Er is meer dan 12 maanden verstreken tussen het moment waarop de klacht is voorgelegd aan de zorgaanbieder en het moment waarop zij haar klacht bij De Geschillencommissie aanhangig heeft gemaakt. Daarom kan de commissie de zaak niet behandelen

  • Home >>
  • Geestelijke Gezondheidszorg >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: (Niet) Ontvankelijkheid    Jaartal: 2018
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 116711

De uitspraak:

In het geschil tussen

[Klaagster], wonende te [plaats], gemachtigde: [naam gemachtigde], en Stichting Leviaan, gevestigd te Purmerend, (verder te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil

Naar aanleiding van het door de zorgaanbieder ingediende verweer heeft het secretariaat van de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) de zaak geagendeerd op een zitting ter beoordeling van de vraag of klaagster ontvankelijk kan worden verklaard in haar klacht. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken. Partijen zijn niet voor de zitting opgeroepen. De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2018 te Amsterdam.

Onderwerp van het geschil

Het onderwerp van het geschil betreft het project [naam project].

Bij het vragenformulier, ontvangen op 22 maart 2018 heeft klaagster het geschil aanhangig gemaakt tegen de zorgaanbieder. Klaagster vordert een schadevergoeding ten bedrage van € 25.000,– in verband met het moeten verlaten van haar woning die zij tijdens het project [naam project] mocht bewonen. Klaagster voert daartoe aan dat zij een sociale huurwoning voor onbepaalde tijd wil, vergoeding wenst van de door haar gemaakte verhuiskosten en reiskosten als ook een vergoeding van de behandeling van haar angstklachten.
Namens de commissie is de zorgaanbieder verzocht schriftelijk verweer te voeren tegen de vordering van klaagster. Hierop heeft de zorgaanbieder zich op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Standpunt van klaagster

Bij brieven van 3 augustus 2018 en 24 augustus 2018 heeft klaagster gereageerd op het standpunt van de zorgaanbieder dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. Kort en zakelijk gezegd stelt klaagster zich op het standpunt dat zij ontvankelijk is in haar klacht. De jongvolwassenen hebben het eerder in hun individuele gesprekken dan wel in groepsgesprekken herhaaldelijk en veelvuldig gehad over hun problematiek en hun bevindingen en ongenoegen geuit over het beleid dat na afronding van het project de woning diende te worden verlaten, voordat de gemachtigde van klaagster in beeld kwam. Op de brief namens de ex-bewoners aan de klachtencommissie van de zorgaanbieder d.d. 2 juni 2017 is door de zorgaanbieder nimmer inhoudelijk gereageerd. Er is alleen een uitnodig voor een gesprek uit voortgevloeid. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 14 juli 2017 met onder meer klaagster. De zorgaanbieder heeft hierop schriftelijk gereageerd met een gespreksverslag d.d. 11 augustus 2017. Het heeft niet geresulteerd in een passende oplossing.
De klachten hebben wel degelijk betrekking op de zorgaanbieder. De zorgaanbieder is specifiek verantwoordelijk voor de inhoud van de klachten zoals vermeld onder B tot en met H in de brief van 17 januari 2018. Klaagster verwijst daarbij naar het hiervoor genoemde gesprek d.d. 14 juli 2017. Het is bekend dat een aantal jongvolwassenen in het verleden een advocaat hebben gehad in bepaalde kwesties, dat staat hier echter los van en is hier niet relevant. De jongvolwassenen hebben in de praktijk de feitelijke en uitvoerende vakbekwaamheid van de veelvuldig wisselende coaches in meer of mindere mate, als een schromelijke tekortkoming ervaren.

Standpunt van de zorginstelling

De zorgaanbieder heeft zich bij haar brief van 27 juni 2018 op het standpunt gesteld dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht. De zorgaanbieder beroept zich hierbij op de art. 3 lid 2 juncto art. 5 lid 1 sub b en d juncto art. 6 sub b van het Reglement Geschillencommissie Zorg Algemeen.
Klaagster en de andere jongeren hebben eerst in maart 2017 hun zorgen c.q. klachten bij de zorgaanbieder ingediend. Op grond van art. 6 sub b van voornoemd reglement dient klaagster haar geschil binnen 12 maanden na de datum waarop klaagster de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig te maken. Het had op de weg van klaagster gelegen om voor maart 2018 het geschil aanhangig te maken. Klaagster heeft haar klacht evenwel eerst in april 2018 bij de commissie ingediend.
Daarnaast stelt de zorgaanbieder dat voor ontvankelijkheid van de klacht vereist is dat de betreffende klacht betrekking heeft op een overeenkomst tussen de zorgaanbieder en klaagster. De klachten van klaagster zien evenwel hoofdzakelijk op de inhoud en de gevolgen van de bewoningsovereenkomst tussen [naam woningcorporatie] en de jongeren. De klachten hebben, indien de zorgaanbieder klaagster op de juiste wijze heeft begrepen, in hoofdzaak geen betrekking op de overeenkomst gesloten tussen de zorgaanbieder en klaagster. Dit betreft de klachten onder A, B en C. In zoverre is klaagster niet-ontvankelijk in de klachten.
Ingevolge art. 5 lid 1 sub e van voornoemd reglement wordt klaagster niet-ontvankelijk verklaard indien zij geen redelijk belang heeft bij een uitspraak van de commissie. De klachten zien hoofdzakelijk op onvrede over het niet kunnen doorstromen naar een andere woning en dus niet op het door de zorgaanbieder uitgevoerde coachingstraject. De zorgaanbieder staat daar buiten.
Uit de stukken blijkt verder dat klagers reeds een procedure aanhangig hebben gemaakt bij de rechtbank om voor een langere periode in de woning te kunnen verblijven. Op grond van art. 5 sub b dient de commissie klaagster ambtshalve niet-ontvankelijk te verklaren.
Tot slotte stelt de zorgaanbieder zicht op het standpunt dat de klachten van onder meer klaagster tot op heden niet, dan wel niet voldoende zijn gespecificeerd. Dit maakt het voor de zorgaanbieder lastig om inhoudelijk en concreet op de klachten die jegens haar zijn geuit te reageren. In de brieven van de gemachtigde van onder meer klaagster wordt regelmatig in algemeenheden gesproken, sprekend over de klachten van meerdere jongeren (derhalve niet specifiek klaagster), waarbij de daadwerkelijk inhoudelijke klachten over de zorgaanbieder zelf, lastig te ontwaren zijn. De zorgaanbieder kan derhalve wel in zijn algemeenheid betwisten dat er sprake is van een tekortkoming aan haar zijde, nu zij meent haar verplichtingen behoorlijk te zijn nagekomen en te hebben gehandeld zoals van een redelijk en zorgvuldig handelend zorgverlener mag worden verwacht, maar meer specifiek op concrete stellingen van klaagster reageren wordt lastig, omdat deze concrete stellingen niet zijn geformuleerd.

Beoordeling van het geschil

Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

De commissie dient zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht tegen de zorgaanbieder.

Ingevolge art. 6 lid 1 onder b van het Reglement Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (hierna: het reglement) verklaart de commissie op verzoek van de zorgaanbieder – gedaan bij eerste gelegenheid – klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk indien zij haar geschil niet binnen 12 maanden na de datum waarop klaagster de klacht bij de zorgaanbieder indiende, bij de commissie aanhangig heeft gemaakt.

Klaagster heeft op het vragenformulier, ontvangen op 22 maart 2018, aangegeven dat zij reeds in november 2015 haar klachten aan de zorgaanbieder kenbaar heeft gemaakt en op 22 maart 2018 een klacht ingediend bij de commissie. Nu een periode van langer dan 12 maanden is verstreken tussen het moment waarop de klaagster heeft geklaagd bij de zorgaanbieder (november 2015) en het moment waarop zij haar klacht bij de geschillencommissie aanhangig heeft gemaakt (22 maart 2018) dient klaagster op grond van art. 6 lid 1 onder b van het reglement niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar klacht. Dat klaagster ook in maart 2017 haar klacht bij de zorgaanbieder heeft ingediend maakt het vorengaande niet anders.

Aan hetgeen partijen voor het overige hebben aangevoerd, komt de commissie niet toe.

Derhalve beslist de commissie als volgt.

Beslissing

De commissie verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg op 27 augustus 2018.