Geschil over energieprijsplafond: ondernemer juist in toepassing volgens commissie

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Energie Prijsplafond    Categorie: Tarief    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: Ongegrond   Referentiecode: 223810/232048

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Volgens de consument heeft de ondernemer bij de toepassing van de prijs plafondregeling ten onrechte
geen rekening gehouden met de lage vaste tarieven die hij volgens zijn contract in de eerste maanden van
2023 hoefde te betalen. Basis van de prijsplafondregeling is echter dat over de in aanmerking te nemen
periode van 2023 het gemiddelde van de in die periode geldende tarieven wordt gehanteerd. De ondernemer
heeft de regeling juist toegepast.

De uitspraak

Beoordeling

Standpunt van de consument
Ik zou graag willen weten of hetgeen het energiebedrijf heeft gedaan mag. Namelijk mijn contract dat liep
t/m februari 2023 vermengen met 1 maand (maart 2023) variabel contract. Begin april werd de
eindrekening opgemaakt. Ik heb uiteindelijk ongeveer 200 euro meer moeten betalen dan contractueel is
vastgelegd. Dit lijkt nu te worden veroorzaakt door het prijsplafond. Het prijsplafond zou juist moeten
voorzien in het verminderen van de kosten i.p.v. het verhogen van de kosten bij de burger.
Mijn voorstel is dat [ondernemer] zich houdt aan de contractuele prijsafspraken en dat pas over de maand
maart 2023 en een paar dagen van april 2023 het prijsplafond ingaat en niet dat er gemiddeld wordt over
de eerste 3 maanden. Dat zou inhouden dat ik nog rond de 260 euro zou ontvangen.

Standpunt van de ondernemer
Onderscheid moet worden gemaakt tussen het gemiddelde contractuele leveringstarief dat door [ondernemer] wordt gehanteerd voor de toepassing van het prijsplafond en de verschillende leveringstarieven die door
[ondernemer] worden gebruikt voor het afrekenen van de geleverde energie. 6.1.2. Uit de jaarafrekening, en de
bijbehorende tarievenspecificatie (zie bijlage 2) volgt dat [ondernemer] het elektriciteits- en gasverbruik in de
periode van 1 januari tot en met 28 februari 2023 heeft gefactureerd tegen het overeengekomen vaste
leveringstarief (€ 0,209875 per kWh en € 0,893239 per m3) en in de periode van 1 maart tot en met 3 april
2023 tegen het toen geldende variabele leveringstarief (0,633448 per kWh en € 3,146863 per m3). 6.1.3.
De klant heeft in de eerstgenoemde periode in 2023 een bedrag van € 16,79 voor de geleverde
hoeveelheid elektriciteit, en € 314,42 (352 m3 x € 0,893239) voor het geleverde gas in rekening gebracht
gekregen. In de tweede periode heeft klant € 36,74 voor elektriciteit en € 481,47 (153 m3 x € 3,146863)
voor gas in rekening gebracht gekregen. In totaal bedragen de kosten voor het in 2023 geleverde gas,
zonder toepassing van de Subsidieregeling, dus € 795,89 (€ 314,42 + € 481,47).

Leveranciers kunnen vanaf 1 januari 2023 overeenkomstig de Subsidieregeling een prijsplafond toepassen
bij de levering van elektriciteit en gas aan kleinverbruik aansluitingen. Het toepassen van het prijsplafond
houdt in dat [ondernemer] aan de klant tot aan een bepaald volume het plafondtarief voor gas en elektriciteit in
rekening brengt, en voor het restant van de contractuele leveringsprijs subsidie aanvraagt bij de overheid.
6.2.2. Op grond van artikel 5.2, eerste lid van de Subsidieregeling hanteert [ondernemer] bij de toepassing van
het prijsplafond, het gemiddelde contractuele leveringstarief voor de in die periode, in dit geval van 1
januari tot en met 3 april 2023, geleverde elektriciteit en gas. Op basis van dit gemiddelde contractuele
leveringstarief wordt het verschil met het plafondtarief berekend. Voor dat verschil vraagt [ondernemer] subsidie
aan en datzelfde bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht op de eindfactuur van de klant.
[ondernemer] berekent het gemiddelde contractuele leveringstarief volgens de methode die is beschreven in
artikel 3.3 (berekening hoogte subsidie voor elektriciteit en gas samen) van de Subsidieregeling. Hierin
wordt het volgende aangegeven voor gas (voor elektriciteit geldt eenzelfde bepaling): “CLG kva: het
gemiddelde contractuele leveringstarief voor gas in € per m3(n) per kleinverbruikersaansluiting, op basis
van de leveringstarieven in € per m3(n) die in 2023 door de subsidieontvanger in rekening zijn gebracht
aan de kleinverbruiksersaansluiting gewogen naar de hoeveelheid gas die in 2023 is geleverd aan deze
kleinverbruikersaansluiting, waarvoor de toepassing van het prijsplafond heeft plaatsgevonden en een
eindfactuur is verstrekt”.

Het is logisch om bij het hanteren van de plafondtarieven jegens kleinverbruikers aan te sluiten bij de
methode om de hoogte van de subsidie voor de subsidieontvanger te berekenen, aangezien het de
bedoeling is dat de subsidieontvanger (de energieleveranciers) middels het prijsplafond de subsidie
doorgeven aan de kleinverbruikers (de begunstigden). Zou [ondernemer] dit niet doen, dan zou er verschil
kunnen ontstaan tussen het aan de subsidieontvanger uitgekeerde subsidiebedrag en het aan de
begunstigden doorgegeven subsidiebedrag. Dat zou strijdig zijn met de bedoeling van de subsidieregeling.
Door de toepassing van het prijsplafond ontvangt de klant een korting op zijn jaarafrekening van € 63,63. Er
is dus geen sprake van dat de klant meer, of zelfs € 260,- teveel betaalt voor het geleverde gas, ten
opzichte van een jaarafrekening die opgemaakt zou zijn op basis van het overeengekomen leveringstarief
zonder toepassing van de Subsidieregeling.

Oordeel van de commissie
De commissie onderschrijft het standpunt van de ondernemer. De consument miskent dat de ondernemer
in het kader van de prijsplafondregeling gehouden is over de in aanmerking te nemen periode van 2023 het
gemiddelde van de in die periode geldende tarieven te hanteren. De klacht treft geen doel.
Op grond van het voorgaande is de commissie van oordeel dat de klacht ongegrond is.
Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Het door de consument verlangde wordt afgewezen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Energie Prijsplafond, bestaande uit mr. D.J. Buijs, voorzitter, mr.
F.J. Pirard en mr. P. P. van der Neut, leden, op 25 januari 2024.