Geen risico geschetst; zinloze procedure

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Opdracht    Jaartal: 2014
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV07-0172

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil   Het geschil betreft de kwaliteit van dienstverlening van de advocaat ter zake een arbeidsgeschil van de cliënt en de gevorderde schadevergoeding door de cliënt.   Standpunt van de cliënt   Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak als volgt.   De cliënt is met de advocaat een overeenkomst tot dienstverlening aangegaan. De zaak betrof een arbeidsgeschil. De cliënt stelt dat hij eind 2003 heeft ingestemd met het advies van de advocaat om het hoger beroep dat hij had aangespannen tegen zijn voormalige werkgever in te trekken. Volgens de advocaat was dit verstandig om verdere kosten te voorkomen, aangezien volgens de advocaat de voormalige werkgever geen verhaal bood. De advocaat had eerder aangegeven dat de cliënt een goede kans maakte een eventueel hoger beroep te winnen. De advocaat heeft de zaak bij de rechtbank niet zelf verdedigd, in plaats daarvan heeft hij een voor de cliënt volledig vreemde kantoorgenoot naar de rechtbank gestuurd.   De advocaat heeft een inschattingsfout gemaakt. De belangrijkste getuige mocht zich niet laten zien in de rechtbank. De advocaat ging er helemaal van uit dat voor haar getuigenis later nog een mogelijkheid zou komen, hetgeen niet het geval is geweest. Begin april 2007 ontving de cliënt rechtstreeks een brief van de advocaat van de wederpartij, omdat hij van de advocaat geen enkele reactie ontving. Uit deze brief bleek dat op 25 januari 2007 een uitspraak was gedaan in een hoger beroep zaak. Het hoger beroep dat 3,5 jaar geleden ingetrokken zou zijn, had dus kennelijk toch plaatsgevonden. Er waren geen grieven aangevoerd en het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard. De cliënt is daarbij veroordeeld in de proceskosten ten bedrage van € 3.386,–. Aangezien de hele zaak met de voormalige werkgever de cliënt psychisch en financieel zwaar heeft getroffen, heeft hij uiteindelijk het bedrag van € 3.386,– overgemaakt. Ter zitting is namens de cliënt gesteld dat indien duidelijk was dat de cliënt in ieder geval proceskosten (griffierechten en procureurskosten) had moeten voldoen, hij waarschijnlijk het hoger beroep had gehandhaafd.   Op grond van het voorgaande verzoekt de cliënt de commissie een vergoeding vast te stellen van € 3.386,–.   Standpunt van de advocaat   Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak als volgt.   De advocaat heeft geen schriftelijk verweer gevoerd tegen de klachten van de cliënt. Ter zitting heeft de advocaat mondeling verweer gevoerd en zich op het standpunt gesteld dat hij zijn werkzaamheden voor de cliënt naar behoren heeft verricht. De advocaat heeft daarbij het volgende aangevoerd.   De advocaat heeft in de procedure in hoger beroep zowel zijn procureurskosten van € 464,10 als de griffierechten van € 3.070,– aan de zijde van de cliënt gevallen voor zijn rekening genomen. De cliënt diende de procureurskosten van € 316,– en de griffierechten van € 3.070,– aan de wederpartij te voldoen. Bij exploot van 25 september 2003 is de cliënt in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 29 mei 2002 en 25 juni 2003. Volgens de advocaat heeft hij geen grieven genomen om kosten te vermijden. De eerste mededeling dat de voormalige werkgever van de cliënt in surseance van betaling is geraakt dateert van 22 oktober 2003. Eerst op 29 oktober 2003 ontving de advocaat dit bericht van de bewindvoerder. Niettemin heeft de procureur van de wederpartij zich gesteld op 30 oktober 2003. De advocaat heeft aangegeven dat hij en zijn cliënt er van zijn uitgegaan dat de voormalige werkgever nog een opleving zou hebben.   Op grond van het voorgaande verzoekt de advocaat de commissie om de klachten van de cliënt ongegrond te verklaren en het verzoek tot het bepalen van schadevergoeding af te wijzen.   Beoordeling van het geschil   Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.   Ter zitting is namens de cliënt naar voren gebracht dat het de bedoeling is te klagen over de in verband met het appel voor de cliënt ontstane kosten. Vast staat dat de cliënt bij arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 25 januari 2007 is veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van de wederpartij, derhalve voor een bedrag van € 3.070,– aan griffierechten en € 316,– aan salaris voor de procureur. Voorts staat vast dat de advocaat ter zitting onweersproken heeft gesteld dat hij zowel zijn procureurskosten van € 464,10 als de griffierechten van € 3.070,– voor zijn eigen rekening heeft genomen.   Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting stelt de commissie vast dat kennelijk tussen partijen in confesso is dat bij het instellen van hoger beroep reeds sprake was van surseance van betaling bij de voormalige werkgever van de cliënt. Desondanks heeft de commissie aanleiding gezien om ambtshalve daarnaar een onderzoek in te stellen waarbij het volgende is gebleken. Inzage in het Centraal Insolventieregister leert dat bij beschikking van 18 juli 2002 aan de voormalige werkgever van de cliënt definitieve surseance van betaling is verleend voor een termijn van anderhalf jaar ingaande 16 april 2002. Mitsdien verkeerde de voormalige werkgever van de cliënt bij het instellen van hoger beroep op 25 september 2003 reeds langdurig in surseance van betaling. Het vorenstaande wordt ondersteund door de brieven van de advocaat van 6 november 2003 en 12 november 2003 en de brief van de cliënt aan de advocaat van 10 november 2003. Uit laatstgenoemde brief blijkt dat de cliënt aan de advocaat heeft meegedeeld: ”(…) verkeerd al vanaf april 2002 in surseance van betaling en daar bent u al lang van op de hoogte”. Blijkens de brief van de advocaat van 12 november 2003 is de surseance van betaling reeds besproken bij het instellen van het hoger beroep. In het licht van deze feiten en omstandigheden is de commissie van oordeel dat het instellen van hoger beroep mogelijk niet zinvol was. De advocaat heeft geen (schriftelijk) procesadvies verstrekt voor het instellen van hoger beroep, althans daarvan is de commissie niet gebleken. Nu dit ontbreekt acht de commissie de voorlichting over de kansen en risico’s van de hoger beroepsprocedure en het instellen van het hoger beroep niet voldoende. Bij het instellen van hoger beroep terwijl de wederpartij reeds in surseance van betaling verkeerde, had de advocaat – naar het oordeel van de commissie – maatregelen moeten nemen ter voorkoming van het opkomen van proceskosten als de onderhavige. Zo had de advocaat – naar het oordeel van de commissie – bijvoorbeeld kunnen trachten te voorkomen dat de wederpartij zich onnodig zou stellen in de hoger beroepsprocedure dan wel had de advocaat het hoger beroep vóórdat er kosten aan de zijde van de wederpartij waren ontstaan, kunnen intrekken (conform de, in dit geval door het te late advies tot intrekken ook te laat gebleken, wens van de cliënt). Overigens heeft de advocaat aan de commissie niet kunnen verklaren waarom hij niet aan die wens van de cliënt is tegemoetgekomen. Naar het oordeel van de commissie had de advocaat slechts dan de hoger beroepsprocedure mogen laten doorlopen als hij de cliënt duidelijk op de hiervoor geschetste risico’s zou hebben gewezen en met de cliënt daarover uitdrukkelijk overleg had gevoerd.   Het geheel overziende is de commissie van oordeel dat de aanpak van de advocaat niet als adequaat kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de commissie heeft de advocaat in deze dan ook niet gehandeld zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat mag worden verwacht zodat de klacht van de cliënt gegrond is. Gelet op het vorenstaande ziet de commissie aanleiding te bepalen dat de advocaat de kosten ter zake de griffierechten en procureurskosten van de wederpartij ter grootte van € 3.070,– respectievelijk € 316,– aan de cliënt dient te vergoeden. Derhalve zal de commissie bepalen dat de advocaat aan de cliënt een totaalbedrag is verschuldigd van € 3.386,–. De omstandigheid dat de advocaat reeds een aanzienlijk bedrag aan kosten, voor de cliënt voor zijn rekening heeft genomen kan aan dit oordeel niet afdoen. Nu de klacht van de cliënt gegrond wordt verklaard ziet de commissie daarin aanleiding de advocaat te veroordelen tot vergoeding van het klachtengeld derhalve een bedrag van € 75,–. Bovendien dient de advocaat – overeenkomstig het reglement van de commissie – een bijdrage van € 115,– in de behandelingskosten aan de commissie te voldoen.   Derhalve dient als volgt te worden beslist.   Beslissing   De advocaat is aan de cliënt een bedrag verschuldigd van € 3.386,–, welke betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt dient de advocaat bovendien de wettelijke rente over dit bedrag te betalen vanaf de verzenddatum van dit bindend advies.   Overeenkomstig het reglement van de commissie dient de advocaat het klachtengeld aan de cliënt, die deze kosten heeft voldaan, ter hoogte van € 75,– te vergoeden.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de advocaat aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag van € 115,– verschuldigd.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur op 29 september 2008.