Geen nalatigheid bij opvang cliënt met verstandelijke beperking en autisme

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Geestelijke Gezondheidszorg    Categorie: Zorgvuldigheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 120750

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

Cliënt is verstandelijk beperkt en heeft autisme. Zijn vertegenwoordigers zijn van mening dat hij tijdens zijn verblijf op de gesloten afdeling meer toezicht en zorg hand moeten krijgen. De zorginstelling had kunnen voorkomen dat cliënt een medewerkster aanviel. De zorgaanbieder geeft aan dat cliënt coulancehalve is opgenomen, omdat nauwelijks crisisopnameplaatsen zijn voor cliënten met een verstandelijke beperking. Volgens de zorgaanbieder zijn de medewerkers niet nalatig geweest. Bij incidenten doet de zorgaanbieder altijd aangifte. De commissie stelt geen nalatigheid bij de zorgaanbieder vast. Wel had de zorgaanbieder beter moet rapporteren over de onmogelijkheid om adequate verzorging te verlenen in verband met de veiligheid van de medewerkers. En had de zorgaanbieder de familie eerder kunnen infomeren over de aangifte.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënt], wonende te [plaats], en Stichting Dimence Groep, gevestigd te Deventer (verder te noemen: de zorginstelling).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten. De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Het geschil is ter zitting behandeld op 12 juli 2019 te Zwolle. Partijen zijn tijdig en behoorlijk opgeroepen ter zitting te verschijnen.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De zorginstelling werd ter zitting vertegenwoordigd door [namen juridisch adviseurs].

De cliënt werd vertegenwoordig door [naam zus van de cliënt] en [naam vader en tevens mentor en bewindvoerder van de cliënt].

Onderwerp van het geschil
Het geschil ziet op de verzorging die de cliënt heeft gekregen in de periode dat hij bij de zorginstelling heeft verbleven en de tegen hem ingediende aangifte door de zorginstelling. 

Standpunt van de cliënt
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar het klacht met bijlagen die op 21 oktober 2018 is ontvangen. Puntsgewijs betreffen de klachten de volgende onderwerpen:

  • Nalatigheid in de verzorging;
  • Het indienen van een aangifte tegen de cliënt (welke inmiddels is geseponeerd);
  • De familie heeft geleden onder de situatie en de onrechtvaardige omgang. 

Ter zitting hebben de vertegenwoordigers van de cliënt hun standpunt nader toegelicht en hebben op hoofdlijnen het volgende aangevoerd. De cliënt is verstandelijk beperkt en heeft autisme. Hij had tijdens zijn verblijf op de gesloten afdeling van de zorginstelling meer toezicht en zorg moeten krijgen. 

Er is toegegeven door de zorginstelling dat er sprake is van bezuinigingen waardoor niet de nodige zorg geboden kan worden. Als er zoals gesteld continue (camera)toezicht is, hoe heeft het incident op 20 februari 2018, waarbij de cliënt een medewerkster heeft aangevallen, dan kunnen gebeuren. 

In het verweerschrift worden veel verwijten gemaakt naar anderen toe, maar er wordt niet naar eigen handelen gekeken. Het was al langere tijd bekend dat de cliënt erg onrustig kon zijn naar deze betreffende medewerkster. Het was duidelijk dat zij beter uit elkaar gehouden konden worden. 

De zorginstelling is zelf verantwoordelijk voor het incident dat heeft plaatsgevonden, dat tot de aangifte heeft geleid. De zorginstelling had kunnen voorkomen wat er is gebeurd. Het had geen enkel doel om de cliënt aan te klagen, daar kan hij niets van leren. De aangifte die is gedaan en het verhoor waaraan de cliënt onderworpen zou worden waren veel te belastend voor hem. Door zijn verstandelijke beperkingen kan hij de informatie niet aan. 

De persoonlijke verzorging van de cliënt liet veel te wensen over. Een aantal keer heeft de familie de cliënt vervuild aangetroffen. Eén keer heeft de cliënt lang in een vervuilde broek gestaan. De familie heeft meermaals zelf de cliënt gedoucht en verschoond. 

Het ging voor de familie om veiligheid en verzorging. Dat zijn basiszaken, een diepgaande autisme aanpak werd niet verwacht.

De familie vordert schadevergoeding, begroot op € 4.834,40. Dit bedrag bestaat uit reiskosten, mantelzorg en emotionele en psychische schade. 

Standpunt van de zorginstelling
Voor het standpunt van de zorginstelling verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, in het bijzonder naar de uitgebreide schriftelijke reactie op de klacht d.d. 18 juni 2019. In de kern komt dit standpunt op het volgende neer.

De cliënt is op 29 januari 2019 in een crisis geraakt, waarna hij uit coulance is opgenomen bij de zorginstelling. De cliënt hoort hier gelet op zijn verstandelijke beperking niet thuis, maar omdat er nauwelijks crisisopnameplaatsen in een instelling voor cliënten met een verstandelijke handicap zijn, is uitgeweken naar een alternatief, zoals in dit geval de zorginstelling. Dit is een noodgreep om de cliënt tijdelijk op te kunnen vangen. De medewerkers van de zorginstelling hebben zich ingespannen om te proberen vanuit goed hulpverlenerschap de cliënt een (tijdelijke) plek te bieden en voor hem te zorgen. De cliënt is geholpen bij toiletgang, douchen, bed opmaken, kamer opruimen en samen koken. Ook is de nodige somatische zorg aan de cliënt verleend. Ook heeft de hulpverlening van de zorginstelling zich ingespannen om te onderzoeken welke alternatieven mogelijk zijn voor de cliënt. Er is voortdurend getoetst of de behandeling van de cliënt bij de zorginstelling voldeed aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid. De zorginstelling herkent zich niet in de klacht dat haar medewerkers nalatig zijn geweest. De zorginstelling begrijpt dat voor de cliënt andere zorg beter geïnitieerd zou zijn echter die specifieke zorg was niet direct voor handen.

Voor wat betreft de aangifte tegen de cliënt stelt de zorginstelling dat het beleid is van de zorginstelling om van een dergelijk incident altijd aangifte te doen. De zorginstelling stelt en handhaaft haar standpunt dat de veiligheid voor een ieder geborgd moet zijn. Het is verder niet aan de zorginstelling wat er vervolgens met een aangifte gebeurt. Dat in dit geval geen vervolging is ingesteld tegen de cliënt is een beslissing van de Officier van Justitie en valt buiten de verantwoordelijkheid van de zorginstelling.

De zorginstelling verzoekt de vordering tot schadevergoeding af te wijzen vanwege het ontbreken van causaal verband tussen de immateriële schade en het ontslag van de cliënt op 15 maart 2018. Daarnaast kan de zorginstelling niet gehouden zijn kosten te vergoeding gerelateerd aan de maanden volgend op het ontslag, toen de cliënt dus niet meer bij de zorginstelling verbleef. Daarnaast ontbreekt een feitelijke onderbouwing van bijvoorbeeld de opgevoerde 138 uren mantelzorg. 

Ter zitting reageert de zorginstelling nog op de klacht dat de cliënt meerdere malen niet tijdig verschoont zou zijn en eenmaal langdurig in vervuilde kleding heeft gezeten. De zorginstelling geeft aan dat er goede redenen waren om de cliënt niet te verschonen op dat moment, gelet op de veiligheid van de medewerkers. Er is niet gerapporteerd in de voortgangsrapportage dat en waarom niet is overgegaan tot het verlenen van persoonlijke verzorging. 

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het door partijen over en weer gestelde overweegt de commissie het volgende.

Bij de beoordeling van deze klacht geldt het volgende beoordelingskader. 

De overeenkomst die is gesloten tussen de cliënt en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundig behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De verplichting die voor een hulpverlener (in dit geval de zorginstelling) voortvloeit uit een zorgovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de hulpverlener moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de hulpverlener zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen, of bij de inspanning een fout heeft gemaakt. Indien voldoende aannemelijk is dat de zorginstelling jegens de cliënt toerekenbaar tekort is geschoten in de zorgplicht, waardoor de cliënt schade heeft geleden, kan de zorginstelling hiervoor aansprakelijk worden gesteld. Voor aansprakelijkheid van de zorginstelling is vereist dat voldoende aannemelijk is dat deze tekort is geschoten in de uitvoering van de zorgovereenkomst. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder verweten kunnen worden en de cliënt moet daarvan nadeel hebben ondervonden.

De commissie dient te oordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met de cliënt.

Nalatigheid in de verzorging

De zorginstelling is niet toegerust in de opvang van mensen met een lichte verstandelijke beperking zoals de cliënt en heeft dit ook aangegeven. 

Dat neemt niet weg dat de zorginstelling er wel toe is overgegaan om de cliënt op te nemen en daardoor gehouden is de daarmee gesloten behandelingsovereenkomst naar beste kunnen uit te voeren. In de klacht wordt aangegeven dat de cliënt meerdere keren vervuild werd aangetroffen door de familie. De hiervoor aangedragen reden van de zorginstelling dat het op dat moment niet mogelijk was hem te verschonen gelet op de veiligheid van de medewerkers, is op zich niet onbegrijpelijk. De commissie ziet in het dossier en wat door partijen tijdens de zitting naar voren is gebracht, onvoldoende aanknopingspunten om dit onderdeel van de klacht gegrond te verklaren. Ook het feit dat de familie aangeeft regelmatig zelf de cliënt te moeten verzorgen en verschonen, kan geen reden zijn voor gegrondverklaring van dit onderdeel. 

De commissie merkt op dat de rapportage dienaangaande -de onmogelijkheid om adequate verzorging te verlenen in verband met de veiligheid van medewerkers- hierover niets meldt. Dit zou naar de commissie voorkomt anders moeten. 

Gelet op het bovenstaande verklaart de commissie dit onderdeel van de klacht ongegrond. 

Ingediende aangifte

Zoals door de zorginstelling is aangegeven, is het beleid bij de zorginstelling om aangifte te doen van een geweldsincident. De commissie acht dit beleid begrijpelijk, echter het is wel van groot belang met een zo’n ingrijpende maatregel als het doen van een aangifte zeer zorgvuldig om te gaan. Deze zorgvuldigheid laat naar het oordeel van de commissie te wensen over. Zo is het voor de zorginstelling niet mogelijk antwoord te geven op de vraag door/namens wie de aangifte is gedaan. Hiervan ontbreekt kennelijk enige registratie/overzicht. Daarnaast wordt in de voortgangsrapportage van 

19 februari 2018 slechts heel summier melding gemaakt van het incident. Er wordt aangegeven dat de cliënt een vrouwelijke collega aanvloog. Er kwamen snel collega’s ter plaatse waardoor erger werd voorkomen. Op dat moment waren de vader en de zus van de cliënt aanwezig. Zij gaven aan het incident erg vervelend te vinden, er werd begrip getoond voor de familie, aldus de voortgangsrapportage. Op dit moment of op een later moment is niet bij de familie aangegeven wat het beleid is van de zorginstelling, namelijk dat hiervan aangifte gedaan zou worden bij de politie. De familie werd pas in kennis gesteld van de aangifte nadat de aangifte reeds was gedaan en zij hiervan thuis een brief ontvingen van de politie. De commissie overweegt dat deze gang van zaken voor de familie zeer vervelend moet zijn geweest en zij hiervan erg geschrokken zijn. Het mag van de zorginstelling verwacht worden dat zij onder de omstandigheden van dit geval (kort gezegd: een cliënt

met verstandelijke beperking en autisme), indien zij een aangifte indienen jegens een cliënt, hiervan de familie op de hoogte stellen. Daarnaast is een vollediger rapportage van een dergelijk incident gewenst, omdat met dergelijke summiere informatie moeilijk is vast te stellen wat er gebeurd is. 

Hoewel het naar het oordeel van de commissie, zoals hierboven aangegeven, te billijken is dat het beleid is van de zorginstelling om van geweldsincidenten aangifte te doen, kan de zorginstelling zich ook de vraag stellen of er door de zorginstelling wellicht anders gehandeld had moeten worden. Indien het duidelijk was dat de cliënt onrustig werd van de betreffende medewerkster die hij heeft aangevallen, was het wellicht raadzaam deze medewerkster niet bij hem in de buurt te laten of te zorgen voor extra toezicht. De commissie kan onvoldoende uit het dossier afleiden wat de toedracht is geweest van het incident en hoe de zorginstelling hier mee is omgegaan en zal zich hierover dan ook verder geen oordeel vormen. 

Wel overweegt de commissie, gelet op bovenstaande, dat de informatievoorziening richting de familie rond de aangifte gebrekkig is geweest maar dit is onvoldoende om tot gegrondheid van de klacht te oordelen. Dit onderdeel heeft ook geen betrekking op het uitvoeren van de behandelingsovereenkomst. 

Schadevergoeding

Nu de commissie van oordeel is dat onvoldoende is aangetoond dat sprake is van een tekortschieten in de uitvoering van de zorgovereenkomst, hetgeen aan de zorgaanbieder verweten kan worden en waarvan de cliënt nadeel heeft ondervonden, is er geen grondslag voor het toekennen van schadevergoeding. De commissie zal deze vordering daarom afwijzen. 

Dit brengt mee dat als volgt dient te worden beslist.

Beslissing
De commissie:

  • verklaart de klachten van de cliënt ongegrond; 
  • wijst af de vordering tot schadevergoeding.

Aldus beslist op 12 juli 2019 door de Geschillencommissie Geestelijke Gezondheidszorg, bestaande uit de heer mr. C.J.R. de Locht, voorzitter, de heer E. Krist en de heer J. Zomerplaag, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. M. Gardenier, secretaris.