 
 
Standpunt van klaagster

Voor het standpunt van klaagster verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. De door klaagster overgelegde stukken dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. In de kern komt het standpunt van klaagster op het volgende neer.

Klaagster is bewindvoerder en mentor van haar inmiddels overleden moeder [naam]. Op 88-jarige leeftijd heeft [moeder klaagster] vanwege dementieklachten haar intrek genomen op de gesloten afdeling van de zorginstelling. Tijdens haar verblijf heeft een aantal ernstige incidenten plaatsgevonden. Op 23 oktober 2015 is zij uit haar bed gevallen en op 3 mei 2016 lag zij met haar rechterbeen geheel door het bedrek. Binnen de zorginstelling zijn met de medewerkers afspraken gemaakt om te voorkomen dat dergelijke incidenten zich opnieuw zouden voordoen. Eén van de afspraken behelsde het plaatsen van een valmat onder het bed van [moeder klaagster]. Deze afspraak is niet nagekomen, (mede) waardoor een val van [moeder klaagster] uit haar bed op 3 november 2016 ernstige gevolgen had. Een medewerkster trof haar aan terwijl zij op de grond in een plas bloed lag. Zij had een verwonding boven haar rechteroog en bloeduitstortingen opgelopen en haar gezicht was door de val opgezwollen en beurs geworden. Ook had zij hoofdpijn en een erg pijnlijke rechterschouder. [moeder klaagster] heeft niet alleen deze lichamelijke, maar ook geestelijke schade opgelopen, omdat zij extreem angstig was geworden om ’s nachts uit bed te vallen en daardoor ‘s avonds erg onrustig werd. 

Op 22 januari 2017 is [moeder klaagster] overleden.

Klaagster verwijt de zorgaanbieder ernstige nalatigheid en stelt zich op het standpunt dat de zorgaanbieder haar moeder in zeer onveilige situaties heeft gebracht. Hiermee heeft de zorgaanbieder zich niet gehouden aan artikel 19, sub 4, van de Algemene Voorwaarden voor Zorg die deel uitmaken van de opgestelde overeenkomst tot het aangaan van de zorg.

Klaagster heeft op 8 november 2016 een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de zorgaanbieder. Deze heeft de klacht op 8 december 2016 gedeeltelijk gegrond verklaard, omdat de organisatie weliswaar verbeteringen in gang heeft gezet naar aanleiding van de incidenten, maar dit niet heeft geleid tot herstel van het vertrouwen van klaagster in de zorgaanbieder.

Ondanks dat de adviezen van de klachtencommissie om de kwaliteit van de zorg te verbeteren, door de zorgaanbieder zijn overgenomen en zijn opgenomen in het verbeterplan, blijft klaagster bij haar standpunt dat sprake is van ernstige nalatigheid en dat de incidenten nooit hadden mogen plaatsvinden.

Klaagster verzoekt de commissie haar klacht jegens de zorgaanbieder gegrond te verklaren en haar en haar familie een vergoeding toe te kennen van € 5.000,– voor de geleden lichamelijke en psychische schade.

Standpunt van de zorgaanbieder

Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt van de zorgaanbieder op het volgende neer.

De zorgaanbieder heeft de klacht van klaagster uiterst serieus genomen. Zij heeft erkend dat de omschreven incidenten niet hadden mogen plaatsvinden. De aanbevelingen van de klachtencommissie ten aanzien van de kwaliteit van zorg zijn door de zorgaanbieder overgenomen en er is een plan van aanpak ontwikkeld om de kwaliteit van zorg daadwerkelijk te verbeteren. Voorts heeft de zorgaanbieder zich ingespannen om tot een passende oplossing voor beide partijen te komen en de vertrouwensband met klaagster te herstellen. De zorgaanbieder is dan ook van mening dat de klachtenprocedure op een juiste manier is gevolgd, alsmede dat de wensen van klaagster zo goed mogelijk zijn ingevuld.

Klaagster heeft eerst tijdens de hoorzitting bij de klachtencommissie verzocht haar ten laste van de zorgaanbieder een vergoeding van € 5.000,– toe te kennen voor de immateriële schade die de zorgaanbieder haar, haar moeder en haar familie heeft toegebracht. Hoewel klaagster de hoogte van de vordering nader heeft toegelicht, acht de zorgaanbieder zich onvoldoende in staat om de redelijkheid van het bedrag te beoordelen. De zorgaanbieder verzoekt de commissie zich hierover uit te spreken.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Tijdens het verblijf van [moeder klaagster] op de gesloten afdeling van de zorginstelling hebben enkele incidenten plaatsgevonden, die niet hadden mogen plaatsvinden. [moeder klaagster] is een paar keer uit haar bed gevallen en eenmaal heeft zij daarbij zelfs een verwonding aan haar hoofd opgelopen. Bovendien is gebleken dat niet alle voorgekomen incidenten aan de incidentencommissie zijn gemeld. Op grond hiervan acht de commissie de klacht van klaagster ten aanzien van de kwaliteit van de geleverde zorg gegrond. 

De zorgaanbieder heeft erkend dat deze incidenten niet hadden mogen plaatsvinden. Zij heeft er lering uit getrokken door de aanbevelingen van de klachtencommissie ten aanzien van de kwaliteit van zorg over te nemen en een plan van aanpak te ontwikkelen om de kwaliteit van zorg daadwerkelijk te verbeteren.

Ten aanzien van de vordering tot immateriële schadevergoeding overweegt de commissie als volgt. Op grond van art 6:106, eerste lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan een vordering tot immateriële schadevergoeding worden toegewezen indien het benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Vooropgesteld dient te worden dat de klacht is ingediend door klaagster, zijnde de dochter van de overledene. In principe kan een nabestaande geen immateriële schadevergoeding vorderen, tenzij er sprake is van aantasting in de persoon.
Alhoewel klaagster ongetwijfeld geleden heeft onder hetgeen haar moeder is overkomen, is onvoldoende komen vast te staan dat er sprake is (geweest) van zodanig ernstig geestelijk letsel bij klaagster, dat gesproken kan worden van ‘aantasting in de persoon’.

Het voorgaande brengt de commissie tot het oordeel dat de klacht inhoudelijk gegrond is, maar dat de door klaagster verlangde vergoeding van immateriële schade niet aan haar kan worden toegekend.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing

De commissie:

verklaart de klacht van klaagster gegrond;
 
wijst de vordering van klaagster tot immateriële schadevergoeding af;

bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie aan klaagster het klachtengeld ten bedrage van € 52,50 dient te vergoeden.

Aldus beslist op 10 mei 2017 door de Geschillencommissie Verpleging Verzorging en Geboortezorg.