Handelen van ondernemer bij vermoeden van grensoverschrijdend gedrag door medewerker deels niet zoals verwacht mocht worden

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Kinderopvang    Categorie: PersoneelVeiligheid    Jaartal: 2019
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 116874

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

Ouders melden bij de ondernemer een vermoeden van grensoverschrijdend gedrag richting hun 3,5 jaar oude dochtertje door een medewerker van het kinderdagverblijf. Er ontstaat daarna een geschil over de handelwijze van de ondernemer.
De commissie vindt dat de ondernemer geen fouten heeft gemaakt als het gaat om zijn handelingen in het kader van de Meldcode (zoals aangifte doen, informeren andere ouders). De Meldcode blijkt namelijk onvoldoende duidelijk hierover te zijn, de betrokken partijen leggen de termen in de Meldcode anders uit.
Op andere onderdelen van de klacht handelde de ondernemer volgens de commissie niet goed. Volgens de commissie was de ondernemer zich niet voldoende bewust van zijn eigen rol in de situatie. De ondernemer heeft niet met voldoende afstand het proces (kunnen) bewaken en nam daarin niet de regie.

Samenvatting uitspraak

Het geschil dat door de Geschillencommissie Kinderopvang is behandeld betreft – met name – de wijze waarop door de ondernemer is gehandeld jegens de ouder. Dit na een melding door de ouder van een vermoeden van grensoverschrijdend gedrag door een medewerker van de ondernemer richting het 3,5 jaar oude dochtertje.

De commissie heeft partijen gehoord. Nadien is de zaak aangehouden en zijn door de commissie verschillende getuigen en deskundigen gehoord in aanwezigheid van de partijen. De volgende partijen zijn gehoord: de betrokken gemeente, de GGD, vertrouwensinspectie, politie, BOinK (betrokken bij het opstellen van de Meldcode) en twee ouders die door de ouder betrokken waren bij de zaak.

De commissie heeft op basis van de verkregen informatie uitspraak gedaan. Zij heeft geconstateerd dat de Meldcode en het daarin opgenomen protocol inzake grensoverschrijdend gedrag op onderdelen onvoldoende duidelijkheid biedt. Zo bleek dat verschillende, bij deze zaak betrokken partijen, “aangifte” en “melding” door elkaar gebruikten. Tevens bleken adviezen van toezichthouders niet aan te sluiten bij het stappenplan in het protocol. Althans op de wijze waarop dit door de opstellers van dit stappenplan bedoeld is.

In haar uitspraak is de Commissie uitvoerig ingegaan op dit onderwerp. De commissie heeft in haar uitspraak bepaald dat de ondernemer deels verwijtbaar en deels niet verwijtbaar heeft gehandeld. Ten aanzien van de klachtonderdelen die betrekking hebben op het handelen van de ondernemer in het kader van de Meldcode, heeft de ondernemer niet verwijtbaar gehandeld (aangifte doen, informeren andere ouders).

Wat betreft de klachtonderdelen die zien op het overige handelen van de ondernemer, is naar het oordeel van de Commissie wel  sprake van verwijtbaarheid. Samengevat gaat het dan om een gebrek aan bewustzijn wat betreft de eigen rol in een dergelijke situatie, niet met voldoende afstand het proces (kunnen) bewaken en daarin regie nemen.

De Commissie heeft in dit kader ten overvloede overwogen dat Meldcode onvoldoende duidelijkheid biedt ten aanzien van de regierol in situaties zoals deze. De rol die de houder volgens de code heeft, lijkt te botsen met de praktijk waarin de houder rekening heeft te houden met verschillende, vaak uiteenlopende belangen.  Daarnaast zijn houders  in dergelijke situaties vaak zelf partij. De Commissie overweegt dat het goed zou zijn als gewezen wordt op de mogelijkheid om een onafhankelijke partij in te schakelen die deze regierol kan vervullen.

Volledige uitspraak

Hieronder wordt de volledige uitspraak  geanonimiseerd weergegeven:

Behandeling van het geschil
Naar aanleiding van de mondelinge behandeling op 4 juli 2018 heeft de commissie bij brief van 26 juli 2018 aan partijen laten weten het wenselijk te achten om, alvorens uitspraak te doen, getuigen en deskundigen te horen en de verdere behandeling van de zaak, gelet hierop, aan te houden.

Op 3 oktober 2018 zijn in aanwezigheid van beide partijen gehoord:

  • Gemeente [naam gemeente en namen vertegenwoordigers gemeente];
  • GGD: [namen vertegenwoordigers GGD]
  • BOinK: [naam vertegenwoordiger]
  • [namen getuigen; door consument betrokken andere ouders].

De vertrouwensinspectie (bij monde van [naam vertegenwoordiger]) en de politie [naam regio] – team zeden [plaatsnaam] (bij monde van [naam vertegenwoordiger]) hebben nadien op respectievelijk 21 november 2018 en 6 december 2018 schriftelijk gereageerd op vragen van de commissie.

De verslagen van de verhoren, alsmede voornoemde schriftelijke reacties zijn op 7 december 2018 aan beide partijen gezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op alle stukken in het dossier, waaronder ook de reactie van de consument van 3 juli 2018 op het verweerschrift van de ondernemer van 31 mei 2018. Beide partijen hebben gereageerd.

De commissie is op 21 februari 2019 buiten aanwezigheid van partijen opnieuw bijeen gekomen om tot haar eindbeslissing te komen.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de wijze waarop door de ondernemer is gehandeld jegens consument na een melding door die consument van mogelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker van de ondernemer richting de dochter van de consument. Consument stelt ook schade te hebben geleden als gevolg van die handelwijze van ondernemer.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de consument op het volgende neer.

De dochter van de consument maakte sinds september 2014 gebruik van kinderdagopvang bij de ondernemer. De consument heeft op 13 oktober 2017 een melding gedaan bij de ondernemer van vermoedelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker van de buitenschoolse opvang richting de destijds 3,5 jaar oude dochter van de consument.

In de periode daarna is een onderzoek gestart waar meerdere partijen bij betrokken zijn geweest en waar in de optiek van de consument veel op aan te merken is.

De consument is van mening dat de ondernemer de situatie onzorgvuldig heeft aangepakt en zowel hem en zijn echtgenote, als ouders, evenals hun dochter onjuist heeft bejegend.

Dit blijkt volgens de consument uit het volgende.

  1. Uit het handelen van de ondernemer blijkt dat deze de melding niet voldoende serieus heeft genomen. Er is niet kritisch naar de eigen organisatie gekeken.
  • De ondernemer heeft zich niet gehouden aan de wettelijke aangifteplicht bij een redelijk vermoeden van een geweld- of zedendelict door een medewerker. De ondernemer heeft niet zelf voldaan aan deze plicht maar het doen van aangifte bij de ouders neergelegd. Ook na twee andere meldingen door andere ouders is door de ondernemer geen aangifte gedaan.
  • Ouders van locaties waar de betreffende medewerker werkte zijn niet geïnformeerd conform de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit ondanks aandringen van de consument en zijn echtgenote en BOinK. Door de medewerker weer terug op de groep te zetten en de ouders niet te informeren is een risico genomen met de veiligheid van de kinderen, zonder ouders hiervan op de hoogte te stellen.
  • De consument en zijn echtgenote zijn niet geïnformeerd door de ondernemer over de latere twee meldingen en de afhandeling daarvan. Ouders van kinderen die inmiddels weg waren bij de ondernemer zijn helemaal niet geïnformeerd over wat speelde. De kinderen zaten evenwel ten tijde van de melding(en) op de opvang en hebben mogelijk risico gelopen. De ondernemer heeft aangegeven alleen de ouders waarmee op dat moment een contract bestond te informeren. Alleen deze ouders zijn uitgenodigd voor een bijeenkomst op 20 februari 2018 waarbij ouders werden geïnformeerd over de eerste twee meldingen.
  • Uit het inspectierapport van de GGD na een controle in 2017 blijkt dat sprake is van een door de betreffende medewerker met de kinderen gemaakte vlog. Volgens de consument is hierbij van belang dat de betreffende medewerker zonder dat de ouders daarvan op de hoogte zijn gesteld en zonder dat zij daar toestemming voor hadden gegeven, kinderen heeft gefilmd. De ondernemer heeft aangegeven hier destijds geen beleid voor te hebben gehad.
  • Naar aanleiding van de uitlatingen van de directie van smaad en laster heeft de consument een advocaat ingeschakeld. Op 3 februari 2018 heeft deze de ondernemer schriftelijk verzocht om dergelijke uitlatingen te staken. Daarnaast is wederom gevraagd om openheid te geven en ouders te informeren over de melding, zodat ze zelf hun risico konden bepalen. Tevens is aangegeven niet tegenover elkaar te willen staan maar samen te willen optrekken. Hierop is geen reactie gekomen.
  1. De ondernemer heeft zich onvoldoende gericht op het welzijn van de dochter. Er is niet gehandeld in haar belang.
  • Na de melding en de duidelijke angst van de dochter voor de locatie en de medewerker, hebben de ouders besloten hun dochter eind oktober 2017 niet meer naar de opvang te laten gaan. Zij hebben verzocht om hun dochter afscheid te kunnen laten nemen van de leidsters die al 2,5 jaar voor haar gezorgd hadden. Dit verzoek is afgewezen.
  • Vanaf de melding tot de afronding van het onderzoek is door de ondernemer nooit geïnformeerd naar het welzijn van de dochter. Alleen de locatiemanager heeft na de bespreking op 30 november 2017 hiernaar gevraagd.
  1. De ondernemer is onvoldoende ingegaan op zorgen die de consument had over de kwaliteit van de opvang.
  • Het vierogen en vieroren principe werd in de praktijk niet uitgevoerd conform het beleid van de ondernemer. Zo is vastgesteld dat zowel in de ochtend bij het brengen als in de avond bij het halen, slechts één medewerker aanwezig was in plaats van twee. Ook was de buitendeur dicht op tijden waarop deze open zou zijn volgens het toegangsprotocol, ook wanneer er maar één medewerker aanwezig was.
  • Ruimtes die niet toegankelijk zouden zijn voor kinderen, ruimtes die niet open en transparant zijn en waar zicht op is, blijken dat wel te zijn, zoals een zolder op een van de locaties.
  • Uit uitlatingen van de locatiemanager van de ondernemer in januari 2018 volgt dat de dochter van de consument (en andere kinderen) zonder toezicht in de hal mocht spelen. Dit in tegenstelling tot eerdere uitspraken van de ondernemer richting de zedenpolitie in het kader van de melding van de consument. Daarbij is aangegeven dat de zaken waarover de dochter het had in haar getuigenis niet hadden kunnen plaatsvinden, omdat er altijd toezicht was. De ouders hebben hun zorgen hierover bij de ondernemer neergelegd maar deze is hier onvoldoende op ingegaan, noch heeft de ondernemer de zorgen van de ouders kunnen wegnemen.
  1. Afspraken over communicatie zijn niet nagekomen.
    Na afronding van het onderzoek en naar aanleiding van uitlatingen van de ondernemer over de consument en zijn echtgenote, is op 30 november 2017 een gesprek geweest. Hierbij waren naast de ouders aanwezig:  twee vertrouwensinspecteurs, twee door de consument betrokken ouders, de woordvoerder van BOinK, de locatiemanager en de directrice van de ondernemer.Hierbij is besproken:
  • De uitlatingen van de directrice richting anderen over de consument en zijn echtgenote. Verzocht is te stoppen met het doen van smadelijke en lasterlijke uitlatingen die de ouders schade kunnen berokkenen, zeker in de kleine gemeenschap van het dorp;
  • Dat de ondernemer alle betrokken ouders zou informeren over de melding zodat alle ouders zelf hun risico zouden kunnen bepalen;
  • Dat de consument en zijn echtgenote en de twee door hen betrokken ouders, vragen van andere ouders over de melding zouden beantwoorden;
  • Door BOinK is voorgesteld een lijst met experts aan te leveren waaruit een expert gekozen kon worden die zou kunnen bemiddelen in het proces;
  • Afscheid nemen door de dochter van de pedagogisch medewerkers waarbij ze al sinds mei 2015 in de groep zat, op een neutrale plaats, zonder te spreken over de melding.
    De besproken punten zijn een week later in een brief door de ondernemer afgewezen. Hierbij werd vermeld dat bij eventuele vragen van andere ouders naar de consument en zijn echtgenote zou worden doorverwezen. Tevens werd vermeld dat juridische maatregelen zouden volgen als de antwoorden schadelijk zouden zijn voor het KDV, het betreffende personeelslid en de dochter. Ook het afscheid van de dochter van haar leidsters werd afgewezen; dit zou pedagogisch niet verantwoord zijn.
  1. De privacy van de ouders is geschaad; er is persoonlijke informatie met andere ouders gedeeld.De directrice van de ondernemer heeft in een telefoongesprek met een andere ouder gesuggereerd dat de ouders meer zouden weten en bepaalde informatie niet gedeeld zouden hebben. Ook is gesuggereerd dat het grensoverschrijdend gedrag ook thuis plaatsgevonden zou kunnen hebben. Informatie die alleen bij de politie bekend was, is hierbij gedeeld met andere ouders.
  1. Er is sprake van smaad en laster door kwalijke uitlatingen van de directie over de consument en zijn echtgenote naar andere ouders.

De consument heeft vanaf het begin voorzichtigheid willen betrachten en heeft met het oog daarop niet direct de melding gedaan bij een andere PM ‘er maar heeft eerst een andere ouder die vanuit haar professie meer weet over dergelijke situaties om advies gevraagd. Deze ouder heeft onder meer geadviseerd om BOinK in te schakelen. De consument heeft in het kader van het onderzoek en in het belang van de ondernemer en ter bescherming van de betreffende medewerker drie maanden niet gesproken over de melding, noch deze naar buiten gebracht. De directrice van de ondernemer heeft daarentegen haar zwijgplicht geschonden door informatie te delen met andere ouders waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze niet gedeeld behoorde te worden.

De consument wilde na de melding en na afronding van het onderzoek samen met de ondernemer openheid zoeken richting andere ouders en direct betrokkenen. De ondernemer is hieraan vanaf het begin niet tegemoetgekomen. Later hoorde de consument van verschillende personen, dat de ondernemer stelde dat de consument en zijn vrouw niet wilden praten. Dit is niet juist. De consument heeft steeds aangegeven openheid te willen geven en samen te willen werken maar de ondernemer heeft hierop nooit gereageerd.

De consument wil dat de ondernemer kritisch wordt bekeken en aangesproken wordt op zijn handelen en functioneren en de wijze waarop de ouders en hun dochter behandeld zijn.

De consument wenst daarnaast een openbaar excuus (in de media) van de directie van de ondernemer over de wijze waarop zij behandeld zijn. De consument wenst daarbij een openbare rectificatie in de media van de uitspraken van de directrice die blijft zeggen dat er niets gebeurd is.

De consument wenst voorts een vergoeding voor gemaakte kosten en geleden schade. Voor het belang van andere kinderen en hun ouders is de consument doorgegaan om toch openheid te bewerkstelligen. Hiervoor heeft hij kosten moeten maken. Pas nadat er nog twee meldingen gedaan zijn, is de ondernemer gedwongen openbaarheid te geven. Na een bijeenkomst waarop dit gedaan is en waarbij veel ouders boos waren omdat ze pas zo laat geïnformeerd waren, is nog een derde melding ontvangen.

De consument heeft ook kosten moeten maken omdat hij gedwongen was een advocaat in te schakelen in verband met dreiging door de ondernemer met juridische stappen. Omdat de ondernemer aangaf ouders met vragen door te sturen naar de consument, diende deze te weten wat juridisch gezien wel en niet gezegd mocht worden. Dit is afgestemd met een advocaat. Deze advocaat heeft ook in een brief de directrice geconfronteerd met de lasterlijke uitspraken die zij over de consument en zijn echtgenote deed.

De consument wenst aldus een vergoeding voor:

  • Het feit dat hij en zijn echtgenote in een sociaal isolement terecht zijn gekomen;
  • De juridische kosten en kosten van onderzoek door hen gedaan om meer openheid te krijgen;
  • Het feit dat het bedrijf van de consument en zijn echtgenote sinds oktober 2017 als gevolg van de voortslepende zaak stil staat.
    De consument heeft een factuur overgelegd van € 511,23 inzake achtergrondonderzoek door een recherchebureau, een factuur voor een bedrag van € 100,– wegens eigen risico bij de rechtsbijstandverzekering, een factuur van € 907,50 voor juridisch advies en bijstand, alsmede cijfers met betrekking tot de omzet  van het bedrijf.

Ter zitting is door de consument – in hoofdzaak – nog het volgende aangevoerd.

Het gaat gelukkig steeds beter met zijn dochter. Zij is nu rustiger, ze gaat naar school en daar heeft zij het naar haar zin.

De consument schetst hoe een en ander is verlopen vanaf het moment dat zijn dochter met het verhaal kwam over de medewerker. De ouders  schrokken van dit verhaal; het was geen gewoon  verhaal voor een kind van haar leeftijd. Het ging om seksueel grensoverschrijdend gedrag gekoppeld aan angst. Dat was ook de reden dat het gemeld is bij de ondernemer. Daarbij zijn de ouders uiterst voorzichtig te werk gegaan. Zij hebben eerst advies ingewonnen bij een andere ouder die vanuit haar professie beter bekend verondersteld werd met een dergelijke situatie. Op haar advies is BOinK ingeschakeld in verband met hun expertise. De dochter is onderzocht in het ziekenhuis, waarbij gelukkig niets gevonden is. De ouders zijn ook naar de zedenpolitie gegaan maar hebben geen aangifte gedaan omdat gezegd werd dat daar geen aanleiding toe was. Achteraf vinden de ouders dat zij destijds wel aangifte hadden moeten doen. Maar eigenlijk had de ondernemer dit moeten doen. De ouders hebben inmiddels hun melding omgezet in een aangifte. De consument wijst voorts op een email van 26 juni 2016 van de vertrouwensinspectie waarin gemeld wordt dat de vertrouwensinspecteur wél een redelijk vermoeden had van grensoverschrijdend gedrag. De ondernemer had dus de plicht om aangifte te doen maar heeft dat niet gedaan en verschuilt zich achter allerlei andere instanties. De ondernemer heeft volgens de consument een eigen verantwoordelijkheid en had, zelfs bij een negatief advies van de vertrouwensinspectie, kunnen besluiten om toch aangifte te doen, zodat een onderzoek gestart zou worden. Dat was niet alleen in het belang van de consument en zijn dochter maar ook van alle andere ouders en hun kinderen. Door geen aangifte te doen heeft de ondernemer de indruk gewekt de melding van de ouders niet serieus te nemen. Dit past niet bij de zorgplicht die een  ouder van een ondernemer in de kinderopvang mag verwachten.

De ouders hebben het gevoel gehad dat de ondernemer met name oog had voor zijn bedrijfsbelangen, dat de bal bij hen gelegd werd en dat zij er alleen voor stonden. Zij  mochten niets zeggen van de ondernemer, waardoor zij in een zeer nare positie zaten. Zij voelden zich totaal geïsoleerd. Zij maakten zich zorgen omdat zij wisten van de melding maar dit niet mochten vertellen aan andere ouders, terwijl de betreffende medewerker nog wel werkzaam was bij de ondernemer. Terwijl de ouders dus uiterst voorzichtig te werk zijn gegaan en door de ondernemer gedwongen werden niets te doen of zeggen, bleek dat de (directrice van de) ondernemer allerlei  dingen over hen vertelde die niet waar waren of zelfs als lasterlijk bestempeld kunnen worden. Zo heeft de ondernemer tegen de GGD arts gezegd dat de ouders niet met haar wilden spreken. Dat was helemaal niet het geval. Op het moment dat een gesprek met de GGD arts erbij werd voorgesteld zagen de ouders alleen het nut daarvan niet in, zij wilden toen slechts de procedure bespreken en onder meer weten waarom door de ondernemer geen aangifte werd gedaan. Ook heeft de ondernemer tegen andere ouders dingen verteld die alleen de politie wist en zijn  insinuerende opmerkingen gemaakt. Dat deze ouders door de consument waren betrokken bij de zaak, betekent niet dat het de ondernemer vrij stond om zonder toestemming van de ouders informatie over de zaak met hen te delen. De ouders zijn erg geschrokken van deze uitlatingen. Daarbij werd ook gesuggereerd dat zij de ondernemer in een kwaad daglicht wilden stellen, terwijl de ouders juist steeds hebben getracht om zo zorgvuldig mogelijk te zijn. Zij wilden slechts samen met de ondernemer in alle openheid het proces bespreken om duidelijkheid te krijgen, ook in het belang van andere ouders en vervolgens andere ouders wilden informeren.

Toen de (directrice van de) ondernemer  op de bijeenkomst van 30 november 2017 geconfronteerd werd met haar uitlatingen die gedaan waren naar andere ouders ([naam door consument betrokken ouder]) werd dit eerst ontkend. Toen duidelijk werd dat het gesprek was opgenomen door de andere ouder, was dat pijnlijk voor de ondernemer. Het gesprek was niet opgenomen om de ondernemer kwaad te doen maar omdat de andere ouder kort na haar bevalling zeker wilde weten dat zij alles goed gezegd had en e.e.a. nog eens wilde kunnen naluisteren. Geconfronteerd met de ontkenning van de ondernemer  is op de opname gewezen. De consument heeft sterk het idee dat de opnames de verhoudingen geen goed gedaan hebben en dat hierdoor het vertrouwen geschaad is. De keuze om het gesprek op te nemen is evenwel niet iets wat de consument en zijn vrouw kan worden verweten. Toch lijkt het erop dat dit wel gebeurd is en dat dit de aanleiding is geweest voor de ondernemer om ook niet meer te willen meewerken aan eerdere toezeggingen, zoals een informatieavond voor andere ouders en zelfs niet met een kleinschalig afscheid van de dochter. De consument vindt het onbegrijpelijk dat dit laatste niet mogelijk werd geacht en is afgedaan met de mededeling dat het pedagogisch onverantwoord zou zijn. De uitleg die de ondernemer nu ter zitting geeft, dat dit besproken is met de pedagogisch medewerkers en dat zij er moeite mee hadden gelet op de situatie, had hij graag destijds gehad, zodat bezien had kunnen worden wat dan wél mogelijk was.

In de brief van 8 december 2017 werden door de ondernemer alle op 30 november 2017 gemaakte afspraken afgewezen en werd de ouders gemeld dat andere ouders met vragen naar hen zouden worden doorverwezen én werd hen tevens te verstaan gegeven dat  zij niets mochten zeggen over de zaak omdat anders stappen zouden volgen. Voor de ouders was op dat moment volstrekt onduidelijk wat zij wel en niet mochten zeggen of doen. Dát is de reden dat de consument naar een advocaat is gegaan, aanbevolen door BOinK omdat deze advocaat gespecialiseerd is in dergelijke zaken. Deze advocaat heeft een tekst opgesteld waarin de zaak heel summier wordt omschreven. Andere ouders zijn op basis hiervan door de ouders te woord gestaan.

Begin januari 2018 stond plotseling de politie bij de consument op de stoep in verband met een melding van Veilig Thuis. Veilig Thuis zou zijn ingelicht door de gemeente die had aangegeven geen zicht te hebben op de ouders.  Opeens lag de focus op de ouders en werden zaken omgedraaid. Gelukkig was al snel duidelijk dat een en ander niet klopte maar dit was wel de druppel die de emmer deed overlopen voor de ouders.

Nadat een tweede melding werd gedaan door een andere ouder over dezelfde medewerker, werd opeens wél een informatieavond georganiseerd. Die avond was echter alleen voor de contractanten van dat moment. De consument was dus niet uitgenodigd, noch andere ouders die eerder wel gebruik hadden gemaakt van de opvang. De consument heeft gehoord dat de avond niet goed is verlopen. De aanwezige ouders waren  boos dat zij pas op een zo laat moment geïnformeerd werden. Dat is precies wat de consument steeds heeft aangegeven en wat ook BOink adviseert: informeer de ouders, zodat zij zelf kunnen beslissen wat zij met die informatie willen doen.

De ondernemer heeft aangeboden dat de dochter naar een andere locatie kon gaan maar omdat geen zekerheid kon worden geven dat de bewuste medewerker niet op die locatie zou komen is geen gebruik gemaakt van dat aanbod en is de dochter vanaf oktober 2017 niet meer naar de opvang van de ondernemer gegaan. In oktober was zij thuis, waardoor de ouders niet aan hun werk zijn toegekomen. Daarna is besloten dat de dochter naar een andere opvang zou gaan.

Er is onderzoek gedaan door de politie. Hierbij is ook de dochter thuis verhoord. Omdat de politie een badge ophad, en dus herkenbaar was als politie, waarvoor de dochter juist bang was, had het verhoor weinig nut. De dochter wilde niet praten over wat gebeurd was.

De ouders zetten ook vraagtekens bij de mededelingen die door de medewerker gedaan zijn aan de politie, waarbij hij aangaf dat hij de dochter niet kende en haar alleen maar kende van achter een hekje. Dit klopt niet. Op basis van verklaringen van andere ouders is duidelijk dat hij wel degelijk in dezelfde ruimte is geweest. Zo zijn er meer dingen die niet kloppen, zoals de verklaringen dat kinderen niet op de zolder kwamen of hoe in de praktijk uitvoering werd gegeven aan het vier ogen principe en het deurbeleid.

Naar aanleiding van hetgeen in het verweerschrift is opgemerkt met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding, merkt de consument nog op dat deze schade niet vooraf was ingecalculeerd of ingecalculeerd had kunnen  worden omdat vooraf nooit bevroed had kunnen worden in welke bizarre situatie hij en zijn gezin terecht zouden komen na het doen van de melding. Hun leven is zowel privé als zakelijk op zijn kop gezet.

De consument geeft aan dat hij weet dat het een erg complexe situatie was en begrijpt dat dit voor de ondernemer moeilijk was en gelooft ook wel dat deze zijn best heeft gedaan maar hij blijft erbij dat de ondernemer uiteindelijk verantwoordelijk is en anders had moeten handelen.

[Naam vertegenwoordiger consument] voegt hieraan toe dat hij met de ondernemer meeleeft. Hij legt uit dat de aangifteplicht is ingevoerd naar aanleiding van de Amsterdamse zedenzaak. Aangifte betekent dat er gehandeld moet worden door de politie. Hij sluit niet uit dat de weergave van de gebeurtenissen door de ondernemer juist is. Er zijn duidelijk fouten gemaakt door verschillende instanties. Ook sluit hij niet uit dat de ondernemer gestuit is op een onwelwillende houding van de politie waar het gaat om het doen van aangifte. Echter, de verantwoordelijkheid om aangifte te doen ligt bij de ondernemer. Deze kan zich niet verschuilen achter andere instanties.

Bij schrijven van 20 december 2018 heeft de consument in zijn laatste reactie  – in hoofdzaak-  nog het volgende aangevoerd.

De consument reageert op de verslagen van de betrokken partijen die op 3 oktober 2018 mondeling gehoord zijn door de commissie, alsmede de nadien ontvangen schriftelijke reacties van de vertrouwensinspectie en de politie.

De consument is van mening dat de gemeente vanuit haar zorgtaak alle betrokken partijen en niet alleen de kinderopvang had moeten horen om zo een goed beeld te krijgen. De consument wijst erop dat de gemeente gebruik had moeten maken van de ervaring van partijen die vaker met een dergelijk situatie te maken hebben gehad en veel eerder de andere ouders had moeten informeren. Voorts stelt de consument dat de indruk bestaat dat de gemeente de zaak stil wilde houden om onrust te voorkomen en dat op de informatieavond juridisch verkeerde informatie is gegeven. De consument zet vraagtekens bij de  uitleg die de gemeente en de vertrouwensinspectie geven bij wat verstaan moet worden onder aangifteplicht.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het betoog van de ondernemer op het volgende neer.

De ondernemer hecht zeer aan een goede band met de ouders die hun kostbaarste bezit, hun kind(eren), aan de ondernemer toevertrouwen. De ondernemer handelt altijd met het oog op het belang en het welzijn van de kinderen. De ondernemer betreurt het zeer dat het in deze zaak tot een klacht is gekomen, nu hij vanaf het begin heeft getracht om met de ouders en alle betrokkenen daaromheen het juiste te doen.

De ondernemer heeft er alle begrip voor dat de ouders in deze alles doen wat in hun visie goed is voor hun dochter. De ondernemer betreurt het evenwel dat het nooit gekomen is tot een gesprek tussen alleen de ouders en de ondernemer, zonder adviseurs en andere in het proces betrokken geraakte partijen. Hierdoor had meer begrip voor elkaar kunnen ontstaan en hadden zaken nog nader kunnen worden toegelicht. De ondernemer heeft echter vruchteloos aangedrongen op zo’n gesprek, ook nog na de opzegging, in een mail van 2 november 2017.

De ondernemer verzorgt al 15 jaar kinderopvang in de gemeente [naam gemeente]. Op 13 oktober 2017 ontving de ondernemer in een gesprek met de consument een melding van vermoedelijk grensoverschrijdend gedrag van een medewerker, gebaseerd op uitlatingen van de dochter van de consument.

Daarop volgde op 16 oktober 2017 een brief van de consument en zijn echtgenote, alsmede [naam door consument betrokken ander ouder](GZ psycholoog en tevens ouder van kinderen op de opvang van de ondernemer) en haar partner, [naam partner].

De ondernemer heeft vervolgens de stappen conform de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling ondernomen. De consument is hier schriftelijk inhoudelijk over geïnformeerd op 17 en 18 oktober 2017.

De melding is vervolgens door de politie, bureau Zeden, onderzocht en uiteindelijk is door de politie eind oktober 2017 aangegeven dat er geen concrete aanknopingspunten voor bewijs ter ondersteuning van de melding zijn gevonden. De medewerker is in die zin ook nimmer als verdachte aangemerkt.

Na afronding van het onderzoek heeft de consument het contract met onmiddellijke ingang beëindigd. Hierna is nog wel gecorrespondeerd door de consument ( onder meer op 5 november 2017) evenals door de door de consument betrokken ouder, [naam van deze ouder], zowel op professionele als persoonlijke titel (11 november 2017).

Op 30 november 2017 heeft uiteindelijk tussen een aantal partijen overleg plaatsgevonden, geïnitieerd door de ondernemer. Hierna is nog gecorrespondeerd naar aanleiding van  een aantal door de consument neergelegde wensen. Op het moment dat deze wensen niet werden ingewilligd, werd een brief van de advocaat van de consument ontvangen.

Toen in februari 2018 nog een tweede afzonderlijke melding werd ontvangen is onrust ontstaan onder de overige ouders. Ook naar aanleiding van deze melding is onderzoek gedaan door de politie, bureau Zeden, en zijn ook de GGD, de gemeente en het OM betrokken geweest. Ook uit dat uitgebreide onderzoek zijn geen bewijzen van grensoverschrijdend gedrag naar voren gekomen en is de medewerker niet als verdachte aangemerkt.

In verband met de omstandigheden hebben de ondernemer en de medewerker in onderling overleg moeten besluiten om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Wat betreft de klachten van de consument voert de ondernemer het volgende aan.

Ad 1 Meldplicht en Meldcode

De ondernemer heeft exact conform de meldcode gehandeld en heeft dat ook middels een brief van 17 oktober 2017 aan de consument kenbaar gemaakt. De ondernemer is in contact getreden met de vertrouwensinspecteur en er is nagegaan of er sprake was van een redelijk vermoeden van een geweld- of zedendelict. Dat was volgens de vertrouwensinspecteur niet het geval, zodat er geen sprake was van een aangifteplicht. Nader onderzoek zou dus niet aan de orde zijn. Teneinde zorgvuldig te zijn is de ondernemer toch in contact getreden met de politie, afdeling Zeden. Ook dit is aan de consument gemeld in de brief van 17 oktober 2017.

Dat de consument thans stelt dat er een aangifteplicht is, staat haaks op de inhoud van zijn brief van 16 oktober 2017 waarin hij stelt: “onderschrijven jullie het redelijke vermoeden van grensoverschrijdend gedrag in deze situatie? …..Zo ja dan heeft [naam ondernemer] een aangifteplicht”.  Nu de ondernemer dit redelijke vermoeden niet had en ook de vertrouwensinspecteur daartoe niet kwam, was er geen aangifteplicht. Desondanks heeft in het belang van de consument maar zeker ook van de ondernemer een uitgebreid onderzoek plaatsgevonden, hetgeen geen concreet bewijs heeft opgeleverd.

De inhoud van de Meldcode en het daarin beschreven stappenplan staat los van het recht van de ouders om zelf aangifte te doen. De consument heeft dit niet gedaan, ook niet nadat duidelijk was dat de ondernemer geen aangifte zou doen.

De ondernemer vindt het vreemd dat de consument met dit verwijt komt richting de ondernemer, die gehandeld heeft op advies van de diverse betrokken instanties zoals de vertrouwensinspectie, maar ook de GGD, politie en Openbaar Ministerie.

Waarom de consument geen aangifte heeft gedaan is de ondernemer niet bekend. Uit de brief van 16 oktober 2017 blijkt dat er toen al sprake was van advisering door BOinK, dat er al contact was met de zedenpolitie en dat er al medische onderzoeken hadden plaatsgevonden. De inhoud van de gesprekken en onderzoeken is de ondernemer niet bekend. Dat is ook niet noodzakelijk. Echter, indien hieruit informatie was gekomen die zou maken dat er wel sprake was van een redelijk vermoeden, dan had deze informatie met de ondernemer gedeeld moeten worden.

Wat betreft het verwijt dat de andere ouders niet zijn geïnformeerd wijst de ondernemer op het feit dat het informeren van de ouders op de locatie enkel en alleen verplicht is indien er sprake is van een aangifte. Nu er voor de ondernemer geen aanleiding was om aangifte te doen en de consument zelf ook heeft afgezien van het doen van aangifte, bestond deze verplichting niet.

In zijn brief van 18 oktober 2017 heeft de ondernemer in het kader van complete transparantie verslag gedaan van de gesprekken die hij gevoerd heeft en de gegeven adviezen met de consument gedeeld. Uit die brief blijkt ook dat het welzijn van de dochter voor allen op de eerste plaats staat. Hierop is door de consument bij mail van 20 oktober gereageerd waarbij wordt voorgesteld om de onafhankelijke GGD arts niet uit te nodigen maar wel onder meer de voorzitter van BOinK. Gevraagd wordt ook of de ondernemer aangifte gaat doen. Uit de brief van 23 oktober 2017 van de ondernemer blijkt dat hij daartoe geen aanleiding ziet op dat moment, hetgeen ook in lijn was met het advies van de vertrouwensinspecteur, omdat er geen redelijk vermoeden was. Was dat er wel, dan had de ondernemer conform protocol aangifte gedaan. Overigens begreep de ondernemer dat het onderzoek dan niet anders was verlopen dan nu het geval is geweest.

Wat betreft de andere meldingen stelt de ondernemer dat ook daarbij volgens protocol is gehandeld en hij de aan hem gegeven adviezen heeft gevolgd.

Het betrekken van andere meldingen in de klacht en het feit dat anderen niet zijn uitgenodigd voor de informatiebijeenkomst, valt volgens de ondernemer buiten de klacht. De ondernemer heeft ervoor gekozen om alleen de ouders uit te nodigen waarmee zij op dat moment een contract had, om duidelijkheid en rust te creëren.

De opmerkingen over een vlog ziet de ondernemer als niet ter zake doende en de mededeling dat het dezelfde medewerker betreft waar de melding op ziet, als stemming makend.

Met betrekking tot de brief van de advocaat van de consument van 13 februari 2018 merkt de ondernemer op dat deze inhoudelijk niet strookte met hetgeen eerder was besproken. Er is door de ondernemer voor gekozen hierop niet meer te reageren teneinde “geen olie op het vuur te gooien”. Volgens de ondernemer heeft geen smaad of laster plaatsgevonden. De stelling van de consument op dit punt is gebaseerd op de inhoud van een gesprek met [naam door consument betrokken andere ouder]. Zij is door de consument zelf vanaf het eerste moment ingeschakeld en participeerde.

Ad 2 Welzijn dochter

Voor de ondernemer is het welzijn van de dochter altijd het belangrijkste geweest. Dit wordt onderschreven door de inhoud van de brieven van 18 en 23 oktober 2017.

In het gesprek van 13 oktober 2017 is ook direct aangeboden om de opvang op een andere locatie te realiseren.

Van een gesprek om te bezien wat op dat moment goed was voor de dochter (zoals herhaaldelijk voorgesteld door de ondernemer) is het niet meer gekomen, omdat vanaf 12 oktober 2017 geen gebruik meer is gemaakt van de opvang. Op 30 november 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden. Dat gesprek had evenwel een geheel andere toonzetting, waardoor een aantal punten niet meer ter sprake is gekomen. De ondernemer heeft steeds getracht contact te onderhouden met de personen waar het om handelt, namelijk de consument en zijn echtgenote. Ook na de opzegging is in een mail van 2 november 2017 getracht met hen aan tafel te komen om alles te bespreken.

Ad 3 kwaliteit van de opvang

De opvang voldoet aan de daaraan te stellen eisen. De ondernemer staat open voor kritiek maar is van mening dat in deze door de consument maar ook door de ondersteunende partijen gehandeld is op basis van aannames en eenzijdig vastgestelde feiten, op basis waarvan verwachtingen op dringende wijze werden neergelegd. Vanaf het begin is sprake geweest van achterdocht en wantrouwen.

Ten aanzien van het vier-ogenprincipe, de drie-uursregeling en de achterwachtregeling is beschreven en goedgekeurd beleid aanwezig.

Ad 4 Communicatie

De ondernemer betwist dat gemaakte afspraken door hem niet zijn nagekomen, zoals de consument heeft gesteld.

De ondernemer heeft getracht om tot een overleg te komen met alle partijen om de vragen die de consument in zijn brief van 5 november 2017 stelde te kunnen beantwoorden. GGD, gemeente en zedenpolitie waren uiteindelijk niet bij het gesprek van 30 november 2017 aanwezig. Het overleg heeft mede hierdoor een voor de ondernemer onbevredigend verloop gekregen omdat hij  niet in de gelegenheid is gesteld de vragen van de consument te beantwoorden.

De voorzitter van BOinK die de consument en zijn echtgenote bijstond,  nam de leiding van het gesprek en vertelde over zijn ervaringen met zedenzaken, waarbij direct ook veel druk werd gelegd op het informeren van  alle ouders op de opvang. Aangezien de ondernemer andersluidende adviezen had gekregen heeft hij aangegeven dat te willen bezien en daar open voor te staan maar eerst de door de voorzitter van BOinK genoemde ervaringsdeskundigen te willen raadplegen. Een lijst met dergelijke deskundigen werd toegezegd maar is niet ontvangen. Vervolgens werden door de voorzitter van BOinK allerlei feitelijke zaken over de betreffende medewerker opgemerkt die hem in een kwaad daglicht stelden en op dat moment niet in verband stonden met hetgeen gesteld werd.

Tijdens het overleg bleek ook dat een gesprek tussen de ondernemer en de ouders die door de consument bij de zaak betrokken waren heimelijk, derhalve zonder toestemming en/of melding, was opgenomen. Daarmee was het broze vertrouwen volkomen weg. Uitgangspunt van de ondernemer was het nalopen van het proces en begrip kweken voor de gezette stappen maar dat uitgangspunt werd niet gedeeld.

De ondernemer heeft aangegeven de voorstellen mee te nemen,  daarover te denken en erop terug te komen. Dat is ook gebeurd. Bij brief van 8 december 2017 is een reactie gegeven met een duidelijke motivering.

Omdat de consument voortdurend kritiek had op de handelwijze van de ondernemer is ervoor gekozen om ouders die vragen hadden over het vertrek van de dochter van de consument naar de consument te verwijzen, zodat er geen sprake van miscommunicatie zou kunnen zijn. Daarbij is slechts aangegeven dat de ondernemer er vanuit ging dat het informeren niet zou leiden tot schade voor de ondernemer of zijn medewerkers.

Ad 5 en 6 Privacy en Smaad/laster

De ondernemer acht het verwijt van de consument dat diens privacy geschonden is doordat informatie gedeeld is met een andere ouder onbegrijpelijk. Hij wijst erop dat de consument zelf de andere ouder ([naam andere ouder]) en haar partner vanaf het eerste moment betrokken heeft en alle informatie met hen heeft gedeeld. Zij zijn medeopstellers van de brief van 16 oktober 2017 en ook heeft zij zelfstandig geopereerd door onder andere te reageren op brieven van de ondernemer waarin zijn in kopie was meegenomen. Nadat het onderzoek was afgerond heeft zij  bij de groepsleiding haar twijfels neergelegd over de veiligheid op de groep. De directeur heeft hierop telefonisch contact met haar gezocht en er heeft een gesprek plaatsgevonden. Dit gesprek bleek nadien heimelijk te zijn opgenomen. Hierdoor is veeleer de privacy van de ondernemer geschonden. Van smaad of laster is geen sprake.

De ondernemer heeft nimmer in gesprekken met andere ouders, zelfs niet met hen die door de consument zelf geïnformeerd waren, de naam van de consument of zijn dochter genoemd.

Wat betreft de gevorderde schadevergoeding merkt de ondernemer op dat hierover niet eerder met de ondernemer is gecorrespondeerd en dit onderdeel derhalve ingevolge artikel 6 lid 1a van het reglement van de commissie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Voorts wijst de ondernemer erop dat het schade betreft over een periode dat er geen sprake meer was van een overeenkomst tussen partijen, de ondernemer niet aansprakelijk is voor enige schade, dan wel dat de geclaimde kosten redelijkerwijze niet voor rekening en risico van de ondernemer dienen te komen.

De ondernemer verzoekt de commissie de klacht ten aanzien van de financiële vergoeding niet-ontvankelijk te verklaren en/of de klacht op alle onderdelen ongegrond te verklaren. Daarnaast verzoekt de ondernemer om de consument de nog vast te stellen procedurekosten aan de ondernemer te laten vergoeden.

Ter zitting is door de ondernemer – in hoofdzaak – nog het volgende aangevoerd.

De ondernemer betreurt het enorm dat de ouders blijkbaar het gevoel hebben gekregen dat hij de melding niet serieus nam en het welbevinden van hun dochter niet voorop stelde. Uit de brieven en e-mails van de ondernemer aan de consument maar ook uit zijn handelen blijkt volgens de ondernemer dat hij zich wel degelijk zorgen maakte over de dochter en de melding zeer serieus nam. Er is direct contact opgenomen met de vertrouwensinspecteur. Die gaf aan: neem contact op met de zedenpolitie en dat is ook gedaan. Vervolgens zijn ook de gemeente en de GGD betrokken. Helaas heeft de ondernemer het gevoel gehad in het hele proces niet naast de ouder te kunnen staan. De ouders waren al verder dan de ondernemer; zij hadden al informatie ingewonnen en stappen genomen, zij waren al bij de politie en in het ziekenhuis geweest en zij hadden BOinK ingeschakeld. De ondernemer werd voor het eerst geconfronteerd met een dergelijke melding. Hij is er met de beste bedoelingen ingegaan en heeft steeds naar eer en geweten gehandeld. Bij de vertrouwensinspectie heeft hij direct aangegeven dat als er inderdaad sprake leek te zijn van grensoverschrijdend gedrag, alles op zijn kop moest om dit uitgezocht te krijgen. Van “onder de pet houden” of alleen belang hebben voor de onderneming is nooit sprake geweest. Wel is het zo dat juist omdat de ondernemer niet bekend was met een dergelijke situatie, hij heel secuur heeft geluisterd naar de betrokken instanties. Hij wilde absoluut geen fouten maken en had rekening te houden met verschillende belangen, waaronder het lopende strafrechtelijke onderzoek. De ondernemer heeft het advies dat hij kreeg van de politie gevolgd:  voordat het onderzoek is afgerond nog niets naar buiten brengen omdat voorkomen moet worden dat de medewerker dan weg gaat en elders in het land aan het werk gaat voordat duidelijkheid verkregen is over wat gebeurd is.

De ondernemer begrijpt zeer goed dat de ouders de onderste steen boven wilden krijgen en zijn gaan staan voor hun kind. Ook heeft de ondernemer begrip voor hun boosheid en frustratie. Hij begrijpt echter niet waar het wantrouwen dat hij eigenlijk vanaf het begin heeft ervaren bij de ouders vandaan is gekomen. Door dit wantrouwen was er geen mogelijkheid voor een goed verhelderend gesprek, één op één, zonder anderen, zoals BOinK en de andere ouder erbij.

Het blijkt dat er verschil is in uitleg van de Meldcode bij de gemeente, de vertrouwensinspectie, het Openbaar Ministerie, de politie en de GGD en de uitleg daarvan door BoinK, die de ouders heeft bijgestaan en geïnformeerd.

De recente e-mail van de vertrouwensinspectie van 26 juni 2018 roept helaas ook weer vragen op omdat hierin wordt gesteld dat er wél sprake was van een redelijk vermoeden van grensoverschrijdend gedrag maar ook dat de ondernemer voldaan heeft aan zijn aangifteplicht.

De ondernemer stelt dat hij een meldplicht heeft bij en een overlegplicht met de vertrouwensinspecteur in een situatie als deze. Daaraan is ook voldaan. De ondernemer heeft in het gesprek met de vertrouwensinspecteur begrepen dat er géén redelijk vermoeden was van grensoverschrijdend gedrag. De vertrouwensinspecteur heeft aangegeven dat sprake was van een situatie die niet helemaal vertrouwd werd en bellen deed rinkelen en dat het dus zinvol was om naar de politie te gaan om dit te bespreken. Dat heeft de ondernemer dan ook gedaan en naar zijn mening heeft hij daarmee voldaan aan zijn aangifteplicht, zoals de vertrouwensinspecteur in de mail ook aangeeft. Door BOinK wordt onder het doen van aangifte iets anders verstaan. Dáár zit een verschil in uitleg. Het Openbaar Ministerie heeft tegen de ondernemer gezegd dat de aangifteplicht inhoudt: het melding maken/aangeven van een mogelijk strafbaar feit bij de politie. Dat is ook wat de ondernemer heeft gedaan. De zaakdoende officier heeft het onderzoek dat op deze melding volgde vervolgens opgepakt alsof er aangifte was gedaan, daardoor was het niet meer nodig dat nog daadwerkelijk aangifte werd gedaan, omdat dit geen andere gevolgen zou hebben.

Ook op de werkvloer is navraag gedaan of daar signalen waren opgevangen, zowel wat betreft de medewerker als de dochter. Dat was niet het geval.

De ondernemer heeft alle stappen gezet met het protocol in de hand en daarbij advies gevraagd aan deskundige instanties. Achteraf bezien stelt de ondernemer dat veel anders was gegaan als er een onafhankelijk persoon of instantie was ingezet. Met de gemeente is de inzet van een PSHI team (Psychosociale Hulp bij ingrijpende gebeurtenissen) besproken, zoals eerder in Tilburg in een soortgelijke situatie is gedaan. De ondernemer betreurt het dat dit in dit geval niet is gebeurd.

De ondernemer bestrijdt dat door hem gezegd zou zijn tegen de GGD arts dat de ouders niet met haar rond de tafel wilden. Verder licht de ondernemer toe waarom toch afgezien is van een afscheid van de dochter. Hierover is overleg gevoerd met de leidsters en de groepsleiding. Het was ongeveer vijf tot zes weken na het  vertrek van de opvang en er mocht niet gesproken worden over de melding. De leidsters ervoeren het als lastig om enerzijds een gezellig gesprek te hebben, terwijl anderzijds een melding was gedaan over een collega waarmee zij prettig samenwerkten. De leidsters durfden het niet aan. Zij waren bang meer kapot te maken dan goed te doen. In overleg met de leidsters is besloten om het dan niet te doen.

Dit is niet zo met de ouders besproken omdat na het overleg van 30 november 2017 de ondernemer heel erg teleurgesteld was. De situatie was er niet meer naar, hoe graag de ondernemer dit anders had gewild.

De insteek, met name door de inbreng van BOinK, was direct dat de ondernemer het niet goed zou hebben gedaan. Daardoor ontstond al direct een sfeer van wantrouwen, terwijl de ondernemer graag naast de ouders was gaan staan in deze verdrietige situatie. De ondernemer betreurt het dat het hem niet gelukt is om de ouders het gevoel te geven dat ook voor de ondernemer het kind het middelpunt was en het vertrouwen terug te winnen.

Bij schrijven van 19 december 2018 heeft de ondernemer in zijn laatste reactie –  in hoofdzaak –  nog het volgende aangevoerd.

De ondernemer geeft aan dat hij met de wijsheid van nu:

  • Direct zou aansturen op een PSHI-team (zoals Tilburg 2013). Een melding als deze kan niet opgevangen worden door de kinderopvangorganisatie zelf. De gemeente nam de regie maar werd daardoor ongeloofwaardig in haar onpartijdigheid. De regie uit handen geven aan een team met specialisten (met kennis én ervaring) is volgens de ondernemer de beste oplossing. Een onafhankelijke partij die het hele proces overziet, aanstuurt, die informeert, die de ouders ondersteunt, de kinderopvang begeleidt in het volgen van de Meldcode etc.;
  • Onderdeel zou willen zijn van de overleggen van het Team Maatschappelijke Onrust en zich niet meer zou neerleggen bij het slechts vernemen van de uitkomsten van de bijeenkomsten van dit team;
  • Zich niet meer zo enkel en alleen zou laten leiden door dringende adviezen en opgelegde verplichtingen van instanties. De ondernemer heeft eindeloos kritische vragen gesteld maar durfde niet tegen de instanties in te gaan, omdat er vanuit werd gegaan dat deze instanties juist de expertise in huis hadden;
  • Graag zou zien dat de Meldcode herschreven wordt, zodanig dat alle betrokken partijen deze op dezelfde manier interpreteren. Door het verschil in interpretatie lag de focus vooral op het wel of niet handelen conform de Meldcode en is te weinig zorg geweest voor de zorg die de dochter, haar ouders, andere ouders en medewerkers van de ondernemer nodig hadden;
  • Graag zou zien dat er altijd een politieonderzoek volgt naar aanleiding van een melding. In dit geval heeft de Officier van Justitie dat ook ingezet;
  • Graag zou zien dat een groep kinderen rondom een melding als deze wordt geobserveerd door een gedragsdeskundige als onderdeel van het politieonderzoek;
  • Graag zou zien dat het uitlezen van beeld- en geluidsdragers standaard onderdeel worden van het politieonderzoek na een melding.

De ondernemer stelt steeds naar eer en geweten alles te hebben gedaan om juist te handelen, namelijk de werkwijze van de Meldcode volgend. Dit op de wijze zoals deze de ondernemer door de Vertrouwensinspectie, de Gemeente, de Officier van Justitie, de zedenpolitie en de GGD werd uitgelegd. De ondernemer wijst er daarnaast op dat de instanties die maatregelen en sancties hadden kunnen nemen om de ondernemer tot correct handelen te dwingen indien hij dat in hun ogen niet deed, dergelijke maatregelen of sancties nooit hebben genomen. De ondernemer hoopt dat de melding en de klacht bij de commissie zullen leiden tot een gezamenlijke verbetering op landelijk niveau. Waarbij de voornaamste verbetering ligt in een Meldcode die iedereen op dezelfde manier uitlegt.

Beoordeling van het geschil
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde, alsmede de informatie van door de commissie bevraagde getuigen en deskundigen, overweegt de commissie het volgende.

De commissie stelt voorop dat het aan haar voorgelegde geschil gaat om het handelen van de ondernemer naar aanleiding van een melding van mogelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker van de ondernemer. De commissie zal dit handelen van de ondernemer beoordelen, niet het gemelde ‘handelen van de medewerker’. Dit behoort uitdrukkelijk niet tot de taak van de commissie maar van politie, OM en strafrechter. Dit laatste ligt overigens ook niet aan de klacht ten grondslag.

Het betreft een complexe en emotionele zaak, waarbij diverse personen en instanties zijn betrokken. In het kader van een zorgvuldige beoordeling van het aan haar voorgelegde geschil, heeft de commissie de belangrijkste betrokken instanties en personen gehoord. De commissie zal, gelet op haar taak zoals omschreven in artikel 3 van haar Reglement, slechts het geschil tussen de consument en de ondernemer beslechten, voor zover dit betrekking heeft op de overeenkomst voor kinderopvang tussen de ondernemer en de consument en de gedragingen van de ondernemer jegens de ouders en het kind. Zij zal niet oordelen over het handelen van andere betrokken instanties of personen, noch zal zij een oordeel geven over zaken die niet de consument betreffen maar van algemene aard zijn of slechts anderen betreffen.

De commissie overweegt dat de klacht van de consument bestaat uit zes onderdelen. De klachtonderdelen 1, 2, 4, 5 en 6 hebben allen betrekking op het handelen van de ondernemer naar aanleiding van de melding van de consument van vermoedelijk grensoverschrijdend gedrag. Daarnaast klaagt de consument in klachtonderdeel 3 over de kwaliteit van de opvang bij de ondernemer en vordert hij schadevergoeding.

Handelen van de ondernemer

Bij de beoordeling van de belangrijkste klacht, namelijk het handelen van de ondernemer, zal de commissie allereerst bezien in hoeverre de ondernemer heeft gehandeld conform geldende wet- en regelgeving en (eigen) protocollen, daarna zal de commissie beoordelen of door de ondernemer gehandeld is zoals dat in redelijkheid verlangd kan worden van een houder in de kinderopvang.

  • Wet kinderopvang en Meldcode

De commissie stelt vast dat in 2013 de Wet kinderopvang is aangepast. Dit mede op grond van de aanbevelingen in het rapport van de commissie Gunning (2011), opgesteld naar aanleiding van de zedenzaak bij ‘t Hofnarretje in Amsterdam.

In dit kader is van belang dat vanaf 1 juli 2013 een wettelijke meldplicht bestaat specifiek voor de kinderopvang indien een medewerker wordt verdacht van een gewelds- of zedendelict. Deze meldplicht houdt in dat houders van kinderopvangorganisaties verplicht zijn om te overleggen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs bij aanwijzingen van een gewelds- of zedendelict door een medewerker. Indien na dit overleg sprake is van een redelijk vermoeden van een dergelijk delict, dan heeft de houder ook een aangifteplicht. Hij dient de vertrouwensinspecteur in kennis te stellen van de aangifte (artikel 1.51 a e.v. wet Kinderopvang).

Binnen de kinderopvangbranche is deze wettelijke plicht opgenomen in de in 2013 herziene versie van de “Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” (verder: Meldcode). Het betreft een basisdocument dat door houders nog aangepast moet worden aan de eigen situatie.

De commissie stelt vast dat de ondernemer ten tijde van de melding door de consument gebruik maakte van een in 2017 aangepaste versie van deze Meldcode. Van belang in deze is wat in de Meldcode is beschreven onder: II. Route bij signalen van mogelijk geweld- of zedendelict door een collega tegen een kind (pagina 21 tot en met 29).  Naast een stappenplan, waarin is aangegeven welke stappen genomen dienen te worden in een dergelijke situatie, wordt een toelichting gegeven op dit stappenplan, onder andere voor de situatie waarin een ouder melding maakt over een medewerker of leidinggevende. Met betrekking tot deze situatie is het volgende opgenomen:

“Indien een ouder aanwijzingen heeft dat een medewerker of leidinggevende zelf  een geweld- of zedendelict begaat (of heeft begaan) en een kind hiervan het slachtoffer is dan kan de ouder contact opnemen met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. Hiernaast heeft de ouder de (reguliere) rechtsplicht om bij een redelijk vermoeden van een strafbaar feit aangifte te doen bij de politie. De vertrouwensinspecteur zal de ouder adviseren om contact op te nemen met een leidinggevende van de kinderopvanginstelling. Betreft het de leidinggevende dan is het advies om contact op te nemen met de houder. Er ontstaat bij de leidinggevende van de kinderopvanginstelling een plicht om de houder op de hoogte te stellen van dit signaal. (zie verder onder het kopje aangifteplicht voor houder).”

Voorts is van belang hetgeen is opgenomen onder stap 2. Hier wordt beschreven wat de houder dient te doen bij een melding over een medewerker:

“De houder is verplicht om direct in overleg te treden met een vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. De vertrouwensinspecteur gaat samen met de houder na of er een redelijk vermoeden bestaat en adviseert de houder over de aangifte. Wanneer er geen sprake is van een redelijk vermoeden, is nader onderzoek redelijkerwijs niet aan de orde. De houder zal in gesprek gaan met de betrokkenen om de mogelijk verstoorde  werkhouding te herstellen. Indien de uitkomst is dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een gewelds- of zedendelict dan heeft de houder een aangifteplicht. De kinderen worden dan direct afgeschermd van de betrokken beroepskracht door deze op non-actief te stellen of te schorsen. De houder deelt dit mee aan alle betrokkenen (…)”

Aangifteplicht voor houder

Indien de houder aangifte doet, treedt de vertrouwensinspecteur terug. Indien de houder weigert om aangifte te doen terwijl de vertrouwensinspecteur concludeert dat er een redelijk vermoeden bestaat, geldt de volgende escalatieladder:

  1. Coördinator vertrouwensinspecteurs van het Onderwijs probeert de houder te overreden;
  2. Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs probeert de houder te overreden;
  3. Hoofdinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs legt contact met de burgemeester (het college van B&W) van de betreffende gemeente;
  4. De burgemeester zal de (zeden)politie inschakelen dan wel andere activiteiten vanuit zijn bevoegdheden initiëren.”

Onder stap 3 staat beschreven wat gedaan moet worden als aangifte wordt gedaan:
– de beroepskracht op non actief stellen in ieder geval voor de duur van het onderzoek,
– het aanleggen van een draaiboek,
– raadplegen van Veilig Thuis en/of lokale GGD,
– het regelen van opvang van kind(eren) en ouders , waarbij een beroep kan worden gedaan bij de GGD of Veilig Thuis. Ook wordt aangegeven dat de houder of directie contact houdt, betrokkenheid toont en de (betreffende) ouders informeert over de voortgang van het onderzoek. Daarnaast worden de ouders van overige kinderen geïnformeerd.

Vermeld wordt voorts dat de politie in de regel na het doen van aangifte een onderzoek instelt, dat het initiatief van dit onderzoek bij de politie ligt en houder en directie dit onderzoek moeten volgen en zelf geen stappen dienen te ondernemen die indruisen tegen de bewijslast van de politie.

De commissie stelt vast dat de onder stap 3 beschreven acties geen wettelijke grondslag hebben; dit zijn door de branche zelf opgestelde regels/adviezen.

De commissie stelt vast dat in het onderhavige geval de ouders op vrijdag 13 oktober 2017 melding hebben gedaan bij de ondernemer van mogelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker van de ondernemer richting hun dochtertje van drie-en-een-half jaar. De houder heeft hiervan direct dezelfde dag melding gedaan bij de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs. De houder heeft zich na het gesprek met de vertrouwensinspecteur tot de zedenpolitie gewend en melding gedaan van mogelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker. Er is geen aangifte gedaan door de houder. Er is wel een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van de melding door de houder. De gemeente is op maandag 16 oktober 2017 door de ondernemer op de hoogte gesteld van de melding. Vervolgens is op woensdag 18 oktober 2017 het crisisteam maatschappelijke onrust (CMO) bijeen gekomen, bestaande uit vertegenwoordigers van de politie, het OM en de gemeente. De GGD, die ook aanschoof in dit team, is zowel via dit team als via de ondernemer betrokken bij de zaak. De vertrouwensinspectie van het Onderwijs is steeds op de hoogte gehouden.

Uit de brief van de ondernemer aan de consument van 17 oktober 2017 volgt dat de betreffende medewerker in de week na de melding niet op de werkvloer was en hij vanaf 23 oktober 2017 waarschijnlijk door de ondernemer op non actief zal worden gesteld. Uit de brief van 23 oktober 2017 van de ondernemer aan de consument volgt dat de medewerker inderdaad voor de duur van het onderzoek van werk is ontheven. In het schrijven van de ondernemer van 25 oktober 2017 wordt gemeld dat het onderzoek is afgerond en dat nu er geen belastend bewijs is gevonden, de medewerker zijn werk weer zal hervatten maar die week nog ingezet wordt op een andere locatie.

De ondernemer heeft de ouders van andere kinderen op de opvang niet geïnformeerd over de melding.

De uitkomst van het onderzoek van de politie was dat er onvoldoende bewijs was dat het gemelde had plaatsgevonden. De betreffende medewerker heeft zijn werk bij de ondernemer hervat.

Nadien zijn meer meldingen van grensoverschrijdend gedrag door dezelfde medewerker richting kinderen ontvangen door de ondernemer. De ondernemer heeft de consument hiervan niet op de hoogte gesteld.

  • Aangifte(plicht)

Een van de belangrijkste geschilpunten tussen de ondernemer en de consument is of er al dan niet aangifte gedaan had moeten worden door de houder en wat precies verstaan moet worden onder het doen van aangifte. De ondernemer heeft in zijn verweerschrift van 31 mei 2018 aangevoerd dat de vertrouwensinspecteur niet heeft geconstateerd dat er sprake was van een redelijk vermoeden, zodat de ondernemer geen aangifteplicht had. Ter zitting heeft de ondernemer in aanvulling hierop nog aangegeven dat de vertrouwensinspecteur heeft gezegd dat de situatie niet vertrouwd werd en bellen deed rinkelen en dat geadviseerd is om de politie te raadplegen. De ondernemer heeft vervolgens dit advies opgevolgd en heeft melding gemaakt van mogelijk grensoverschrijdend gedrag bij de politie. Dat er geen sprake was van een redelijk vermoeden wordt weersproken door een email van de vertrouwensinspecteur aan de consument van 26 juni 2018 waarin staat dat de vertrouwensinspectie een redelijk vermoeden had van grensoverschrijdend gedrag.  Of dit destijds ook zo duidelijk is gezegd in het gesprek tussen de vertrouwensinspecteur en de ondernemer kan de commissie niet vaststellen. Ondanks vragen van de commissie heeft de vertrouwensinspectie  gelet op haar geheimhoudingsplicht deze informatie niet met de commissie gedeeld. Wat daar ook van zij, onweersproken is dat de situatie voldoende zorgwekkend werd bevonden door de vertrouwensinspectie om de ondernemer door te verwijzen naar de zedenpolitie, zodat naar het oordeel van de commissie verondersteld mag worden dat wel degelijk sprake was van een redelijk vermoeden bij de vertrouwensinspecteur.

Naar het oordeel van de commissie had de ondernemer in het onderhavige geval dan ook op basis van de wet én hetgeen in de door hemzelf gehanteerde Meldcode is bepaald, aangifte moeten doen bij de politie.

Echter, gebleken is dat meerdere betrokken partijen een andere uitleg hebben bij wat verstaan moet worden onder  het doen van aangifte. Dit volgt onder meer uit voornoemde email van de vertrouwensinspectie van 26 juni 2018, waarin tevens is opgenomen dat de ondernemer volgens de vertrouwensinspectie voldaan heeft aan de aangifteplicht. Hieruit kan worden geconcludeerd dat volgens de vertrouwensinspectie met het doen van een melding bij de politie van een vermoeden van een zedendelict reeds aangifte is gedaan. De commissie overweegt dat de vertrouwensinspectie in deze zaak ook geen maatregelen heeft genomen, zoals beschreven in de hiervoor genoemde escalatieladder, die verwacht mochten worden als de ondernemer niet conform het advies van de vertrouwensinspecteur had gehandeld. Op de vraag van de commissie wat de vertrouwensinspectie verstaat onder een melding en wat onder een aangifte, heeft de vertrouwensinspectie geantwoord: “In het kader van de overleg- en aangifteplicht heeft de houder overlegplicht met de vertrouwensinspectie. Indien sprake is van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit volgt daarna een melding of een aangifte bij de (zeden)politie. Een melding wordt gedaan bij de politie en vanuit daar volgt een aangifte. De aangifte wordt opgenomen door de politie als zij de melding aangiftewaardig vinden (meestal na (voor)onderzoek).”

In dit kader heeft de gemeente desgevraagd aangegeven dat onder aangifteplicht moet worden verstaan:  “Dit betekent dat bij de politie melding wordt gedaan dat er mogelijk iets strafbaars is gebeurd. In dit geval volgde uit het onderzoek dat niet aangetoond kon worden dat er iets strafbaars was gebeurd. Er was daardoor geen sprake van een verdachte in de zaak. Indien dit wél het geval was geweest, dan was het anders gegaan want dan had de houder aangifte kunnen doen op de persoon.”

De politie heeft in dit kader laten weten: “Algemene informatie werkwijze zeden: Het eerste contact met de politie over bijvoorbeeld seksueel misbruik dat iemand is overkomen, bestaat uit een melding. De melding wordt gedaan over wat globaal gebeurd is. Meestal wordt de melding gevolgd door een afspraak voor een gesprek met de zedenpolitie. Daarin wordt uitgebreider in gegaan op wat er gebeurd is, het zogeheten informatief gesprek. Het doel hiervan is het uitwisselen van informatie om ervoor te zorgen dat men weloverwogen tot een beslissing kan komen met betrekking tot het wel of niet doen van  aangifte. Indien gewenst krijgt een melder bedenktijd of men wel of niet aangifte wil doen.” “….Met de aangifte doet degene een verzoek tot strafvervolging van de verantwoordelijke.” “…Naar aanleiding van het informatieve gesprek dient het slachtoffer en/of de melder hier zelf een beslissing over te nemen.”

In deze zaak is een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van de melding. De politie geeft daarover het volgende aan: “Er zijn verschillende mogelijkheden om een strafrechtelijk onderzoek te starten bij de politie. Dit kan aan de hand van een melding en/of een informatief gesprek en/of een aangifte. Daarnaast kan de Officier van Justitie aan de hand van een eerder gedane melding dan wel informatief gesprek besluiten om ambtshalve (dus zonder aangifte te doen) te gaan vervolgen waardoor een strafrechtelijk onderzoek gestart zal worden. In het kader van een meldcode maakt de politie geen onderscheid in hoe de melding binnen komt en zal er altijd objectief gekeken worden naar de inhoud van de melding. In deze casus zou de zaak dus niet anders behandeld zijn indien aangifte was gedaan.”

Gelet op het voorgaande overweegt de commissie dat eenduidigheid ontbreekt over wat verstaan dient te worden onder het doen van aangifte/ de aangifteplicht bij de toezichthoudende instanties in de kinderopvang en dat dit ook niet voldoende duidelijk uit de Meldcode valt op te maken. Zo staat in de toelichting bij ‘Stap 3: Aangifte doen’ ook vermeld: “Indien na het overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat er een redelijk vermoeden bestaat dat er sprake is van een geweld- of zedendelict, dan heeft de houder een meldplicht.”  Naar het oordeel van de commissie kan de ondernemer dan ook niet verweten worden dat hij er vanuit ging dat hij met het doen van de melding bij de politie, waarna een onderzoek door de politie is gestart, voldaan had aan de op hem rustende plicht. De commissie stelt voorts vast dat de ondernemer de consument en zijn echtgenote goed op de hoogte heeft gehouden van zijn acties en de stand van zaken in de procedure. Ook heeft de ondernemer ervoor gezorgd dat de medewerker gedurende het onderzoek door de politie niet op de opvang werkzaam was. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer aldus zorgvuldig en in lijn met de Meldcode gehandeld.

De ondernemer heeft niet, zoals beschreven in de Meldcode, de andere ouders geïnformeerd over de melding van mogelijk grensoverschrijdend gedrag door een medewerker. De commissie is van oordeel dat de ondernemer niet verweten kan worden dat hij op basis van adviezen van de gemeente (toezichthouder) en de Officier van Justitie besloten heeft gedurende het onderzoek geen informatie aan andere ouders te verstrekken over de melding. Ook acht de commissie het begrijpelijk dat de ondernemer na afronding van het onderzoek, gelet op de uitkomst van het onderzoek en de adviezen die hij ontving van de gemeente, het OM en een ingeschakelde jurist, besloten heeft geen informatie te verstrekken aan alle ouders zoals door de consument is verzocht en op 30 november 2017 is besproken. Hiermee heeft de ondernemer weliswaar niet gehandeld volgens het stappenplan in de door hem zelf gehanteerde Meldcode (ervan uitgaande dat er wel sprake was van een redelijk vermoeden), echter, de onder 3. opgenomen acties zijn zoals de commissie heeft begrepen naar aanleiding van het verhoor van BOinK, niet verplicht en dienen slechts als leidraad. Afhankelijk van de situatie kan hier vanaf geweken (moeten) worden. Hierbij dient naar het oordeel van de commissie tevens in overweging te worden genomen dat op het moment dat deze beslissingen door de ondernemer genomen werden, sprake was van één melding, naar aanleiding waarvan een strafrechtelijk onderzoek was verricht door de politie en waarvan de uitkomst was dat er geen bewijs was dat het gemelde had plaatsgevonden en er nog geen weet was van de meldingen die nadien zouden volgen.

Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer in deze op dit punt derhalve zorgvuldig en naar behoren gehandeld.

  • Overig handelen van de ondernemer

Naar het oordeel van de commissie had de ondernemer op een aantal andere punten echter anders kunnen en behoren te handelen.

Zo had naar het oordeel van de commissie van de ondernemer een actievere rol verwacht mogen worden. In de kern gaat het daarbij om het feit dat de ondernemer, ongeacht vigerend beleid en/of toepasselijke protocollen, een zwaarwegende proactieve eigen rol te vervullen heeft in situaties als de onderhavige waarbij sprake is van een melding door een ouder aan de ondernemer van mogelijke kindermishandeling door een medewerker. De ondernemer dient zich daarbij de gevoeligheid bewust te zijn dat het zijn medewerker betreft die door de ouder wordt aangewezen als mogelijke dader ten opzichte van hun kind. Daarbij zal de ondernemer ook sneller geassocieerd worden met die medewerker, die immers voor de ondernemer werkzaam is. Daargelaten dat in bepaalde gevallen een marginale waarneming al laat zien hoezeer de aantijging onterecht is, dient in alle andere gevallen, waartoe ook onderhavig geval behoort, de ondernemer in hoge mate alert te zijn op het eigen handelen ten opzichte van de ouders. Het aanhoudend bieden van geborgenheid en  een voortdurende  positieve grondhouding naar de verontruste ouders toe dient daarbij het  belangrijkste streven te zijn en in het handelen van de ondernemer besloten te liggen. In vrijwel alle gevallen zal dit met zich mee brengen dat externe regie op het proces – in opdracht van de ondernemer – noodzakelijk is. De ondernemer heeft zich in het onderhavige geval naar het oordeel van de commissie onvoldoende bewust hiervan getoond in zijn  handelwijze althans zich deze rol in onvoldoende mate aangetrokken.

De commissie licht in het hierna volgende haar oordeel op dit punt toe.

De ondernemer heeft verschillende keren, onder meer al in een brief van 15 november 2017, aangegeven dat het goed was geweest als er een case-manager was geweest die als onafhankelijke partij de regie had kunnen nemen in het proces en de communicatie tussen alle betrokkenen zuiver en duidelijk had kunnen houden. Hierdoor hadden volgens de ondernemer misverstanden die nu ontstaan zijn, voorkomen kunnen worden. De ondernemer stelt dat hij dit meermaals heeft aangegeven in gesprekken met de vertrouwensinspecteur, de politie, de GGD en de gemeente. De commissie heeft er begrip voor dat de ondernemer, die voor het eerst geconfronteerd werd met een dergelijke situatie, zoekende was en aanvankelijk afging op de adviezen van organisaties waarvan meer expertise op dit gebied verwacht werd. Echter, naar het oordeel van de commissie had een actievere rol van de ondernemer verwacht mogen worden toen bleek dat sprake was van onvoldoende regie en de ondernemer merkte dat hij zelf deze regierol niet of onvoldoende kon vervullen. In plaats van dit neer te leggen bij anderen, had de ondernemer het voortouw moeten nemen en sterker dan thans, aan moeten dringen op of zelfs moeten overgaan tot de inschakeling van een dergelijke onafhankelijke case-manager.

Een ander belangrijk punt waarop de ondernemer naar het oordeel van de commissie niet correct heeft gehandeld is de communicatie en het welzijn van de dochter. Hoewel de ondernemer de ouders voldoende heeft geïnformeerd over de stappen die genomen werden en uit deze communicatie naar het oordeel van de commissie blijkt dat de melding wel serieus genomen is, had duidelijker nog dan nu is gebeurd, uit woord en daad moeten blijken dat het belang van het kind voorop stond en dat de ondernemer naast de ouders stond. Zo acht de commissie het niet begrijpelijk dat de ondernemer geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek van de consument om zijn dochter afscheid te kunnen laten nemen van haar leidsters. De daarvoor aangevoerde redenen acht de commissie onvoldoende. Als professionals in de kinderopvang had van de pedagogisch medewerkers verwacht mogen worden dat zij hun gevoel van onmacht/ongemak tijdelijk opzij zouden zetten in het belang van het kind.

De commissie is hiernaast van oordeel dat de ondernemer niet correct heeft gehandeld waar het gaat om het delen van informatie over de zaak met andere ouders. Hoewel het hier ging om ouders die door de consument en zijn echtgenote zelf betrokken waren bij de zaak, had van de ondernemer meer terughoudendheid verwacht mogen worden bij het delen van informatie, ook met deze ouders, zonder toestemming van de consument en zijn echtgenote. Tevens is de commissie van oordeel dat van een professionele partij verwacht mag worden dat deze zich onthoudt van het doen van uitlatingen zoals in dit geval is gebeurd. Echter, van smaad en laster zoals de consument heeft gesteld is naar het oordeel van de commissie geen sprake. Immers, naar het oordeel van de commissie is niet gebleken dat de ondernemer de eer en goede naam van de consument en zijn echtgenote opzettelijk heeft willen aanranden.

Voorts had naar het oordeel van de commissie van de ondernemer verwacht mogen worden dat hij de ouders meer had ondersteund in het proces en nazorg had geboden. Naar het oordeel van de commissie heeft de ondernemer er onvoldoende blijk van gegeven oog te hebben voor de moeilijke positie waarin de consument en zijn echtgenote geruime tijd hebben verkeerd door niet te mogen praten met andere ouders over de situatie en hun ongerustheid. De mededeling vervolgens in de brief van 8 december 2017, naar aanleiding van het gesprek op 30 november 2017, dat de ondernemer iedereen die vragen heeft over het vertrek van de dochter bij de opvang naar de ouders zal verwijzen en dat wanneer informatie wordt verstrekt  die betrokkenen schaden, onmiddellijk juridische stappen zullen worden gezet, getuigt naar het oordeel van de commissie niet van een ondersteunende houding. De commissie overweegt hierbij dat uit hetgeen ter zitting is besproken kan worden afgeleid dat deze reactie mede is ingegeven door de gang van zaken tijdens het overleg op 30 november 2017. De commissie acht het begrijpelijk dat de ondernemer was geraakt door het feit dat heimelijk opnames gemaakt waren van een eerder gesprek. Dit is weliswaar niet gedaan door de consument maar wel door een ouder die door de consument betrokken is bij de zaak en de consument heeft  verwezen naar deze opnames. Waar het verstrekken van informatie door de ondernemer, zoals hiervoor overwogen niet gepast was en geen goed heeft gedaan voor het vertrouwen tussen partijen, geldt hetzelfde voor het opnemen van gesprekken zonder dit vooraf te melden.  Echter, van de ondernemer had naar het oordeel van de commissie verwacht mogen worden dat hij hier minder emotioneel op had gereageerd en meer professionele afstand had bewaard.

Naar het oordeel van de commissie had tevens van de ondernemer verwacht mogen worden dat hij de consument en zijn echtgenote had geïnformeerd over de nieuwe melding(en). Immers, de ondernemer had kunnen of behoren te weten dat deze informatie voor hen van belang was. Dat de ondernemer de consument niet heeft uitgenodigd voor de informatieavond acht de commissie niet verwijtbaar. Het stond de ondernemer vrij om de informatieavond vorm te geven op een wijze die hij passend achtte. Wel had het op zijn weg gelegen om de consument dan op een andere manier te informeren. Of de ondernemer al dan niet juist heeft gehandeld door andere ouders die net als de consument op dat moment geen klant meer waren van de ondernemer niet uit te nodigen voor de informatieavond, laat de commissie in het midden. Immers, dit heeft geen betrekking op de overeenkomst van de consument met de ondernemer en valt derhalve buiten de bevoegdheid van de commissie.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de ondernemer in de gegeven situatie op onderdelen niet heeft gehandeld zoals in redelijkheid van hem, althans van een ‘professioneel ondernemer in dezelfde omstandigheden’ verwacht had mogen worden.

Kwaliteit van de opvang
Wat betreft de klacht van de consument inzake de kwaliteit van de opvang overweegt de commissie het volgende. Naar het oordeel van de commissie is deze klacht van ondergeschikt belang aan de hiervoor beschreven klachten en is de kritiek met name ingegeven door onvrede van de consument over de wijze waarop de ondernemer in het kader van de melding heeft gehandeld. Niet gebleken is dat voorafgaand aan de melding zorgen bestonden over de kwaliteit van de opvang of dat eerder zorgen over de kwaliteit zijn geuit bij de ondernemer. Hoewel de commissie er begrip voor heeft dat de ouders in de gegeven situatie kritischer dan voorheen en ook met een andere insteek naar bepaalde zaken op de opvang hebben gekeken, is naar het oordeel van de commissie niet aangetoond dat de kwaliteit van de opvang niet naar behoren was. De commissie wijst hierbij tevens op de reactie van de consument van 3 juli 2018 waarin hij aangeeft dat indien hun dochter geen angst had gehad voor de locatie en de medewerker de ouders eind oktober gewoon bij de ondernemer waren gebleven. Dat de ondernemer onvoldoende heeft gereageerd op de kritiek, acht de commissie eveneens onvoldoende aangetoond door de consument. De commissie is van oordeel dat dit klachtonderdeel ongegrond is en verwijst voorts naar het Inspectierapport van de GGD van 24 mei 2018.

Schadevergoeding en klachtengeld
Ten aanzien van de door de consument gevorderde schadevergoeding alsmede het verweer van de ondernemer op dit punt overweegt de commissie het volgende.

De commissie volgt de ondernemer niet in diens betoog dat de consument ingevolge artikel 6 lid 1a van het reglement van de commissie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, omdat hij deze niet eerder aan de ondernemer heeft voorgelegd. Wat er ook zij van de tijdige indiening van dit deel van de klacht/deze vordering bij de ondernemer, naar het oordeel van de commissie had onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de consument niet verlangd behoeven te worden dat hij zijn vordering eerder kenbaar had gemaakt aan de ondernemer, te meer nu deze nauw samenhangt met de klachten waartegen geen ontvankelijkheidsverweer is gevoerd. Dat de vordering ziet op een periode waarin geen overeenkomst meer bestond tussen de consument en de ondernemer is naar het oordeel van de commissie niet van belang. De gestelde schade hangt immers samen met de overeenkomst, dan wel het handelen van de ondernemer in het kader van de overeenkomst.

De consument heeft een vergoeding gevorderd voor het feit dat hij en zijn echtgenote in een sociaal isolement terecht zijn gekomen, voor de juridische kosten en kosten van onderzoek door hen gedaan om meer openheid te krijgen, alsmede voor het feit dat het bedrijf van de consument en zijn echtgenote sinds oktober 2017 als gevolg van de voortslepende zaak stil staat.

De commissie is van oordeel dat de vordering voor immateriële schadevergoeding omdat de consument en zijn echtgenote in een sociaal isolement geraakt zijn, afgewezen dient te worden omdat niet aannemelijk is gemaakt dat deze schade het gevolg is van verwijtbaar handelen van de ondernemer. De vordering is voorts onvoldoende onderbouwd en dient reeds op die grond afgewezen te worden. Hetzelfde geldt voor de vordering inzake schadevergoeding voor gederfde inkomsten. De commissie ziet ook geen aanleiding om de kosten van een onderzoek uitgevoerd door een recherchebureau voor rekening van de ondernemer te laten komen. De consument heeft zelf de keuze gemaakt om een dergelijk bedrijf in te schakelen. Waarom dit nodig was en waarom deze kosten door de ondernemer gedragen zouden moeten worden is onvoldoende onderbouwd.

Wat betreft de juridische kosten overweegt de commissie dat zij aanleiding ziet voor een vergoeding van een deel van de gevorderde juridische kosten. Zoals hiervoor overwogen, heeft de ondernemer naar het oordeel van de commissie op bepaalde punten niet correct gehandeld. Dit geldt onder meer voor de situatie waarin de ondernemer de consument heeft gebracht door in de brief van 8 december 2017 te melden dat hij ouders met vragen naar de consument zou sturen en daarbij tevens dreigde met juridische maatregelen als de consument verkeerde informatie zou verstrekken . Onder die omstandigheden acht de commissie het alleszins redelijk dat de consument een advocaat om juridisch advies heeft gevraagd over wat hij wel of niet kon zeggen. Nu de keuze om juridische bijstand in te roepen deels ook te maken heeft met omstandigheden die niet aan de ondernemer toe te rekenen zijn, acht de commissie een vergoeding van € 500,– redelijk en billijk.

De door de ondernemer gevorderde procedurekosten wijst de commissie af. Deze kosten zijn niet onderbouwd en dienen op grond daarvan reeds te worden afgewezen. Daarnaast komen ingevolge artikel 20 van het Reglement van de commissie, buiten een mogelijke vergoeding van het klachtengeld, de door partijen ter zake van de behandeling van het geschil gemaakte kosten voor hun eigen rekening, tenzij de commissie in bijzondere gevallen anders bepaalt. Naar het oordeel van de commissie is in deze geen sprake van bijzondere omstandigheden die een vergoeding van de procedurekosten van de ondernemer rechtvaardigen. Wel dient de ondernemer op grond van artikel 19 van het Reglement het klachtengeld aan de consument te vergoeden.

Voor zover door partijen aangevoerde argumenten c.q. klachten niet zijn besproken, kan daarvan worden afgezien, omdat deze niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

Ten overvloede
Ten overvloede overweegt de commissie nog het volgende.
Naar het oordeel van de commissie biedt de Meldcode onvoldoende duidelijkheid ten aanzien van de regierol in situaties als de onderhavige. De rol die de houder volgens de code heeft lijkt te botsen met de praktijk waarin de houder rekening heeft te houden met verschillende, vaak uiteenlopende belangen en daarnaast in dergelijke situaties vaak zelf partij is. Het zou goed zijn als gewezen wordt op de mogelijkheid om een onafhankelijke partij die deze regierol kan vervullen in te schakelen.

De commissie overweegt voorts dat gelet op de geconstateerde onduidelijkheid over wat verstaan moet worden onder aangifte(plicht), een duidelijker uitleg dan thans in de Meldcode op zijn plaats is. Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet kinderopvang van 2013 volgt naar het oordeel van de commissie, mede gelet op de aanbevelingen in het rapport van de commissie Gunning, dat het de bedoeling van de wetgever is geweest dat daadwerkelijk aangifte wordt gedaan als na overleg met de vertrouwensinspecteur van de Inspectie van het Onderwijs een redelijk vermoeden bestaat van een geweld- of zedendelict. Dit moet derhalve bij alle houders in de kinderopvang maar ook bij de andere betrokken partijen volstrekt duidelijk zijn.

De commissie constateert voorts dat in de opvolger van de Meldcode: Protocol ‘kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag’ voor de kinderopvang van juni 2018, op het punt van melding en/of aangifte bij de politie na een redelijk vermoeden nog steeds de gewenste duidelijkheid ontbreekt. Zo is in dit protocol onder deel 2 dat handelt over de meldplicht bij een vermoeden van een geweld- of zedendelict door een medewerker, bij stap 3 “Aangifte doen” nog steeds opgenomen dat indien na overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat er een redelijk vermoeden bestaat van een geweld-of zedendelict de houder een meldplicht heeft, waar bedoeld is aangifteplicht.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De klacht van de consument is deels gegrond.

De ondernemer dient de consument een bedrag van € 500,– te betalen. Dit bedrag dient door de ondernemer binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies aan de consument betaald te zijn, bij gebreke waarvan de ondernemer tevens wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd is vanaf de verzenddatum van dit bindend advies.

De ondernemer dient de consument conform het Reglement van de commissie een bedrag van € 25,– te vergoeden ter zake van het klachtengeld. Ook dit bedrag dient binnen een maand na de verzenddatum van dit bindend advies voldaan te worden.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Aldus beslist op 21 februari 2019 door de Geschillencommissie Kinderopvang, bestaande uit
mevrouw mr. drs. E.I.P.M. van Bellen-Weijnen, voorzitter, mevrouw mr. H.M. Veenstra en mevrouw mr. M.L. Sedee-Schuitemaker, leden, waarbij mevrouw mr. C.E. Segeren-Weber als secretaris fungeerde.