Hartkatheterisatie niet onzorgvuldig uitgevoerd, maar planning ingreep en communicatie cardioloog kon beter

  • Home >>
  • Ziekenhuizen >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Ziekenhuizen    Categorie: (On)zorgvuldigheid    Jaartal: 2021
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: ten dele gegrond   Referentiecode: 58104/78581

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De cliënte vindt dat zij onnodig lang in het ziekenhuis moest verblijven, vanwege een hartkatheterisatie. De operatie heeft een week later dan de oorspronkelijke datum plaatsgevonden. Er werd geen rekening gehouden met de persoonlijke (thuis)situatie van de cliënte en er was geen communicatie mogelijk met de planning en de cardioloog. Verder vindt de cliënte dat de katheterisatie onzorgvuldig is uitgevoerd, omdat er een complicatie is opgetreden. Volgens de zorgaanbieder was het niet mogelijk om de katheterisatie eerder in te plannen. Daarnaast is de cliënte voorafgaand aan de ingreep gewezen op de mogelijke risico’s en complicaties. De oorzaak van de bloeding was een complicatie. Dit betekent niet dat er onzorgvuldig is gehandeld. De commissie oordeelt de klacht deels gegrond. De periode tussen de dag van de opname en de dag van de ingreep is te lang geweest, omdat de cliënte een acute patiënt was. Ook was er sprake van slechte communicatie met de cardioloog. Echter, de katheterisatie is niet onzorgvuldig uitgevoerd. De zorgaanbieder heeft op dit punt aan zijn inspanningsverplichting voldaan. Complicaties kunnen na een behandeling voorkomen. De zorgaanbieder moet uit coulance € 3.000,– aan de cliënt betalen.

Volledige uitspraak

In het geschil tussen
[Cliënte], wonende te [woonplaats]

en

Reinier de Graaf Groep, gevestigd te Delft
(hierna te noemen: de zorgaanbieder).

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij bindend advies door de Geschillencommissie Ziekenhuizen (verder te noemen: de commissie) te laten beslechten.

De commissie heeft kennis genomen van de overgelegde stukken.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juli 2021 te Den Haag.

Partijen hebben ter zitting hun standpunt toegelicht. De cliënte werd ter zitting bijgestaan door haar echtgenoot, [naam]. De zorgaanbieder werd ter zitting vertegenwoordigd door [naam] en [naam], cardioloog.

Onderwerp van het geschil
Het geschil betreft de kwaliteit van de behandeling van cliënte.

Standpunt van cliënte
Voor het standpunt van cliënte verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Cliënte is op 24 september 2019 in het ziekenhuis opgenomen in verband met hartklachten. Haar werd meegedeeld dat op 26 september 2019 een hartkatheterisatie zou plaatsvinden. Op 26 september 2019 kreeg cliënte te horen dat de katheterisatie niet op de geplande dag kon worden uitgevoerd en dat de operatie zou worden verschoven naar 2 oktober 2019. Cliënte en haar man hebben alles in het werk gezet om de katheterisatie eerder te laten plaatsvinden. Vanwege familieomstandigheden (overlijden van haar oma vier dagen voor de opname en een autistisch zoontje thuis die veel hulp nodig heeft) was cliënte haar aanwezigheid thuis noodzakelijk. De zorgaanbieder hield geen rekening met deze omstandigheden. Dankzij contacten en na inschakeling van de klachtenfunctionaris, is de katheterisatie uiteindelijk een dag eerder op 1 oktober 2019 uitgevoerd.

Vrijwel direct na de operatie merkte cliënte dat haar arm erg dik werd en heeft zij dit herhaaldelijk aan de dienstdoende verpleegkundige gemeld. Doordat de verpleging zo traag reageerde verergerde de inwendige bloeding in haar arm en deze bloeding heeft bijna tot een nieuwe operatie geleid.

Vanwege het langdurig verblijf in het ziekenhuis en de langere revalidatie hierna heeft de cliënte zowel materiële als immateriële schade geleden: Materiële schade van € 9.960,– (omzetderving partner en taxi kosten) en € 8.640,– (persoonlijke omzetderving). Pas op 8 mei 2020 kon cliënte haar werkzaamheden weer hervatten.
De zorgaanbieder heeft haar vordering afgewezen maar heeft haar wel uit coulance een bedrag van € 1.500,– aangeboden. Op dit aanbod is cliënte niet ingegaan.
Cliënte vordert van de zorgaanbieder 100% van haar persoonlijke materiële schade, een bedrag van € 8.640,–.

Ter zitting heeft cliënte haar klachten nogmaals toegelicht. Deze komen in het kort en in de kern weergegeven op het volgende neer;
1. cliënte heeft onnodig lang in het ziekenhuis moeten verblijven;
2. de zorgaanbieder heeft geen notie genomen van haar moeilijke familieomstandigheden;
3. er was geen communicatie mogelijk met de planning en de cardioloog;
4. de hartkatheterisatie is onzorgvuldig uitgevoerd met als gevolg dat cliënte een heftige bloeding in haar arm heeft gekregen en langer heeft moeten revalideren.

Standpunt van de zorgaanbieder
Voor het standpunt van de zorgaanbieder verwijst de commissie naar de overgelegde stukken, met name de e-mail van 7 april 2020 van de zorgaanbieder aan de echtgenoot van cliënte. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Ten aanzien van het moment dat de katheterisatie heeft plaatsgevonden stelt de zorgaanbieder het volgende:

Op dinsdag 24 september 2019 vond de opname van cliënte plaats. Op woensdag 25 september is gezegd dat de katheterisatie mogelijk vrijdag zou plaatsvinden. Donderdag 26 september is aangegeven dat het maandag of dinsdag zou worden, omdat er eerder geen plek beschikbaar was. Vrijdag 27 september is gemeld dat de katheterisatie op maandag 30 september om 10.00 uur zou plaatsvinden. Op maandag kon de katheterisatie helaas niet doorgaan vanwege een spoedbehandeling. De klachtenfunctionaris werd toen ingeroepen in verband met onvrede van cliënte; overplaatsing naar het [naam ander ziekenhuis] werd overwogen, maar dat zou niet leiden tot een eerdere katheterisatie. De katheterisatie vond op dinsdag 1 oktober 2019 plaats. Voorafgaand daaraan is cliënte gesproken over de wijze en reden van het onderzoek, de kans op allergische reacties en de risico’s (bloeding, CVA). De procedure is vervolgens volgens de standaard uitgevoerd. Tijdens de procedure zijn geen bijzonderheden waargenomen. Na het aanbrengen van een drukverband om de pols met compressie is cliënte teruggegaan naar de zaal. Hierna zal de bloeding begonnen zijn. De oorzaak daarvan is niet geheel duidelijk. Bij het opvoeren en terughalen van de katheters wordt met de grootste zorg gebruik gemaakt van een voerdraad onder doorlichting. In de regel gaat dit goed en leidt dit zelden tot bloedingen in de bovenarm. De betrokken cardioloog heeft dit in zijn loopbaan nooit meegemaakt. Vermoedelijk is bij het opvoeren of terughalen van de katheters de slagader mogelijk op een pre-existente zwakke plek in de bovenarm beschadigd waardoor onder de aanwezigheid van de noodzakelijke bloedverdunners een bloeding is ontstaan met haematoom. Er is contact gelegd met de radioloog voor een spoed echo van de bovenarm, waarmee het haematoom werd bevestigd. De betrokken cardioloog was gedurende die periode werkzaam op de zogenaamde kathkamer, waar hij werd geïnformeerd door de verpleegkundige dat er sprake was van een zwelling in de bovenarm. Hij is hierop direct naar cliënte toegegaan en heeft opgedragen dat de chirurg gebeld moest worden voor een nadere beoordeling. De cardioloog heeft uitvoerig met cliënte en partner gesproken. ’s Avonds is hij nog langs geweest om zich er van te vergewissen dat het goed ging met cliënte. Kijkend naar het geheel kan niet worden geconstateerd dat er sprake is geweest van een onzorgvuldig handelen. Niet gebleken is dat de katheterisatie eerder had moeten plaatsvinden dan wel dat aan de bloeding onzorgvuldig handelen ten grondslag ligt.

De zorgaanbieder betreurt het dat de katheterisatie niet eerder kon plaatsvinden en dat vervolgens bij de katheterisatie een complicatie in de vorm van een bloeding is opgetreden en heeft uit coulance aan cliënte een bedrag van maximaal € 1.500,– aangeboden.

De zorgaanbieder is van mening dat cliënte de aansprakelijkheid van de zorgaanbieder niet heeft aangetoond en haar vermeende schade niet heeft onderbouwd. Voorts is niet aannemelijk gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen het vermeende onzorgvuldig handelen en de eventuele schade.
De zorgaanbieder verzoekt de commissie de vordering af te wijzen.

Ter zitting heeft de zorgaanbieder haar standpunt nader toegelicht. Het is gebruikelijk om de behandeling zo snel mogelijk uit te voeren maar er kunnen zich complicaties voordoen. Desgevraagd heeft de zorgaanbieder aangegeven dat cliënte niet naar huis mocht. Hoewel haar cardiale toestand stabiel was, was cliënte potentieel ernstig ziek. Zij had een klein infarct gehad met grote risico op herhaling.

De cardioloog betwist dat er geen communicatie met cliënte is geweest. Gedurende haar verblijf is zij dagelijks gezien door de dienstdoende arts. Na de katheterisatie heeft de cardioloog cliënte meerdere keren bezocht.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft het volgende overwogen.

De cliënte en de zorgaanbieder hebben met elkaar een behandelingsovereenkomst in de zin van artikel 7:446 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gesloten. Naast hetgeen partijen in die overeenkomst hebben afgesproken, gelden tussen hen – voor zover in het concrete geval van toepassing – de bepalingen van dat wetboek.

Op grond van de geneeskundige behandelingsovereenkomst moet de zorgaanbieder bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard (artikel 7:453 van het BW). Deze zorgplicht houdt in dat de zorgaanbieder die zorg moet betrachten die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht.

De verplichting die voor de zorgaanbieder voortvloeit uit een geneeskundige behandelingsovereenkomst, wordt in beginsel niet aangemerkt als een resultaatsverplichting, waarbij de zorgaanbieder moet instaan voor het bereiken van een bepaald resultaat, maar als een inspanningsverplichting, waarbij de zorgaanbieder zich verplicht zich voor het bereiken van een bepaald resultaat in te spannen. De reden hiervoor is dat het bij een geneeskundige behandeling meestal niet mogelijk is een bepaald resultaat te garanderen, omdat het menselijk lichaam in het (genezings-)proces een ongewisse factor vormt. Zelfs bij onberispelijk medisch handelen kan het beoogde resultaat uitblijven. Van een tekortkoming kan dan ook pas worden gesproken indien komt vast te staan dat de hulpverlener zich onvoldoende heeft ingespannen of bij de inspanning een fout heeft gemaakt.

Cliënte heeft de zorgaanbieder aansprakelijk gesteld voor het nalatig handelen en de commissie verzocht om de zorgaanbieder te veroordelen tot een schadevergoeding.

Vooropgesteld wordt dat voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder vereist is dat voldoende aannemelijk wordt dat de zorgaanbieder tekort is geschoten in het nakomen van de behandelovereenkomst. De aanwezigheid van een fout of nalaten is een vereiste voor aansprakelijkheid van de zorgaanbieder. De tekortkoming moet aan de zorgaanbieder kunnen worden verweten en de cliënt moet door deze tekortkoming schade zijn toegebracht.

Klachtonderdelen 1 en 2
De commissie heeft vastgesteld dat cliënte op 24 september 2019 is opgenomen en dat op 1 oktober 2019 de katheterisatie is uitgevoerd.

De commissie is van oordeel dat de periode tussen de dag van de opname en de dag van de behandeling te lang is geweest. Het verweer dat er sprake was van een kleine personele bezetting, er geen plaats was voor de behandeling en dat de hoger geprioriteerde patiënten voorrang moesten krijgen, gaat naar het oordeel van de commissie niet op nu ter zitting de cardioloog heeft aangegeven dat cliënte een acute patiënte was en vanwege de grote risico’s niet tussentijds naar huis mocht gaan. Juist het feit dat de cliënte een acute patiënt was, moest aanleiding voor de zorgaanbieder zijn om de behandeling tijdig uit te voeren of – indien tijdige behandeling niet mogelijk was – cliënte direct naar een ander – gespecialiseerd – ziekenhuis over te laten brengen. Tevens is de commissie van oordeel dat ook de familieomstandigheden thuis een extra reden vormden om cliënte met voorrang te behandelen.
De commissie is van oordeel dat deze klachten gegrond zijn.

Klachtonderdeel 3
Ter zitting heeft de zorgaanbieder desgevraagd meegedeeld dat er geen standaardprotocol voor communicatie met de patiënt bestaat over de planning van behandelingen. De commissie kan het billijken dat een patiënt geen mogelijkheid heeft om te communiceren met administratieve medewerkers die de planning van de behandelingen uitvoeren. Dit is anders voor wat betreft het contact met de behandelend arts, in dit geval de cardioloog.
De commissie merkt op dat er een discrepantie is tussen de status en het verhandelde ter zitting.
Gelet op het verhandelde ter zitting is de commissie van oordeel dat het aan de communicatie met de behandelend cardioloog heeft geschort. Cliënte is weliswaar dagelijks gezien door een dienstdoende arts maar is voor wat betreft de voortgang van de behandeling lang in het ongewisse gebleven. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder zich in dit verband niet mag beroepen op de omstandigheid dat de – personele – organisatie niet is berekend op binnenkomende spoedeisende patiënten. De commissie acht de klacht voor wat betreft het gebrek aan de communicatie met de cardioloog gegrond.

Klachtonderdeel 4
De commissie heeft vastgesteld dat cliënte na de katheterisatie rond 9.30 uur de zwelling in haar arm bemerkte. Nadat de zwelling toenam en leidde tot bewegingsbeperking, heeft de zaalarts cliënte om 10.30 uur naar de afdeling radiologie gestuurd voor een spoedecho en een hematoom werd vastgesteld.
De commissie is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de zorgaanbieder bij de katheterisatie en de nazorg niet de zorg heeft betracht die een redelijk bekwaam en redelijk handelend hulpverlener in dezelfde omstandigheden zou hebben betracht. De zorgaanbieder heeft ten aanzien van een geneeskundige behandeling een inspanningsverplichting. Complicaties na een behandeling kunnen voorkomen. Cliënte is voorafgaande aan de operatie hierop gewezen. Niet is gebleken dat er ten tijde van de behandeling dan wel de nazorg onzorgvuldig is gehandeld.

De commissie verklaart dit vierde klachtonderdeel ongegrond.

Vordering tot schadevergoeding:

Cliënte heeft een vordering ingediend van € 8.640,– als gevolg van persoonlijke omzetderving. Pas op 8 mei 2020 kon cliënte haar werkzaamheden weer hervatten.

Met betrekking tot de door cliënt verzochte schadevergoeding overweegt de commissie als volgt.
Voor toekenning van schadevergoeding is vereist dat naast de hiervoor geconcludeerde aan de zorgaanbieder toegerekende tekortkoming, door deze tekortkoming aan cliënte schade is toegebracht.

Hoewel de commissie van oordeel is dat de zorgaanbieder belangrijke steken heeft laten vallen, is de commissie niet althans onvoldoende gebleken dat de schade die cliënte heeft geclaimd het gevolg is van de enkele omstandigheid dat de hartkatheterisatie niet binnen enkele dagen is uitgevoerd. Dat de revalidatie van cliënte langer heeft geduurd dan voor cliënte wenselijk was kan de zorgaanbieder niet worden aangerekend. De commissie wijst de vordering van cliënte af.

Wel acht de commissie een coulancevergoeding van de zorgaanbieder aan cliënte, vanwege het geleden ongemak, op zijn plaats, welke vergoeding zij ex aequo et bono vaststelt op € 3000,–.

Omdat de commissie de klachten van cliënte deels gegrond verklaart, dient de zorgaanbieder, ingevolge artikel 21 van het reglement, tevens het door cliënte betaalde klachtengeld aan haar te vergoeden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De commissie:

– verklaart de klachten 1, 2 en 3 (deels) gegrond en verklaart klacht 4 ongegrond;
– bepaalt dat de zorgaanbieder binnen 14 dagen na de op pagina 1. van dit bindend advies vermelde verzenddatum een bedrag van € 3.000,– aan cliënte dient te vergoeden;
– bepaalt dat de zorgaanbieder overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 dient te vergoeden aan de cliënte ter zake van het klachtengeld;
– wijst het meer of anders verzochte af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Ziekenhuizen, bestaande uit de heer mr. A.R.O. Mooy, voorzitter, de heer prof. dr. J.W. Deckers, de heer mr. M.H.J.N. Berckel Smit, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. W. Hartong van Ark, secretaris, op 26 juli 2021.