Gebroken mast. Ondernemer kan geen verwijt worden gemaakt.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden Huur en Verhuur Lig- en/of Bergplaatsen    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT00.067

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil vloeit voort uit de huur van een ligplaats voor een zeilboot voor de periode 1 april 1999 t/m 1 april 2000. Het geschil betreft de tijdens de winterberging aan de boot ontstane schade, ter zake waarvan de consument aanspraak maakt op een bedrag van ƒ 1.525,–.
 
De consument heeft zijn klacht op 17 augustus 2000 schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.
Standpunt van de consument
 
Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak:
 
De boot van de consument is gedurende de winterstalling bij de ondernemer beschadigd geraakt. In april 2000 werd de consument gebeld door een medewerker van de ondernemer met de mededeling dat de boot was aangetroffen met een gebroken mast. De consument vermoedt dat de mast is beschadigd door kinderen die gedurende de wintermaanden zeilles krijgen.
 
De consument meent dat de ondernemer uit hoofde van bewaarneming voor deze schade aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens de consument heeft de ondernemer onvoldoende toezicht op de boot gehouden, hetgeen hij baseert op het feit dat de schade is ontstaan.
 
Volgens de consument heeft de ondernemer zijn aansprakelijkheid afgewezen omdat de schade waarschijnlijk door spelende kinderen is veroorzaakt, doch de consument meent dat de ondernemer uit hoofde van bewaarneming juist ook aansprakelijk is voor schade door derden. De boot van de consument lag in de bovenste stelling in een afsluitbare loods. Om bij de boot te kunnen komen moest in de stelling geklommen worden. Het feit dat kinderen, althans derden, de gelegenheid kregen om in de stelling te klimmen en vervolgens de mast te beschadigen geeft naar het oordeel van de consument aan, dat er onvoldoende toezicht op de boten was en dat er onvoldoende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van schade. Ter zitting heeft de consument aangegeven dat hij de boot zelf niet verzekerd heeft in verband met de dagwaarde daarvan en hij verkeerde in de veronderstelling dat de ondernemer wel voor dergelijke schade verzekerd was.
 
Blijkens de door de consument overgelegde offerte van een derde bedragen de kosten van vervanging van de mast ƒ 1.525,–. De consument verlangt dat de vervangingswaarde van de mast door de ondernemer c.q. door diens verzekering wordt vergoed.
 
Standpunt van de ondernemer
 
Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak:
 
De boot van de consument lag al vanaf oktober 1998 in het stapelrek driehoog en is er in het zomerseizoen 1999 niet uitgeweest. De schade kan derhalve ontstaan zijn vanaf oktober 1998. Op het moment dat de ondernemer de boot uit het rek heeft gehaald en de schade constateerde, heeft hij direct de consument daarvan in kennis gesteld. De consument bleek de boot niet verzekerd te hebben. In nadien gevoerde gesprekken heeft de ondernemer als suggestie genoemd dat dit door kinderen van de zeilschool gedaan zou kunnen zijn, maar meer als voorbeeld. De ondernemer heeft dat zelf niet waargenomen. Als een boot zo lang op zo’n hoge plek ligt is de schuldige moeilijk vast te stellen.
 
In de zomermaanden is de loods overdag geopend, zodat klanten vrij hun boot in en uit kunnen rijden. De loods wordt overdag regelmatig gecontroleerd. In de winter is de loods op slot en wordt deze alleen op verzoek geopend. De ondernemer is er derhalve van overtuigd dat hij alles heeft gedaan om zo goed mogelijk toezicht te houden. Van de ondernemer kan tenslotte niet gevergd worden dat hij de loods continu bewaakt.
 
De ondernemer heeft een onderzoek laten instellen door zijn verzekeringsmaatschappij. Uit het expertiserapport van de verzekeringsmaatschappij blijkt het volgende. De mast was op een lengte van circa 1,5 meter vanaf de top finaal gebroken. Kleine open zeilboten, zoals de boot van de consument, worden met behulp van schotten in een speciaal daarvoor gemaakte geleidegoot met trailer en al op elkaar gestapeld. De boot van de consument was de bovenste. De mast ligt dan horizontaal deels op de boot en het voorste gedeelte steunt op de ondersteuning van de trailer. Door een zeilschool wordt gedurende een aantal maanden zeilles gegeven aan de jeugd. Mogelijk is het zo gegaan dat jongelui ontsnapt zijn aan de aandacht van de instructeur, in de stelling zijn geklommen en zich vast hebben gehouden aan het masttopje, waarbij dat is gebroken. In dat geval is de schade niet veroorzaakt door het personeel van de werf en niet aan de ondernemer toe te rekenen. Om die reden, alsmede omdat de schade hoger is dan de eigen bijdrage van de ondernemer, is de verzekeringsmaatschappij niet tot uitkering van de schade overgegaan. De schade wordt volgens het rapport begroot op ƒ 1.000,–.
 
Ter zitting heeft de ondernemer onder meer nog het volgende naar voren gebracht: de boot lag op ca. 3 meter hoogte. De zeilschool bevindt zich in een aangrenzende loods. De afspraak is dat de kinderen niet in de loods van de ondernemer komen. Aan de boot waren geen andere beschadigingen te zien.
 
De ondernemer is van mening dat hij, uit hoofde van de HISWA-voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen, niet voor deze schade aansprakelijk kan worden gesteld.
 
Beoordeling van het geschil
 
De Commissie heeft het volgende overwogen:
 
Het geschil betreft de vraag of de ondernemer aansprakelijk kan worden gesteld voor het feit dat de boot van de consument met een gebroken mast is aangetroffen, nadat deze gedurende 1½ jaar in een stapelrek driehoog in de loods van de ondernemer heeft gelegen. Het gaat derhalve in feite om de vraag, wat de reikwijdte is van de aansprakelijkheid van de ondernemer uit hoofde van de huur van een lig- of bergplaats.
 
De Commissie stelt voorop dat de omvang van de aansprakelijkheid van de ‘houder’ van een zaak (degene die een zaak voor een ander houdt) afhankelijk is van de overeenkomst waarin dit houderschap is gegoten. Verschillende varianten zijn denkbaar, met aan de ene kant de houder die geen enkele aansprakelijkheid op zich wil nemen (denk aan de bordjes: ‘de directie stelt zich niet aansprakelijk voor schade aan uw eigendommen…’) en aan de andere kant de bewaarnemingsovereenkomst (titel 7:9 BW), waarbij de bewaarnemer gehouden is de zaak terug te geven in de staat waarin hij deze heeft ontvangen (artikel 7:605 BW). In dat geval wordt in de regel een ontvangstbewijs (reçu) afgegeven waaruit blijkt in welke staat de zaak zich bij afgifte bevond.
 
De aansprakelijkheid van verhuurder van een lig- of bergplaats verschilt wezenlijk van die van de bewaarnemer, op wie een zwaardere zorgplicht rust. In de HISWA-voorwaarden is, na een zorgvuldige belangenafweging in overleg met HISWA Vereniging, de Consumentenbond en de ANWB, gekozen voor de regeling in artikel 8 van de HISWA-voorwaarden huur en verhuur lig- en/of bergplaatsen. Daaruit volgt dat de verhuurder van een lig- of bergplaats weliswaar een zekere verantwoordelijkheid draagt, doch geen volledig risico. Er dient sprake te zijn van een bepaalde mate van schuld (verwijtbaarheid) van de ondernemer. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de schade is ontstaan door toedoen van één van zijn medewerkers. In nauwe samenhang hiermee bepalen de voorwaarden dat de verhuurder ‘behoorlijk toezicht’ dient te houden (artikel 7 lid 2).
 
Het voorgaande brengt mee dat de schade pas aan de ondernemer is toe te rekenen indien de consument aantoont dat er sprake is van een bepaalde mate van verwijtbaarheid c.q. onvoldoende toezicht. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de Commissie van oordeel dat dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De Commissie acht met name de volgende omstandigheden van belang:
– de boot bevond zich in een stapelrek driehoog, op een hoogte van circa 3 meter;
– aangezien de consument in de zomer van 1999 niet naar de boot heeft omgekeken, heeft deze daar 1½ jaar gelegen, zodat de schade ontstaan kan zijn tussen oktober 1998 en april 2000;
– niet aannemelijk is dat de schade is ontstaan bij het in- en uittakelen van de boot naar die stelling, aangezien dat gezien de aard van de schade (gebroken mast) opgevallen zou moeten zijn en er dan ook andere schade aanwezig zou zijn geweest, hetgeen niet het geval was;
– de loods is op normale wijze toegankelijk: in de zomermaanden is de loods overdag geopend, zodat huurders vrij hun boot in en uit kunnen rijden. Ook wordt de loods overdag regelmatig gecontroleerd. In de winter is de loods op slot en wordt alleen op verzoek geopend;
– de mast kan slechts gebroken zijn door een aanzienlijke krachtinspanning. Aannemelijk is dat er sprake is geweest van opzettelijk toedoen, wellicht door meer dan één persoon;
– mogelijk, doch niet zeker, is de schade ontstaan door toedoen van kinderen van de zeilschool in de aangrenzende loods. In dat geval moeten de kinderen ontsnapt zijn aan het toezicht van de instructeur, naar de boot zijn gelopen, driehoog in de stelling zijn geklommen en met meerdere personen met volle kracht aan de mast hebben gehangen. Onvoldoende gebleken is dat het zo is gegaan. Bovendien is het de vraag op grond waarvan de ondernemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt, nu de zeilschool niet aan de werf is verbonden.
 
Een en ander afwegende kan de Commissie slechts tot de conclusie komen dat niet gebleken is dat de ondernemer terzake van de schade een verwijt te maken valt. De oorzaak van de breuk is daarmee niet gegeven, doch de Commissie acht het niet tot haar taak en evenmin tot haar mogelijkheden om de oorzaak te achterhalen. Wel merkt de Commissie in dit verband op dat het op de weg van de huurder van een lig- of bergplaats is om zijn schip tegen dergelijke schade te verzekeren. Het staat de consument geheel vrij om daarvan af te zien, doch dat brengt niet mee dat hij eventuele schade op de ondernemer kan verhalen. 
 
Ten aanzien van het argument van de consument dat de schade wellicht niet zou zijn ontstaan indien de ondernemer de boot in de zomer buiten had gelegd, merkt de Commissie op dat dat zeer onwaarschijnlijk is. In het algemeen geldt dat een schip hoog in een loods veiliger is dan buiten. Het ligt dan niet alleen op ooghoogte, zoals de consument aangaf, doch ook op boot- en stoothoogte. Ook is buiten meer publiek aanwezig en is de boot voor eventuele kwaadwillenden makkelijker bereikbaar. Bovendien rijst de vraag waarom de ondernemer de boot naar buiten zou moeten halen indien de consument in de zomer niet komt opdagen. Het wijst er eerder op dat de ondernemer de consument juist tegemoet heeft willen komen door de boot binnen te laten liggen. In het algemeen zal het voor de eigenaar van de boot immers te prefereren zijn indien de boot, indien daarvan een seizoen geen gebruik wordt gemaakt, in de loods blijft liggen, zeker indien dat betekent in een stapelrek driehoog.
 
Op grond van het voorgaande is de Commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.
 
Beslissing
 
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.
 
Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 18 januari 2001.