Geen adequate behandeling in gratieverzoek

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Tekortkoming in de uitvoering opdracht    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV09-0148

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de advocaat ter zake een gratieverzoek en de door de cliënt gevorderde schadevergoeding.   Standpunt van de cliënt   Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt zijn klacht op het volgende neer.   Volgens de cliënt zou de advocaat een gratieformulier opsturen hetgeen de advocaat heeft verzuimd. Daardoor heeft de cliënt twintig dagen vastgezeten. Vanwege zijn traumatische ervaringen in het verleden heeft de cliënt de detentie als zeer belastend ervaren. Op grond van het voorgaande verzoekt de cliënt de commissie in redelijkheid en billijkheid een vergoeding vast te stellen.   Standpunt van de advocaat   Voor de stelling van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het verweer van de advocaat op de klacht van de cliënt op het volgende neer.   De advocaat heeft het gratieverzoek ingediend. Op het moment dat bij hem bekend werd dat de cliënt was aangehouden, heeft de advocaat nogmaals het gratieverzoek, dat tevens een schorsingsverzoek van de tenuitvoerlegging inhield, opgestuurd. De advocaat stelt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat bij de cliënt nieuwe of andere psychische klachten zijn opgetreden als gevolg van de detentie.   Op grond van het voorgaande verzoekt de advocaat de commissie om de klacht van de cliënt ongegrond te verklaren.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   Centraal staat de vraag of de advocaat een verwijt valt te maken dat de cliënt twintig dagen in detentie heeft gezeten als gevolg van het niet, althans niet tijdig, indienen van het gratieverzoek. De commissie is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De commissie overweegt daartoe als volgt.   Vast staat dat de cliënt zich tot de advocaat heeft gewend voor het indienen van een gratieverzoek. De advocaat zou zorgdragen voor het invullen en opsturen van het gratieformulier aan [het ministerie]. Naar aanleiding van de aanhouding van de cliënt op 9 april 2008 heeft de advocaat van [het ministerie] bericht ontvangen dat het gratieverzoek niet bekend zou zijn. Daarop heeft de advocaat opnieuw het gratieverzoek naar [het ministerie] verstuurd. Op 10 april 2008 heeft de advocaat hiervan een bevestiging ontvangen. Het ingediende schorsingsverzoek voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de straf is afgewezen. De cliënt heeft uiteindelijk 20 dagen vastgezeten. Op 2 juni 2008 heeft [het ministerie] het gratieverzoek buiten behandeling gesteld aangezien de cliënt reeds de vrijheidsstraf waartegen het gratieverzoek was gericht heeft ondergaan. Gelet op het vorenstaande, de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat de aanpak van de advocaat niet als adequaat kan worden aangemerkt. Het lag op de weg van de advocaat om voortvarendheid te betrachten in de afhandeling van de zaak. Naar het oordeel van de commissie had de advocaat zich actiever moeten opstellen. Zo had de advocaat op eigen initiatief bij [het ministerie] naar de stand van zaken omtrent het gratieverzoek kunnen vragen. Het is de commissie ambtshalve bekend dat door [het ministerie] een ontvangstbevestiging wordt gestuurd van een gratieverzoek. Dit wordt ondersteund door de mededeling van de kantoorgenoot van de advocaat dat hij van het tweede gratieverzoek een ontvangstbevestiging heeft ontvangen, zoals vermeld in de brief van 25 juni 2008. Uit hoofde van zijn functie dient de advocaat zorg te dragen voor het (tijdig) versturen van correspondentie, in casu het gratieverzoek aan [het ministerie] en dat deze door de geadresseerde wordt bereikt. Het vorenstaande alsmede de door de cliënt in het verleden ondergane traumatische ervaring tijdens zijn gevangenschap in [het buitenland], had voor de advocaat naar het oordeel van de commissie aanleiding moeten zijn om extra alertheid aan de dag te leggen. In weerwil van de stellingen van de advocaat stelt de commissie dan ook vast dat het gratieverzoek niet, althans niet tijdig is ingediend waardoor de cliënt de vrijheidsstraf heeft moeten uitzitten. Indien het gratieverzoek tijdig was ingediend had de cliënt de detentie niet hoeven ondergaan. De advocaat heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt, dat hij reeds vóór 9 april 2008 een gratieverzoek had gedaan.   Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat in deze dan ook niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht zodat de klacht van de cliënt gegrond is. Gelet op de hiervoor genoemde onvoldoende adequate behandeling van de zaak door de advocaat acht de commissie het redelijk en billijk om te bepalen dat de advocaat aan de cliënt een vergoeding dient te voldoen. De commissie acht het alleszins redelijk om bij de bepaling daarvan aansluiting te zoeken bij de forfaitaire vergoeding ter zake ten onrechte ondergane detentie, zijnde € 80,– per dag. Nu de cliënt onweersproken heeft gesteld dat hij twintig dagen detentie heeft moeten ondergaan, stelt de commissie de vergoeding vast op € 1.600,–. In het licht van het vorenstaande zal de commissie eveneens bepalen dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd. De commissie acht het niet gerechtvaardigd dat de cliënt nog een bedrag van € 120,– aan de advocaat dient te voldoen, zoals door de advocaat is betoogd.   Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard ziet de commissie daarin aanleiding de advocaat te veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld derhalve een bedrag van € 100,–. Bovendien dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage van € 115,– in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.   Voor zover de cliënt heeft bedoeld immateriële schadevergoeding, behoudens de hiervoor bedoelde 20 dagen detentie, te vorderen van de advocaat, zal de commissie dat afwijzen. De cliënt heeft niet aannemelijk gemaakt door het handelen of nalaten van de advocaat verdere immateriële schade te hebben geleden. Bovendien heeft de cliënt nagelaten deze schade nader te onderbouwen.   Hetgeen partijen ieder voor zich verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft – naar het oordeel van de commissie – geen verdere bespreking, nu dat niet tot een ander oordeel kan leiden.   Derhalve dient als volgt te worden beslist.   Beslissing   De commissie bepaalt dat de cliënt niets meer aan de advocaat is verschuldigd. De advocaat dient aan de cliënt een bedrag van € 1.600,– te voldoen, welke betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt dient de advocaat bovendien de wettelijke rente over dit bedrag te betalen vanaf de verzenddatum van dit bindend advies.   Overeenkomstig het reglement van de commissie dient de advocaat het klachtengeld aan de cliënt, die deze kosten heeft voldaan, ter hoogte van € 100,– te vergoeden.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag van € 115,– verschuldigd.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 6 januari 2010.