Geen sprake van misbruik van positie door begeleiders van zorgaanbieder

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Zorg AlgemeenZorg Algemeen    Categorie: (On)Zorgvuldig handelen    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 11778/22605

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De klager vindt dat de begeleiders van de zorgaanbieder misbruik hebben gemaakt van hun positie door onder andere leugens te verspreiden aan de huisarts van klager. Daarnaast zou zijn begeleider laster en smaad over hem hebben gepleegd tegenover derden. De zorgaanbieder zegt dat het onjuist is dat er zonder overleg met klager contact is opgenomen met de huisarts, maar dat er een goede rechtvaardigheidsgrond voor was, namelijk de gezondheid van klager. De klager was zeer slecht aanspreekbaar. Gezien het gedrag van de klager vindt de commissie het begrijpelijk dat de zorgaanbieder contact met de huisarts heeft opgenomen om de mogelijkheden te bespreken. De commissie heeft voor misbruik van positie en voor het verspreiden van leugens door medewerkers van de zorgaanbieder geen enkele aanwijzing gevonden. Ook blijkt niet dat de begeleider laster en smaad over de klager heeft gepleegd tegenover derden. Er wordt geen schadevergoeding toegekend.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Naam klager], wonende te [plaats] en Stichting Kwintes, gevestigd te Zeist (hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Zorg Algemeen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

Het bureau van de commissie heeft op 31 maart 2020 aan beide partijen bericht dat de behandeling van het geschil zonder mondelinge behandeling zal worden afgedaan. De commissie heeft die bevoegdheid ook conform haar reglement. Alhoewel daartoe wel in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft geen van beide partijen te kennen gegeven prijs te stellen op een mondelinge behandeling. Om die reden zijn partijen op 12 mei 2020 geïnformeerd dat de commissie op 26 mei 2020 zal beslissen over het geschil.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

Onderwerp van het geschil
De klager heeft de klacht voorgelegd aan de zorgaanbieder.

Het geschil betreft:

  • A. begeleiders van de zorgaanbieder, locatie fasehuis Almere Buiten, met name [naam begeleider], hebben misbruik gemaakt van hun positie, in die zin dat zij door leugens te vertellen aan de huisarts van klager, twee keer hebben geprobeerd een crisisopname van klager bij GGZ Centraal De Meregaard (De Meregaard) in Almere te bewerkstelligen, welke opname beide keren is geweigerd door De Meregaard;
  • B. [Naam begeleider] heeft laster en smaad gepleegd over klager tegenover derden.

Klager vordert schadevergoeding van € 5.000,–.

Standpunt van klager
Voor het standpunt van klager verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Klager heeft vanaf april 2017 in een HAT-huis (Housing Apart Together), ook wel fasehuis genoemd, van de zorgaanbieder gewoond.

Volgens het dossier is er sprake (geweest) van (recidiverende) psychose en alcoholmisbruik. Eén van de medewerkers van de zorgaanbieder in het fasehuis is [naam begeleider].

Vanaf 3 april 2019 vertoonde klager volgens de zorgaanbieder verontrustend gedrag en deed verontrustende uitspraken. Op 3 april 2019 is er nadat de afspraken in het signaleringsplan met klager zijn besproken met kennisneming van klager contact opgenomen met de huisarts van klager, [naam huisarts]. Vervolgens heeft er op 4, 18, 19 en 26 april 2019 telefonisch contact van de zorgaanbieder met de huisarts plaatsgevonden zonder dat klager hiervan wist en zonder bespreking van het signaleringsplan met klager. De klachtencommissie van de zorgaanbieder heeft de klacht wat betreft de contacten met de huisarts na 3 april 2019 gegrond geacht, omdat de contacten van tevoren niet met klager zijn besproken en er niet is teruggrepen op het signaleringsplan. Volgens de klachtencommissie is er onzorgvuldig gehandeld door de zorgaanbieder.

Klager heeft een deel van het logboek dat deel uitmaakt van zijn dossier bij zijn huisarts overgelegd. Daaruit blijkt dat [naam begeleider] op 4 april 2019 met de huisarts heeft gebeld met het verzoek om hulp/ verwijzing naar de crisisdienst. Op 5 april 2019 heeft de huisarts met instemming van klager geprobeerd contact te zoeken met [naam psychiater] van De Meregaard en ook met de crisisdienst maar door een technische storing is er geen contact tot stand gekomen. Op 12 april 2019 is er contact geweest tussen de huisarts en [naam psychiater], die geen aanleiding zag voor medicatie. Op 18 april 2019 heeft de zorgaanbieder de huisarts opnieuw verzocht contact op te nemen met [naam psychiater]. Op 19 april 2019 heeft de huisarts aan de zorgaanbieder medegedeeld dat klager door [naam psychiater] is beoordeeld en dat klager niet voldoet aan de criteria voor dwangbehandeling. Op 26 april 2019 heeft de zorgaanbieder de huisarts verzocht [naam psychiater] te contacteren in verband met ernstige geruchten die klager over een medewerker van de zorgaanbieder aan het verspreiden is. Volgens de huisarts kan [naam psychiater] er niets mee en is er volgens [naam psychiater] nog steeds geen aanleiding voor dwangbehandeling.

Klager stelt voor de klacht op te lossen door een (antecedenten)onderzoek naar het gedrag van aangeklaagde te doen en door schadevergoeding van € 5.000,– toe te kennen. Volgens klager is de omvang van de schade op dit moment moeilijk vast te stellen.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Begin 2019 hebben zich incidenten van buitenaf voorgedaan op de woonlocatie van klager. Er zijn ruiten ingegooid, een deur is ingetrapt en er zijn bedreigingen geuit naar medewerkers van de zorgaanbieder. Dit heeft bij klager veel onrust veroorzaakt. Door de zorgaanbieder zijn maatregelen genomen om de rust te herstellen. De zorgaanbieder erkent dat er op 4, 18, 19 en 26 april 2019 telefonisch contact met de huisarts van klager is opgenomen zonder dat klager hiervan op de hoogte was.

In het verweerschrift van 13 maart 2020 heeft de zorgaanbieder verklaard dat het formeel onjuist is dat er zonder medeweten van klager contact is opgenomen met de huisarts, maar dat er materieel een goede rechtvaardigheidsgrond voor was, namelijk de gezondheid van klager. Er heeft geen overleg met klager plaatsgevonden, omdat klager zeer slecht aanspreekbaar was. Niettemin had met de kennis van nu aan klager medegedeeld kunnen worden dat er contact zou worden opgenomen met de huisarts, aldus de zorgaanbieder.

Wat betreft het klachtonderdeel ‘[naam begeleider] heeft laster en smaad gepleegd over klager tegenover derden’ verwijst de zorgaanbieder naar het oordeel van de klachtencommissie dienaangaande, inhoudende dat niet is komen vast te staan dat het team zich op lasterlijke wijze heeft geuit over klager, noch tegenvoer elkaar, noch tegenover derden. De klachtencommissie heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.

Ten aanzien van het verzoek van klager om een (antecedenten)onderzoek naar het gedrag van aangeklaagde te laten plaatsvinden heeft de zorgaanbieder gesteld dat niet duidelijk is wie en wat er moet worden onderzocht, dus dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd, maar dat er ook onvoldoende reden is om zo’n onderzoek te laten plaatsvinden.

Het verzoek van klager tot toekenning van schadevergoeding is volgens de zorgaanbieder eveneens onvoldoende onderbouwd en volgens de zorgaanbieder is er geen sprake van psychische of reputatieschade.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

Bij de beoordeling van de klacht geldt het volgende beoordelingskader. De overeenkomst die is gesloten tussen klager en de zorgaanbieder is aan te merken als een geneeskundige behandelovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij de uitvoering van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de hulpverlener de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de hulpverlener die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot/hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.
De commissie dient te beoordelen of de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst met klager.

Ten aanzien van klachtonderdeel A overweegt de commissie als volgt. Klager komt in de klacht die hij aan de commissie heeft voorgelegd niet terug op het klachtonderdeel dat door de klachtencommissie gegrond is geacht, te weten het feit dat de zorgaanbieder ten onrechte verschillende keren zonder medeweten van klager en zonder terug te grijpen op het signaleringsplan contact heeft opgenomen met de huisarts. De commissie begrijpt klachtonderdeel A dan ook op die wijze dat klager de commissie verzoekt te beoordelen of het ontbreken van wetenschap bij klager van de contacten met de huisarts weggedacht, begeleiders van de zorgaanbieder door misbruik van hun positie en door leugens te vertellen, hebben geprobeerd een crisisopname bij De Meregaard te bewerkstelligen. De commissie is van oordeel dat het gelet op het aan de huisarts in de verschillende telefonische contacten beschreven gedrag van klager niet onbegrijpelijk is dat de zorgaanbieder contact met de huisarts heeft opgenomen om onder andere de mogelijkheden van dwangbehandeling door middel van een crisisopname te bespreken. De commissie acht aannemelijk dat het signaleringsplan hiertoe ook aanleiding gaf. De commissie heeft bij haar oordeel betrokken dat de waarneming en analyse van het gedrag van klager door medewerkers van de zorgaanbieder die zijn geschoold in het vakgebied van de psychiatrie heeft plaatsgevonden. Voor misbruik van positie en het vertellen van leugens door medewerkers van de zorgaanbieder, heeft de commissie geen enkele aanwijzing gevonden.
De commissie acht klachtonderdeel A gelet op vorenstaande ongegrond.

Betreffende klachtonderdeel B heeft klager hetzelfde aangevoerd als hij bij de klachtencommissie heeft gedaan en de commissie is van oordeel dat hieruit niet blijkt [naam begeleider] laster en smaad jegens klager heeft gepleegd tegenover derden. Dit heeft tot gevolg dat de commissie klachtonderdeel B ook ongegrond acht.

De ongegrondverklaring van de klacht heeft tot gevolg dat de verzoeken cq vorderingen van klager om de klacht op te lossen worden afgewezen. Ten overvloede merkt de commissie ten aanzien van het verzoek om een (antecedenten)onderzoek te laten plaatsvinden naar gedrag van beklaagde op dat zij ook in het geval van gegrondheid van de klacht of een klachtonderdeel, een dergelijke bevoegdheid niet heeft.

Betreffende de vordering tot toekenning van schadevergoeding van € 5.000,– merkt de commissie op dat voor een aanspraak op schadevergoeding ten minste vereist is dat de schuldenaar – in dit geval de zorgaanbieder – in enig opzicht toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst.
Voorts komt voor vergoeding van schade alleen die schade in aanmerking, die in voldoende causaal verband staat tot de toerekenbare tekortkoming. De commissie concludeert dat de klacht die aan de commissie is voorgelegd, ongegrond is verklaard. Wat betreft die klacht is er dus geen sprake van tekortschieten en wordt de vordering tot toekenning van schadevergoeding afgewezen. Voor zover klager de vordering tot toekenning van schadevergoeding heeft willen laten uitstrekken tot de klachtonderdelen die door de klachtencommissie gegrond zijn verklaard, overweegt de commissie dat er naar haar oordeel geen causaal verband tussen de gegronde klachtonderdelen en de gestelde schade is aangetoond. Bovendien heeft klager de schade niet gespecificeerd en evenmin door bewijsstukken onderbouwd.

De vordering tot toekenning van schadevergoeding wordt dus ook wat betreft de door de klachtencommissie gegrond geachte klachtenonderdelen afgewezen.

Op grond van het voorgaande komt de commissie tot de conclusie dat de klacht niet gegrond is en het verzoek tot het laten plaatsvinden van een (antecedenten)onderzoek naar beklaagde en de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klacht ongegrond;
– wijst het verzoek tot het laten plaatsvinden van een (antecedenten)onderzoek naar beklaagde af;
– wijst de vordering tot toekenning van schadevergoeding af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Zorg Algemeen, bestaande uit de heer mr. M.M. Verhoeven, voorzitter, de heer dr. J.W. Stenvers, de heer mr. P.C. de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. C. Koppelman, secretaris, op 26 mei 2020.