Geen medische noodzaak om kapotte borstprothesen binnen een jaar te verwijderen

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On) zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 55950/110492

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Tijdens een onderzoek in 2018 werd ontdekt dat er een scheur zat in de borstprothesen van de cliënte, terwijl er tijdens een eerder onderzoek in 2017 gezegd werd dat er niks te zien was. Dit bleek achteraf een fout. De chirurg gaf aan dat de prothesen binnen een jaar verwijderd moesten worden, maar het heeft tot eind 2018 geduurd voordat de zorgaanbieder de prothesen kon verwijderen. Daarnaast zijn de prothesen niet opgestuurd naar de fabrikant zoals wel de afspraak was. Volgens de zorgaanbieder is er niet per definitie een medische noodzaak om kapotte prothesen te verwijderen en heeft dit geen haast. Daarnaast is behandeling vertraagd door onder andere een vakantie en werkzaamheden van de cliënt. Ook zijn de prothesen wel opgestuurd. De commissie oordeelt dat de zorgaanbieder niet verweten kan worden dat de diagnose niet al bij het eerste onderzoek is gesteld. Ook heeft de operatie uiteindelijk binnen een jaar plaatsgevonden terwijl hier niet per definitie een medische reden voor is en heeft de zorgaanbieder voldoende onderbouwd waarom de behandeling vertraagd was. Daarnaast zijn de prothesen wel opgestuurd naar de fabrikant. De commissie oordeelt daarom dat de klacht ongegrond is.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen

[Cliënt], wonende te [woonplaats]

en

Stichting Gelre Ziekenhuizen, gevestigd te Apeldoorn
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling van het geschil. Daarom heeft de commissie het geschil afgedaan op basis van de stukken.

De behandeling door de commissie heeft plaatsgevonden op 10 november 2021 te Utrecht.

Onderwerp van het geschil
De cliënt heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

In april 2018 is vastgesteld dat de borstprothesen van de cliënt lekken. Om die reden moesten de prothesen worden verwijderd.

Het geschil gaat over de onderdiagnosticering in 2017 en de lange wachttijd tussen het moment waarop de diagnose is gesteld en de operatie kon worden uitgevoerd.

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Op 24 oktober 2017 heeft de cliënt een echografisch onderzoek gehad van haar borstprothesen. Aanvullend heeft een MRI-onderzoek plaatsgevonden op 15 november 2017. De cliënt kreeg te horen dat de uitslagen geen bijzonderheden lieten zien.

Op 20 april 2018 heeft de cliënt opnieuw een echografisch onderzoek gehad in verband met klachten. Toen bleek dat er sprake was van een ruptuur in een prothese, hetgeen een indicatie geeft voor de verwijdering ervan. De zorgaanbieder heeft aangegeven dat achteraf gezien de ruptuur ook al te zien was op de MRI van november 2017.

Volgens de plastisch chirurg is het belangrijk dat de prothesen binnen een jaar worden verwijderd. Het heeft lang geduurd voordat de zorgaanbieder een datum voor de operatie heeft vastgesteld. Pas op 4 oktober 2018 konden de oude prothesen worden verwijderd en worden vervangen door nieuwe. De cliënt stelt dat zij door deze handelwijze van de zorgaanbieder opdrachten voor haar onderneming heeft misgelopen, omdat ze die niet wilde aannemen in afwachting van een operatie.

Een tweede klacht gaat over het opsturen van de prothesen. Ze zouden naar [fabrikant prothese] worden opgestuurd, maar dat is niet gebeurd.

De cliënt eist een vergoeding voor de pijn en angst die zij heeft geleden ter hoogte van € 4.999,–.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De zorgaanbieder wijst de eis tot schadevergoeding af. Er kan getwijfeld worden aan de medische noodzaak om lekkende borstprothesen te verwijderen. Daarover bestaat geen wetenschappelijke consensus. Toch heeft de plastisch chirurg verwijdering aanbevolen, omdat een ruptuur zoals bij de cliënt makkelijker te behandelen is dan te wachten tot de lekkage verergert. Er was geen haast geboden bij deze behandeling.

De behandeling heeft op zich laten wachten. Dat had voor de zorgaanbieder te maken met een tekort aan personeel, maar ook met de geplande vakanties van zowel de cliënt als de chirurg. De cliënt had zelf te kennen gegeven dat een operatie het beste kon plaatsvinden na 25 september 2018 vanwege haar werkzaamheden.

De zorgaanbieder heeft uitgelegd dat zij de prothesen wel degelijk naar [fabrikant prothese] heeft opgestuurd. In januari 2020 heeft de zorgaanbieder nog contact opgenomen met [fabrikant prothese]. De zorgaanbieder heeft daarna aan de cliënt bericht dat [fabrikant prothese] de prothesen nog ‘in behandeling heeft’.

Beoordeling van het geschil
De commissie verklaart de klacht ongegrond. Daartoe heeft de commissie het volgende overwogen.

De gemiste diagnose
De zorgaanbieder heeft op 20 april 2018 vastgesteld dat bij de cliënt sprake is van een intracapsulaire ruptuur van haar borstprothesen. Achteraf bekeken had de zorgaanbieder die diagnose mogelijk al kunnen vaststellen op basis van het beeldvormend onderzoek van eind 2017. Die situatie stelt de vraag aan de orde of de zorgaanbieder het verwijt valt te maken van een gemiste diagnose, zoals de cliënt aan haar klacht ten grondslag legt of lijkt te leggen. De commissie beantwoordt die vraag ontkennend.

Het beeldvormend onderzoek van eind 2017 heeft geleid tot een ‘vals negatief’ resultaat. Dat betekent dat de radioloog een ruptuur heeft uitgesloten (negatief), terwijl er wel degelijk sprake was van een ruptuur (vandaar vals negatief). Een vals negatief resultaat bij het opsporen van een ruptuur aan borstprothesen aan de hand van een echografie en een MRI komt vaker voor. De techniek werkt niet feilloos, dat wil zeggen dat niet iedere lekkage 100% zichtbaar is (geen 100% sensiviteit en specifiteit). De diagnostisering is (daardoor) sterk afhankelijk van de ervaring van de radioloog. Dat de radioloog eind 2017 de diagnose heeft gemist, is daarom geen fout van de zorgaanbieder.

De wachttijd op een operatie.
Het is voorstelbaar dat de cliënt op 20 april 2018 is geschrokken van het bericht dat er tóch sprake is van een ruptuur en dat daarvoor een operatie noodzakelijk is, mede gelet op de actuele negatieve focus op borstprothesen. Het is te begrijpen dat de cliënt de operatie op korte termijn verwachtte. De zorgaanbieder heeft echter voldoende uitgelegd dat er geen spoedindicatie voor een operatie was. De commissie deelt de opvatting van de zorgaanbieder dat er geen overeenstemming binnen de medische wetenschap bestaat dat a) verwijdering noodzakelijk is en b) die verwijdering binnen één jaar moet plaatsvinden. Wat er ook van zij, vaststaat dat de verwijdering feitelijk binnen een jaar na het beeldvormend onderzoek van eind 2017 heeft plaatsgevonden. Er is dus overeenkomstig het advies van de chirurg gehandeld. Bovendien was de zorgaanbieder mede afhankelijk van de vakantieplanning van zowel de cliënt als de chirurg. De zorgaanbieder is daarom niet aansprakelijk voor de schade die de cliënt zegt te hebben geleden vanwege de pijn, angst en onzekerheid die zij heeft gehad in de periode van april tot en met oktober 2018.

Prothesen opgestuurd?
De zorgaanbieder zegt dat zij de prothesen wel degelijk heeft opgestuurd naar [fabrikant prothese]. Zij heeft in januari 2020 zelfs nog geïnformeerd naar de stand van zaken. De commissie kan die bewering van de zorgaanbieder niet controleren. Het is echter aan de cliënt om aannemelijk te maken dat de prothesen niet zijn opgestuurd. Zij verbindt immers gevolgen aan haar stelling en heeft daarom de bewijslast. De commissie is van oordeel dat de cliënt niet aannemelijk heeft gemaakt dat [fabrikant prothese] de prothesen niet heeft ontvangen door toedoen van de zorgaanbieder en of dat de zorgaanbieder daarvoor aansprakelijk is. De commissie heeft geen reden om te twijfelen aan uitleg van de zorgaanbieder dat de prothesen wel zijn opgestuurd.

De conclusie
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Daarom wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de cliënt verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit mr. A.D.R.M Boumans, voorzitter, dr. M-B. Bouman, J. Donga, leden, in aanwezigheid van mr. C.J.H. Terwal, secretaris, op 10 november 2021.