Havenmeester meldt overlast. Gezien de bijzondere voorwaarden die tijdens de Sneek-week aan de verhuur aan jongeren worden gesteld, mocht de ondernemer de boot tijdens de huurperiode invorderen.

  • Home >>
  • Waterrecreatie >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Waterrecreatie    Categorie: HISWA-voorwaarden Huur en Verhuur Pleziervaartuigen    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: WAT09-0043

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil heeft betrekking op de huur van een vaartuig voor de periode 31 juli 2009 t/m 7 augustus 2009 (‘de Sneekweek’).   Klager heeft de klacht op 9 november 2009 schriftelijk voorgelegd aan de ondernemer.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   De consument heeft met een aantal vrienden een boot gehuurd bij de ondernemer. Op een gegeven moment heeft de ondernemer de boot ingenomen na een zogenaamde klacht van een havenmeester. Vervolgens heeft de ondernemer zonder enige reden: –      de borg ingehouden (€ 2.000,–); –      het resterende (reeds betaalde) huurbedrag ingehouden (€ 1.039,28); –      een factuur gestuurd voor zogenaamde “schade” aan het schip (€ 613,93); –      de identiteitskaart ingehouden van de consument. Deze is inmiddels terug na sommatie van de advocaat.   Deze gang van zaken zijn naar de opvatting van de consument onrechtmatig, omdat de klacht van de havenmeester niet klopt en verifieerbaar is. Bovendien is de consument van mening dat de algemene voorwaarden, die dit kennelijk voorschrijven, onredelijk bezwarend zijn.   Een medewerker van de ondernemer heeft nog na inname van de boot tegen een van de opvarenden verklaard dat zij de boot keurig hebben bevaren.   Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Artikel 6 van de aanvullende contractsvoorwaarden is onredelijk bezwarend op basis van artikel 6: 236 sub k BW en artikel 6:237 sub b en sub d BW.   De havenmeester van de haven van Langweer kwam op 3 augustus om 19.00 uur melden dat de muziek te hard stond. Daarop hebben de opvarenden de grote speakers ontkoppeld en zijn overgegaan op IPod–speakers. Op andere boten in de haven was ook muziek te horen. De havenmeester kwam later terug en zette de boot zonder reden de haven uit. De borg die was betaald aan de havenmeester werd ingehouden. Alleen als weer borg betaald zou worden, kon de boot weer terug in de haven. Dat heeft de consument geweigerd. Een van de opvarenden heeft op de wal verhaal gehaald bij het havenmeester en werd daar onheus bejegend. De volgende ochtend kwam de verhuurder de boot meenemen. De consument en zijn vrienden moesten direct van de boot. Er was toen geen kapotte WC. Ook de overige schade wordt betwist. Er is geen bewijs van de schade.   De klacht van de havenmeester staat niet op papier. Op de foto’s is weinig (schokkends) te zien.   De consument verlangt betaling door de ondernemer van het onterecht ingehouden bedrag van € 3.039,28. Voor de verbruikte diesel wilde de consument een nieuwe factuur ontvangen, die hij daarna zal betalen.   Standpunt van de ondernemer   Het standpunt van de ondernemer luidt in hoofdzaak als volgt.   De ondernemer verwijst allereerst naar het proces-verbaal dat hij heeft overgelegd. Kortweg heeft de ondernemer op basis van een klacht van de havenmeester de boot ingevorderd. De consument was het niet met de klacht van de havenmeester eens, maar de extra ‘Sneekweek’ contractsvoorwaarden voor jeugdigen, waarvoor de consument heeft moeten tekenen, zijn duidelijk: bij overlast of het niet opvolgen van sommaties van bevoegden kan de boot onmiddellijk worden ingenomen. De ondernemer doet dat niet zomaar. De ondernemer had de boot ook alleen op basis van artikel 5 van de van toepassing zijnde HISWA-voorwaarden kunnen invorderen. De boot lag bezaaid met kapotte glasscherven, afval en kapotte inventaris, zodat de consument de boot niet als een goed huisvader heeft gebruikt.   Voordat de consument van boord is gegaan, heeft de ondernemer samen met de consument de schade bekeken en ook vermeld wat vermist en/of kapot was. De consument reageerde daar vrij nonchalant op. Twee medewerkers van de ondernemer hebben de boot vervolgens teruggebracht.   In het contract staat dat bij invordering van de boot de huurder de borg ad € 2.000,– kwijt is. Dat is voor alle overlast, uurloon invordering, behandeling van bezwaarschriften en negatieve reclame voor het bedrijf van de ondernemer. Alle kosten voor vermiste of kapotte inventaris, schade aan de boot en dieselverbruik worden daarnaast in rekening gebracht. De borg is voor dit schip niet onevenredig hoog, omdat er voor dit soort calamiteiten geen verzekering is die uitbetaald en de schade meer dan € 2.000,– is. De schade aan de inventaris valt wel onder de verzekering, maar die heeft een eigen risico van € 1.000,– die ook betaald moet worden.   De consument verzoekt de niet genoten vakantiedagen terug te betalen. Uiteraard kan de ondernemer daar niet aan voldoen, omdat de boot de rest van de week niet meer kon worden verhuurd.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Vanwege de Sneekweek worden er extra afspraken gemaakt met jeugdige huurders zoals de consument en zijn vrienden. Deze worden voor vertrek uitdrukkelijk doorgenomen. De nacht voor de invordering van de boot werd de ondernemer door de havenmeester gebeld. Die eiste dat de ondernemer de boot direct kwam ophalen. De politie is zelf bij de ondernemer langs gekomen om proces-verbaal op te maken. Onze boten worden nu geweerd in de haven van Langweer.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   De consument heeft een boot gehuurd bij de ondernemer tijdens de zogeheten Sneekweek. Op deze huurovereenkomst zijn behalve de HISWA Algemene Voorwaarden Huur en Verhuur Pleziervaartuigen, ook de “extra regels jeugdige- en Sneekweek huurders’ van toepassing” (hierna: aanvullende Sneekweek-voorwaarden). De consument heeft voor deze laatste regels op 31 juli 209 getekend. Het van toepassing zijn van deze aanvullende contractsvoorwaarden wordt niet door de consument betwist.   De ondernemer heeft op basis van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden de boot tijdens de huurperiode ingenomen. De ondernemer heeft zich daarvoor beroepen op artikel 6 van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden, welke bepaling als volgt luidt: “Het niet opvolgen van sommaties van orde handhavers en havenmeesters betekent dat wij binnen enkele minuten op de hoogte worden gesteld. Zonder discussie zullen wij bij overlast de boot innemen.”     Daarnaast heeft de ondernemer op basis van artikel 8 en 9 van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden de borg van € 2.000,— ingehouden en heeft de ondernemer de consument een factuur gestuurd betreffende de schade. Genoemde bepalingen luiden als volgt: “8. In alle gevallen van het niet opvolgen van deze voorschriften wordt onherroepelijk de borg ingehouden en zullen alle verdere en schades op uw verhaalt worden. 9. De borg bij het verhuren aan jeugdigen is verdubbeld.”   Niet, althans onvoldoende, weersproken is dat de havenmeester van Langweer zich heeft beklaagd over overlast door de consument en de mede-opvarenden en op grond daarvan de door de consument gehuurde boot uit de haven van Langweer heeft gezet. De consument is het met de klacht over overlast niet eens, zoals met name uit het verhandelde ter zitting is gebleken, maar de klacht van de havenmeester wordt op zichzelf niet ontkend. Reeds op grond daarvan mocht de ondernemer de boot innemen en de borg inhouden. In hoeverre is dat onredelijk? Gezien de klachten over overlast die er in het verleden tijdens de Sneekweken zijn geweest en die met name betrekking hebben op jeugdigen, heeft de ondernemer er voor gekozen tijdens de Sneekweek extra strenge regels te hanteren voor jeugdigen. Deze worden, zo begrijpt de commissie uit het verhandelde ter zitting, vooraf uitdrukkelijk doorgenomen met de (jeugdige) huurders en deze dienen ook expliciet te tekenen voor deze extra regels (de aanvullende Sneekweek-voorwaarden). In casu is dat ook gebeurd. Onder deze omstandigheden acht de commissie bovengenoemde bepalingen in de aanvullende Sneekweek-voorwaarden niet onredelijk bezwarend en het beroep daarop wordt daarom door de commissie gepasseerd.    De consument heeft zich ten aanzien van artikel 6 van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden uitdrukkelijk beroepen op artikel 6: 236 sub k BW en 6: 237 sub en d BW. De commissie overweegt daarover het volgende. Op basis van artikel 6:236 sub k BW is een beding die de mogelijkheid om bewijs te leveren door de consument uitsluit of beperkt, onredelijk bezwarend. Artikel 6 van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden bevat naar het oordeel van de commissie echter niet een dergelijke uitsluiting of beperking. Deze bepaling betreft een sanctie op het door de consument niet voldoen aan zijn verplichting en betreft geen regeling omtrent de bewijslast. Artikel 6:237 sub b en d BW keren zich tegen bedingen in de algemene voorwaarden die de verplichtingen van de ondernemer jegens de consument (te) sterk beperken. Artikel 6 van de extra Sneekweek-voorwaarden houdt echter geen beperking van de verplichtingen van de ondernemer in, maar betreft een sanctie op het door de consument niet voldoen aan zijn verplichting.    De klachten betreffende de inname van de boot en de inname van de borg worden op grond van bovenstaande ongegrond verklaard.    Betreffende het in rekening brengen van de schade aan het schip overweegt de commissie allereerst dat artikel 8 van de aanvullende Sneekweek-voorwaarden de ondernemer inderdaad de mogelijkheid biedt om, naast het inhouden van de borg, de schade aan de boot te verhalen op de consument. Echter, de consument heeft de schade betwist en de ondernemer heeft onvoldoende bewijs aangedragen van de schade. Naar het oordeel van de commissie had het op de weg van de ondernemer gelegen om bij inname van de boot de schade op te nemen en de consument daarvoor te laten tekenen. Nu de schade betwist wordt en voor de commissie niet meer is vast te stellen, dient de gestelde schade voor rekening van de ondernemer te blijven. De dieselkosten ad € 125,35 blijven wel voor rekening van de consument, zoals door de consument ook niet betwist wordt.    Ten aanzien van de identiteitskaart heeft de consument geen belang meer, nu deze inmiddels aan de consument is geretourneerd. Gesteld noch gebleken is dat door het achterhouden van de identiteitskaart door de consument enige schade is geleden. De klacht hierover wordt zodoende ongegrond verklaard.   De commissie acht de klacht derhalve ten dele gegrond. De commissie ziet hierin aanleiding om de verplichting van de ondernemer om het klachtengeld te vergoeden aan de consument en behandelingskosten te betalen aan de commissie te matigen met 50%.   Derhalve wordt als volgt beslist.   Beslissing   De consument is gehouden een bedrag van € 125,35 te betalen aan de ondernemer binnen één maand na verzending. Verder is de consument niets meer aan de ondernemer verschuldigd.   De commissie wijst het meer of anders verlangde af.   Overeenkomstig het reglement van de commissie dient de ondernemer een bedrag van € 62,50 (50%) te vergoeden aan de consument ter zake van het klachtengeld.   Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer aan de commissie als bijdrage in de behandelingskosten van het geschil een bedrag verschuldigd van € 75,– (50% matiging).   Aldus beslist door de Geschillencommissie Waterrecreatie op 25 oktober 2010.