Door corona reis vroegtijdig afgebroken, ondernemer moet passende prijsverlaging terugbetalen

  • Home >>
  • Reizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Reizen    Categorie: (non)conformiteit    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 29916/33919

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De consument heeft een twintigdaagse pakketreis met een groepsreis naar Suriname geboekt. Na acht dagen is de reis vanwege de coronapandemie en de bijbehorende maatregelen vroegtijdig afgebroken. De consument vindt de compensatie die de ondernemer heeft aangeboden onvoldoende en eist een redelijke vergoeding. De ondernemer stelt dat de wereldwijde pandemie onder een abnormale voorziene omstandigheid in termen van de toepasselijke ANVR-reizigersvoorwaarden valt. Daarnaast heeft de ondernemer zich ingespannen om de vooraf contant betaalde kosten voor niet genoten accommodaties en  vervoer te verhalen op de lokale partners. Dit is echter niet gelukt. De ondernemer heeft vervolgens een vergoeding en een kortingsbon aangeboden. De commissie stelt allereerst vast dat de ondernemer de reis heeft beëindigd. Vervolgens verwijst de commissie naar artikel 7:511 BW. De consument heeft op basis van deze bepaling weliswaar geen recht heeft op een schadevergoeding, nu de Corona pandemie een onvermijdbare en buitengewone omstandigheid is, maar wel op een passende prijsverlaging voor de periode dat sprake was van non-conformiteit. De ondernemer moet de consument een passende prijsverlaging van € 780,- terugbetalen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
Het geschil vloeit voort uit de op 1 november 2019 tussen partijen tot stand gekomen twintigdaagse pakketreisovereenkomst voor één persoon met een groepsreis naar Suriname met vertrekdatum 10 maart 2020 tegen een door de consument te betalen en betaalde prijs van € 2.327,50.

De consument heeft de klacht eerst voorgelegd aan de ondernemer.

Standpunt van de consument
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.

De twintigdaagse rondreis werd na acht dagen afgebroken en de door de ondernemer aangeboden compensatie voor de gemiste 2/3 van de reis is onvoldoende.

De consument verlangt in hoofdlijn een restitutie van € 1.000,– als vergoeding voor de niet genoten vakantiedagen.

Standpunt van de ondernemer
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.

De ondernemer is aangesloten bij de Algemene Nederlandse Vereniging van Reisondernemingen (hierna: ANVR) en de wereldwijde pandemie als gevolg van het COVID-19-virus valt onder een abnormale voorziene omstandigheid in termen van de toepasselijke ANVR-reizigersvoorwaarden. In een dergelijke situatie van overmacht draagt een ieder zijn eigen schade.

Na afloop van de op 10 maart 2020 aangevangen maar na het verscherpte reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken op 17 maart 2020 afgebroken reis, heeft de ondernemer de mogelijkheden voor repatriëring bezien en zich ingespannen om de veelal vooraf contant betaalde kosten voor niet genoten accommodaties en vervoer te verhalen op lokale partners, maar helaas is geen enkele terugbetaling ontvangen. De meeste lokale partners hebben aangegeven zich te houden aan de annuleringsvoorwaarden, die zo kort voor aankomst van ons reisgezelschap 100% van de betaling bedragen. Slechts weinig lokale partners hebben aangegeven de gelden te willen verrekenen met toekomstige groepen, maar geen contant geld te kunnen teruggeven.

De grootste component van de reissom bestaat uit de retourvlucht van de [luchtvaartmaatschappij] op Paramaribo, die inmiddels vervroegd is uitgevoerd en waarmee de [luchtvaartmaatschappij] heeft voldaan aan haar vervoersverplichting zodat de [luchtvaartmaatschappij] niet (meer) hoeft te restitueren.

Daarnaast worden transportkosten hoofdelijk omgeslagen, zodat iedere deelnemer in het geval van restitutie 1/16 deel hiervan heeft ontvangen. In totaal ontving de ondernemer toezeggingen per deelnemer ter waarde van USD. 310,–, op basis waarvan de ondernemer de consument vervolgens € 290,– contant geld heeft aangeboden. De ondernemer heeft daarnaast uit coulance een kortingbon aangeboden voor € 300,–. Aangezien het hier een reeds aangevangen reis betreft, gaat het hier niet om een COVID-19-voucher die inwisselbaar is voor contant geld.

Beoordeling van het geschil
De commissie overweegt het volgende.

De consument verlangt van de ondernemer in hoofdlijn (terug)betaling van € 1.000,–. De consument legt daaraan in de kern ten grondslag dat de ondernemer tekort is geschoten door de reis tussentijds te beëindigen zonder een billijke vergoeding te betalen voor de door de consument niet genoten vakantiedagen.

De ondernemer weerspreekt niet dat zij de reis acht dagen na de aanvang ervan op 10 maart 2020 heeft beëindigd vanwege het COVID-19-virus, dat op 11 maart 2020 door de Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization) is omschreven als “pandemie”.

Uitgangspunt van het dwingendwettelijke artikel 7:511 BW is dat de reiziger recht heeft op een passende prijsverlaging voor iedere periode waarin er sprake was van non-conformiteit (lid 1) en op een passende vergoeding voor alle daardoor opgelopen schade tenzij de non-conformiteit te wijten is aan onvermijdbare en buitengewone omstandigheden (lid 2 onder c.).

Nu de non-conformiteit hier te wijten is aan de als onvermijdbare en buitengewone omstandigheid te kwalificeren COVID-19-pandemie, heeft de consument dus geen recht op zo’n schadevergoeding maar wel op zo’n passende prijsverlaging voor de periode dat sprake was van non-conformiteit.

Alles afwegend zal de commissie bepalen dat de ondernemer aan de consument een passende prijsverlaging van € 780,– moet (terug)betalen. De commissie oordeelt dat ter beëindiging van dit geschil ook redelijk en billijk.

De commissie komt tot de slotsom dat de klacht gegrond is. Op grond van het Reglement van de commissie moet de ondernemer (ook) het betaalde klachtengeld aan de consument vergoeden en behandelingskosten betalen.

De commissie beslist als volgt.

Beslissing
De commissie bepaalt dat de ondernemer aan de consument een passende prijsverlaging van € 780,– moet (terug)betalen.

Als de ondernemer dit niet binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies heeft (terug)betaald wordt dat bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf een maand na de verzenddatum van dit bindend advies tot de dag van volledige (terug)betaling.

De commissie bepaalt dat de ondernemer aan de consument bovendien het betaalde klachtengeld van € 127,50 moet vergoeden.

De commissie stelt vast dat de ondernemer tevens aan de commissie behandelingskosten verschuldigd is.

De commissie wijst het meer of anders door de consument verlangde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Reizen, bestaande uit mr. M.G.W.M. Stienissen, voorzitter, W.A.M. Hendrix en mr. P.C. de Klerk, leden, op 22 september 2020.