Diefstal buitenboordmotor uit haven ondernemer. Geen bewaarnemingsovereenkomst

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden Huur en Verhuur Lig- en/of Bergplaatsen    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT07-0019

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de diefstal van de buitenboordmotor van de consument van het terrein van de ondernemer, alwaar de consument voor haar boot een ligplaats had gehuurd. De consument heeft op 23 april 2007 de klacht schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   In september 2006 heeft de consument haar boot in de winterstalling van de jachtwerf van de ondernemer achtergelaten. Afgesproken werd dat de motor op korte termijn een onderhoudsbeurt zou krijgen. Op verzoek van de ondernemer heeft de consument het slot van de motor verwijderd, zodat deze van de boot kan worden gehaald. De ondernemer heeft de onderhoudsbeurt uitbesteed aan een derde partij. Deze kon pas veel later dan gepland de werkzaamheden uitvoeren. Al die tijd heeft de motor zonder slot gestaan. Met kerst 2006 is de consument nog bij de boot geweest en heeft nog met de ondernemer gesproken. De consument had wel gezien dat de motor niet aan de boot hing, maar dat was niet verwonderlijk omdat deze een onderhoudsbeurt zou krijgen. Op 24 maart 2007 kwam de partner van de consument op de werf om de boot gereed te maken voor de zomer. Op dat moment kwam hij erachter dat de motor van de boot was gestolen. Op 28 maart 2007 is een expert langs geweest. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de consument het expertiserapport overgelegd.   De consument acht de ondernemer aansprakelijk voor de diefstal van de buitenboordmotor. Op het moment dat de ondernemer op de hoogte was van het feit dat de werkzaamheden aan de motor pas laat zouden worden uitgevoerd, had het op de weg van de ondernemer gelegen de consument hierover te informeren, zodat het slot weer bevestigd had kunnen worden. Door geen actie te ondernemen heeft de ondernemer de motor bewust zonder slot laten liggen. De boot zou gedurende de winter in de stalling liggen. Ook zou de ondernemer de boot onder zich houden om een onderhoudsbeurt uit te voeren aan de motor. Hierna zou de motor tegen betaling opgeslagen worden. Ondanks het feit dat de boot verzekerd was, keert de verzekeringsmaatschappij niet uit aangezien het slot van de motor was gehaald. Als bewaarnemer is de ondernemer aansprakelijk voor de schade van de consument. De ondernemer had de benodigde maatregelen moeten nemen ter voorkoming van de diefstal. Nu het terrein van de ondernemer slechts door een slagboom wordt afgeschermd en enkel overdag met camera’s wordt bewaakt, heeft de ondernemer niet aan zijn verplichting voldaan. Voorts beroept de consument zich op artikel 8 van de van toepassing zijnde HISWA-voorwaarden. De verhuurder is verplicht goed toezicht te houden en te handhaven. Nu de ondernemer hieraan niet heeft voldaan, is de ondernemer toerekenbaar tekortgeschoten in zijn verplichting. Om die reden is de ondernemer dan ook aansprakelijk voor de schade van de consument.   Op grond van het bovenstaande verzoekt de consument de commissie de ondernemer te verplichten haar schade, zijnde een bedrag van € 2.000,–, te vergoeden.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De ondernemer acht zich niet aansprakelijk voor de schade van de consument. Alle boten op het terrein en in de loods liggen voor eigen risico van de consument. De booteigenaren dienen zelf hun boot te verzekeren en zo nu en dan eens te komen kijken of alles nog goed is. De consument heeft van de ondernemer een brief ontvangen waarop zij kon aangeven wat de wensen voor de winterstalling zijn. De consument heeft daarop alleen de winterstalling aangekruist; over de winterstalling voor de motor heeft zij geen melding gemaakt. De ondernemer heeft aangevoerd dat er in de winter dagelijks over het terrein een ronde wordt gelopen. Op 4 januari 2007 is ontdekt dat de motor van de boot was. Daarop heeft de ondernemer getracht telefonisch contact te krijgen met de consument. Echter, toen dit niet lukte is er een bericht op de voicemail van de consument ingesproken. De ondernemer heeft aangevoerd dat hij er alles aan doet om diefstal tegen te gaan, doch een jachthaven ligt nu eenmaal aan het water en dat is niet af te sluiten. De ondernemer benadrukt dat hij geen opdracht heeft gegeven om de buitenboordmotor na te laten kijken. Op 16 april 2007 heeft de ondernemer de boot van de consument gekocht en haar de reeds betaalde zomerstalling geretourneerd.   Op grond van het bovenstaande verzoekt de ondernemer de commissie de vordering van de consument af te wijzen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie als volgt.   Het geschil betreft de vraag of de ondernemer aansprakelijk kan worden gesteld voor het feit dat de boot van de consument zonder de buitenboordmotor is aangetroffen. Het gaat derhalve in feite om de vraag, wat de reikwijdte is van de aansprakelijkheid van de ondernemer uit hoofde van de huur van een lig- of bergplaats.   De commissie stelt voorop dat de omvang van de aansprakelijkheid van de ‘houder’ van een zaak (degene die een zaak voor een ander houdt) afhankelijk is van de overeenkomst waarin dit houderschap is gegoten. Verschillende varianten zijn denkbaar, met aan de ene kant de houder die geen enkele aansprakelijkheid op zich wil nemen en aan de andere kant de bewaarnemingsovereenkomst (titel 7:9 BW), waarbij de bewaarnemer gehouden is de zaak terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen (artikel 7:605 BW). In dat geval wordt in de regel een ontvangstbewijs afgegeven waaruit blijkt in welke staat de zaak zich bij afgifte bevond.   De aansprakelijkheid van verhuurder van een lig- of bergplaats verschilt wezenlijk van die van de bewaarnemer, op wie een zwaardere zorgplicht rust. Blijkens artikel 8 van de toepasselijke HISWA-voorwaarden draagt de verhuurder van een lig- of bergplaats weliswaar een zekere verantwoordelijkheid, doch geen volledig risico. Er dient sprake te zijn van een bepaalde mate van schuld (verwijtbaarheid) van de ondernemer. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de schade is ontstaan door toedoen van één van zijn medewerkers. In nauwe samenhang hiermee bepaalt artikel 7 lid 2 van de toepasselijke HISWA-voorwaarden dat de ondernemer gehouden is voldoende toezicht te houden om de goede gang van zaken op het haventerrein en op de vaartuigen te handhaven. Het voorgaande brengt mee dat de schade pas aan de ondernemer is toe te rekenen indien de consument aantoont dat er sprake is van een bepaalde mate van verwijtbaarheid c.q. onvoldoende toezicht. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat dat voldoende aannemelijk is gemaakt door de consument. De commissie acht met name de volgende omstandigheden daarbij van belang, welke omstandigheden niet, althans onvoldoende door de ondernemer zijn weersproken.   De boot van de consument was ten tijde van de diefstal van de buitenboordmotor verzekerd. De verzekeringsmaatschappij heeft de schade niet uitgekeerd aangezien het slot van de motor was afgehaald. De consument heeft gesteld dat zij juist op verzoek van de ondernemer het slot van de motor heeft afgelaten aangezien de motor op korte termijn een onderhoudsbeurt zou krijgen. Ter zitting is namens de consument verklaard dat de ondernemer – op het moment dat hij de boten uit het water aan het halen was voor de winterstalling – aan de consument heeft meegedeeld dat hij meteen de motor van haar boot zou afhalen en de motor onder zich houden om een onderhoudsbeurt uit te voeren, zodat het slot van de motor af moest. De stelling van de consument wordt ondersteund door het overgelegde expertiserapport van 30 maart 2007. Aangezien de consument de ondernemer reeds 25 jaar kent, vertrouwde de consument de ondernemer op zijn toezegging. Ter zitting is namens de consument voorts verklaard dat de consument ervan is uitgegaan dat de ondernemer zelf het onderhoud zou gaan uitvoeren. De ondernemer heeft aan de weg een bord staan waarop staat vermeld: ”onderhoud motoren”. Ook op het briefpapier van de ondernemer staat onder meer vermeld: ”onderhoud”. De consument was er niet van op de hoogte dat een derde de motor zou repareren. Voorts is namens de consument ter zitting aangevoerd dat rond de Kerst de partner van de consument heeft moeten constateren dat het zeil van de boot open lag en de boot gevuld was met water. Nadat de partner van de consument daarover opheldering had gevraagd bij de ondernemer, heeft de ondernemer aangegeven dat zijn zoons de buitenboordmotor van de boot hadden afgehaald maar zij vergeten waren de boot weer met het zeil af te dekken. Nu de ondernemer de stellingen van de consument niet heeft weersproken, staan deze naar het oordeel van de commissie vast. Mitsdien ontstaat er naar het oordeel van de commissie voor de ondernemer een zwaardere zorgplicht. In het licht van het vorenoverwogene, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting komt de commissie in dit specifieke geval tot de conclusie dat de ondernemer ter zake van de schade een verwijt te maken valt. De commissie is dan ook van oordeel dat de ondernemer jegens de consument aansprakelijk is. De ondernemer heeft bij de consument de verwachting gewekt dat hij zelf een onderhoudsbeurt aan de buitenboordmotor zou uitvoeren. De gedachte waarin de consument onder de gegeven omstandigheden heeft geleefd, komt de commissie dan ook niet onredelijk voor.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht jegens de ondernemer gegrond is. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden. De ondernemer zal tevens worden veroordeeld tot vergoeding van het klachtengeld.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De ondernemer betaalt aan de consument een vergoeding van € 2.000,–. Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de verzenddatum van het bindend advies.   Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 125,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 150,–.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 12 september 2007