Gehuurd zeilschip dient bestand te zijn tegen harde wind.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden Huur en Verhuur Pleziervaartuigen    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT-000012

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit de schriftelijke overeenkomst d.d. 30 april 1999 tot huur van een kajuitzeilboot voor de periode 1 t/m 8 oktober 1999 voor het bedrag van ƒ 2.599,–.   De consument heeft zijn klacht op 9 oktober 1999 schriftelijk aan de ondernemer voorgelegd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak.   De consument heeft diverse klachten over het gehuurde schip. Zo trad er lekkage op door de ramen en ventilatieopeningen. Daardoor was de hut voor de verdere reis onbruikbaar en werden kleren, slaapzakken en kussens drijfnat, zodat men de hele week op natte kussens moest slapen. Gelukkig waren ze met vijf man en niet zes of meer, hetgeen onmogelijk was geweest. Verder is door de lekkage kortsluiting ontstaan. Ten gevolge van de reparatietijd heeft de consument minder kunnen varen. Voorts was het grootzeil zeer moeilijk te zetten. Daarnaast werkte, wellicht als gevolg van de lekkage, de oplader niet. Na overleg met de ondernemer en hulp van derden bleek hij wel te kunnen varen, maar moest de motor stroom leveren om de accu’s op te laden voor kajuitverlichting e.d. Daardoor moesten ze de motor uren laten draaien om de navigatieapparatuur te kunnen gebruiken. Van secundair belang, maar wel van invloed, was dat de uitrusting aan alle kanten sterk te wensen overliet. Deze voldeed niet aan de door de ondernemer gegeven informatie.   De consument heeft de ondernemer diverse malen aangeschreven, doch deze heeft nimmer gereageerd. Het stelt de consument teleur dat de ondernemer niets heeft laten horen en alleen doorverwijst naar de eigenaar van het schip. Het is immers de verantwoording van de ondernemer.   De ondernemer heeft tijdens de overdracht in de haven aangeboden om minimaal één zeildag terug te betalen, mogelijk in de vorm van een lagere huurprijs van een ander schip. De ondernemer is dit aanbod niet nagekomen. De consument wenst echter als genoegdoening voor de teleurstellende kwaliteit van het schip een restitutie van minimaal 1½ dag, omdat hij minimaal 1½ dag niet heeft kunnen varen. Dit kan eventueel worden voldaan middels een lagere huurprijs van een ander schip (mits de consument zich vooraf met dat schip accoord heeft verklaard). Tevens wenst de consument dat de ondernemer de kosten van de procedure vergoedt.   Ten aanzien van de reactie van de ondernemer (via de eigenaar) merkt de consument het volgende op. Hij heeft niet koste wat kost willen varen. De opmerking dat het schip ‘minder comfortabel’ zeilde, is ten aanzien van deze tocht een understatement. Een aantal van de door de ondernemer genoemde ‘andere punten’ zijn pas op te merken nadat men zeilt. De consument gaat ervan uit dat de door de ondernemer genoemde schade pas na de huurperiode is ontstaan.   Ten opzichte van de eigenaar van het schip benadrukt de consument dat de klachten zich uitsluitend richten tegen de ondernemer en dat het schip zelf, afgezien van bovengenoemde punten, uitstekend vaart.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak.   Namens de ondernemer heeft [de eigenaar van het schip] op de stellingen van de consument gereageerd.   De eigenaar van het schip heeft naar voren gebracht dat de opsomming van gebreken op hem zeer overdreven overkomt. Hij wijst erop dat het schip door de tocht een aanzienlijke schade heeft opgelopen. De door de consument genoemde ‘belangrijke punten’ vloeien volgens de eigenaar voort uit de extreme weersomstandigheden, waarvoor de ondernemer niet aansprakelijk gesteld kan worden. Geen enkel schip is onder die weersomstandigheden op het IJsselmeer comfortabel. De door de consument genoemde ‘andere punten’ betreffen punten die de consument voor het uitvaren had kunnen constateren, zodat hij daarover niet achteraf kan klagen.   De eigenaar beroept zich verder op de volgende punten.   zeemanschap van de huurder; slechte voorbereiding. Veel van de volgens de consument ontbrekende spullen lagen gewoon aan boord. De consument had zich voorafgaande aan de tocht de boot eigen moeten maken; de goede naam en het feit dat men nooit eerder in een procedure bij de Geschillencommissie is betrokken; de betreffende boot heeft reeds een zeer groot aantal overzeese en binnenlandse tochten gemaakt en er zijn nimmer klachten van deze aard geweest; gezien de betaling van de huursom wil men vaak koste wat kost uitvaren, waarbij men vaak de veiligheid voor mens en materiaal uit het oog verliest; het schip is met veel schade afgeleverd. Het was een chaos bovendeks; zo waren alle reeflijnen uit de giek verwijderd of gebroken etc. In feite had de borgsom ingehouden moeten worden; Alles is bewerkstelligd om de huurder het tijdens zijn vakantie zoveel mogelijk naar de zin te maken.   Tijdens de tocht is de eigenaar naar [plaats] gereden voor een inspectie. Ook heeft hij de rekening van een monteur op [eiland] betaald.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   De commissie stelt voorop dat in dit geschil uitsluitend de consument en de ondernemer betrokken zijn, aangezien alleen zij partij zijn bij de huurovereenkomst. De ondernemer heeft ervoor gekozen om de eigenaar van het schip schriftelijk verweer te laten voeren en ter zitting te laten verschijnen. Voor de goede orde wijst de commissie erop dat hij in deze procedure niet optreedt in zijn hoedanigheid van eigenaar van het schip, aangezien hij niet in het geding betrokken is, doch uitsluitend als vertegenwoordiger (woordvoerder) van de ondernemer. De rechten en plichten uit hoofde van de huurovereenkomst, waaronder een behoorlijke wijze van klachtenafhandeling, rusten op de verhuurder (ondernemer) en niet op de eigenaar van het schip.   Ten aanzien van de door de ondernemer genoemde schade die de consument tijdens de tocht zou hebben aangericht, stelt de commissie vast dat daarvan geen bewijs is aangedragen. Er is geen checklist opgesteld, noch voorafgaande noch na afloop van de tocht, althans deze is niet aan de commissie overgelegd. Indien van dergelijke schade sprake is, ligt het op de weg van de ondernemer om dat ten tijde van de inname van het schip naar voren te brengen en de schade te specificeren. Nu de ondernemer dat niet heeft gedaan, resteert de commissie geen andere conclusie dan dat deze schade niet aannemelijk is gemaakt, zodat zij dit verweer zal passeren.   Ten aanzien van de klachten is de commissie van oordeel dat een huurschip bestand dient te zijn tegen harde wind. Het betoog van de ondernemer dat het zulk slecht weer was, zal daarom eveneens worden gepasseerd. Mede gezien de hoogte van de huurprijs mocht de consument redelijkerwijs verwachten dat het schip bestand was tegen windkracht 6 tot 7 en dienen er dan bijvoorbeeld geen lekkages op te treden. In de overeenkomst is tenslotte niet vermeld dat het schip slechts tot windkracht 5 zou kunnen uitvaren, hetgeen overigens ook niet erg realistisch zou zijn.   Op basis van de stukken komt de commissie tot het oordeel dat aannemelijk is dat de consument gedurende 1½ dag niet heeft kunnen varen. De commissie verwijst hierbij naar de brief van de consument d.d. 9 oktober 1999, waaruit blijkt dat de consument door de waterlekkage en de storingen zeker 1½ dag niet heeft kunnen varen, waar hij anders wel gevaren zou hebben. Dit brengt mee dat de ondernemer 1½ dag van de huursom dient te restitueren. Gezien de hoogte van de huursom komt dit neer op een bedrag van ƒ 557,–. Het door de ondernemer gedane voorstel om de vergoeding te verrekenen middels een korting op een volgende huur zal niet worden toegewezen, aangezien de commissie van oordeel is dat een gegronde klacht vertaald dient te worden in een geldelijke vergoeding en in de regel niet verrekend dient te worden middels kortingen e.d.   Ten aanzien van de vergoeding merkt de commissie overigens op dat de standpunten van partijen op dit punt niet ver uit elkaar lagen. De ondernemer heeft aangeboden om 1 dag te vergoeden terwijl de consument een vergoeding van 1½ dag verlangt. Partijen verschillen derhalve slechts van mening over een bedrag van ƒ 185,64.   Ingevolge het Reglement van de commissie dient de ondernemer tevens het klachtengeld aan de consument te vergoeden en behandelingskosten aan de commissie te voldoen. Vergoeding van het klachtengeld was derhalve eveneens toegewezen indien de consument niet apart daarom had verzocht. Voor zover de consument tevens andere proceskosten vergoed wenst te krijgen, merkt de commissie op dat de aard van de procedure meebrengt dat, naast vergoeding van het klachtengeld, geen andere kosten worden toegewezen die in het kader van de procedure zijn gemaakt. Zulks behoudens bijzondere omstandigheden, doch die doen zich hier niet voor.   Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht gegrond is en dat als volgt dient te worden beslist.   Beslissing   De ondernemer dient aan de consument een vergoeding van ƒ 557,– te voldoen, te vermeerderen met het klachtengeld van ƒ 175,–, derhalve in totaal een bedrag van ƒ 732,–.   Betaling dient plaats te vinden binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies. Indien betaling niet tijdig plaatsvindt, betaalt de ondernemer bovendien de wettelijke rente over dit bedrag.   Het meer of anders verlangde wordt afgewezen.   De ondernemer is aan de commissie behandelingskosten verschuldigd van ƒ 325,–.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 20 april 2000.