Hoewel minnelijke regeling buiten de termijn van 4 weken tot stand is gekomen, hebben partijen gehandeld naar strekking van artikel 7 lid 1 sub b reglement

  • Home >>
  • Advocatuur >>
De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: Ontvankelijkheid    Jaartal: 2009
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: ADV02-0068

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil
 
Het geschil heeft betrekking op de kwaliteit van de dienstverlening en de hoogte van de declaraties die de advocaat terzake heeft gezonden.
 
Standpunt van de cliënt
 
Het standpunt van de cliënt luidt in hoofdzaak.
 
De cliënt heeft de advocaat allereerst gevraagd om advies omtrent de kansen en kosten van een eventuele rechtszaak tegen de verkoper van hun woning vanwege naderhand gebleken onzichtbare gebreken. Nadat de advocaat de cliënt een ‘levensgrote’ kans gaf deze zaak te winnen en de kosten begrootte op ƒ 5.000,– heeft de cliënt op 17 april 2000 de advocaat opdracht gegeven de vroegere eigenaar aansprakelijk te stellen en al hetgeen in dit verband te doen dat nodig is.
 
Bij (eind-)vonnis van 21 februari 2002 zijn de vorderingen van de cliënt geheel afgewezen terwijl ook de kosten uit de pan zijn gerezen. Naar de mening van de cliënt heeft de advocaat een aantal fouten gemaakt.
 
– De advocaat heeft in de zaak steeds gesproken over ‘lekkages van het dak’ terwijl de cliënt hem er herhaaldelijk op heeft gewezen dat bij de koop van het huis gesproken is over een recentelijk vernieuwd dak wat achteraf een geflikt dak bleek te zijn.
 
– Ondanks herhaald aandringen ging de advocaat niet in op het aanbod van de rechter een bouw-deskundige aan te wijzen om naar de gebreken te laten kijken.
 
– De advocaat heeft na het tussenvonnis geen stappen ondernomen om de rechter ervan te overtuigen dat hij foutieve opvattingen had terwijl de cliënt hier wel op aandrong.
 
– De advocaat heeft de cliënt niet telefonisch eraan herinnerd wanneer het getuigenverhoor was en ging er ten onrechte vanuit dat de cliënt daarbij niet aanwezig wilde zijn.
 
– De advocaat heeft de cliënt slechts eenmaal schriftelijk gewezen op de termijn voor het instellen van hoger beroep en niet gereageerd op het verzoek van de cliënt om opgave van de daaraan verbonden kosten. Toen de cliënt op 27 mei 2002 een afspraak met de advocaat had vernam hij dat de termijn was verstreken.
 
– De advocaat sprak en schreef wel vaak over de betaling van zijn declaraties. Na herhaaldelijke gesprekken heeft de advocaat de declaratie gehalveerd maar de cliënt is van mening dat dit bedrag nog steeds te hoog is in verhouding tot de geleverde prestatie, temeer omdat de cliënt ook € 1.828,- aan gerechtelijke kosten heeft.
 
De cliënt meent op grond van bovenstaand handelen c.q. nalaten van de advocaat schade te hebben geleden en verzoekt de commissie een vergoeding toe te kennen van € 9.076,– bestaande uit de schade als gevolg van verloren zaak, advocaatkosten en gerechtskosten.
 
Standpunt van de advocaat
 
Het standpunt van de advocaat luidt in hoofdzaak.
 
De cliënt heeft op 1 maart 2002 een klacht ingediend overeenkomstig de kantoorklachtenregeling. In verband met de behandeling van deze klacht heeft op 27 mei 2002 een bespreking plaatsgevonden waarin de advocaat in het kader van een minnelijke schikking van de klacht heeft aangeboden genoegen te nemen met de helft van de openstaande declaraties.
 
In eerste instantie heeft de cliënt niet op dit voorstel gereageerd. Vervolgens heeft (de echtgenote van) de cliënt de advocaat op 21 augustus 2002 telefonisch gevraagd of het schikkingsvoorstel nog gold, hetgeen het geval was. Op 30 augustus 2002 heeft de cliënt het schikkingsvoorstel alsnog aanvaard. De schikking is bij die gelegenheid verder uitgewerkt en bevestigd bij brief van 5 september 2002. De cliënt heeft eerder dan overeengekomen het toekomende bedrag voldaan waarna de advocaat de cliënt bij brief van 4 oktober 2002 heeft bevestigd dat de regeling is nagekomen en hem tevens de beloofde creditnota aangeboden.
 
Naar de mening van de advocaat is met de totstandgekomen en uitgevoerde vaststellingsovereenkomst een einde gekomen aan de klacht van 1 maart 2002 zodat de cliënt in zijn aan de commissie voorgelegde klacht, voorzover die een doublure is van de klacht van 1 maart 2002 ingevolge artikel 7 van het Reglement van de Geschillencommissie Advocatuur niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dit betreft de volgende klachtonderdelen:
a. de kostenbegroting van ƒ 5.000,–;
b. de kwestie van de door de rechter te benoemen deskundige en onjuiste rechtsoverwegingen van het tussenvonnis;
c. de aanwezigheid van de cliënt tijdens een getuigenverhoor;
d. de appelmogelijkheid van de vonnissen van de rechtbank;
e. de openstaande declaraties.
 
Voor zover er sprake is van nieuwe aan de commissie voorgelegde geschilpunten dient de cliënt eveneens ingevolge artikel 7 van het Reglement in zijn klacht niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu hij die niet (tijdig) eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat dan wel de kantoorklachtenfunctionaris heeft ingediend. Dit betreft de volgende klachtonderdelen:
f. de ‘levensgrote’ kans;
g. het ‘geflikte dak’;
h. de toekenning van een schadevergoeding van € 9.076,–.
 
Gelet op het bovenstaande verzoekt de advocaat de commissie de cliënt niet-ontvankelijk te verklaren in zijn klacht.
 
Beoordeling van het geschil
 
Naar aanleiding van het over en weer door partijen gestelde overweegt de commissie het volgende.
 
In de overeenkomst van opdracht, gedateerd 17 april 2000, zijn partijen – onder meer -overeengekomen:
Alle geschillen welke mochten ontstaan naar aanleiding van de totstandkoming en/of de uitvoering van de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, zullen worden beslecht overeenkomstig het Reglement van de Geschillencommissie Advocatuur.
 
Artikel 7 lid 1 sub a van het Reglement van de Geschillencommissie Advocatuur (hierna: het Reglement) bepaalt dat op verzoek van de advocaat – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien de cliënt zijn klacht niet eerst overeenkomstig de kantoorklachtenregeling bij de advocaat heeft ingediend binnen drie maanden na het moment waarop de cliënt kennis nam of redelijkerwijs had kunnen nemen van het handelen of nalaten dat tot de klacht aanleiding heeft gegeven. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de commissie besluiten het geschil toch in behandeling te nemen, indien de cliënt ter zake van de niet-naleving van de voorwaarden naar het oordeel van de commissie redelijkerwijs geen verwijt treft.
 
De commissie stelt op grond van de door partijen overgelegde stukken vast dat de cliënt de klachten betreffende de ‘levensgrote’ kans, het ‘geflikte dak’ en de toekenning van een schadevergoeding van € 9.076,– pas bij het aanhangig maken van het geschil bij de commissie kenbaar heeft gemaakt en derhalve niet eerst bij de advocaat heeft ingediend. Evenmin is de commissie gebleken dat de cliënt ter zake van deze niet-naleving van de voorwaarden redelijkerwijs geen verwijt treft. De commissie merkt hierbij op dat de cliënt – bekend met (de inhoud van) het verzoek van de advocaat – geen gebruik heeft gemaakt van de door de commissie geboden gelegenheid hierop te reageren. Gelet hierop komt de commissie tot de conclusie dat de cliënt ten aanzien van voornoemde klachten niet ontvankelijk moet worden verklaard.
 
Ten aanzien van de klachten betreffende de kostenbegroting van ƒ 5.000,–, de kwestie van de door de rechter te benoemen deskundige en onjuiste rechtsoverwegingen van het tussenvonnis, de aanwezigheid van de cliënt tijdens een getuigenverhoor, de appèlmogelijkheid van de vonnissen van de rechtbank en de openstaande declaraties overweegt de commissie als volgt.
 
Artikel 7 lid 1 sub b van het Reglement bepaalt dat eveneens op verzoek van de advocaat – gedaan bij eerste gelegenheid – de cliënt in zijn klacht niet-ontvankelijk wordt verklaard indien na indiening van de klacht als bedoeld onder a nog geen vier weken zijn verstreken of indien voor de klacht binnen deze termijn tussen de advocaat en de cliënt een regeling is overeengekomen die door de advocaat aan de cliënt schriftelijk is bevestigd.
 
Bij de beoordeling van deze klachten gaat de commissie uit van de volgende feiten. Deze feiten worden als vaststaand beschouwd omdat zij blijken uit de niet door cliënt bestreden overgelegde stukken van de advocaat.
 
De advocaat heeft de cliënt d.d. 28 mei 2002 aangeboden in het kader van een minnelijke schikking genoegen te nemen met betaling van de helft van de openstaande declaraties eventueel in een aantal termijnen te betalen, welk aanbod de advocaat desgevraagd onder bepaalde voorwaarden heeft herhaald en uiteindelijk bevestigd aan cliënt bij schrijven van 5 september 2002. De cliënt is deze regeling geheel nagekomen waarna de advocaat hem voor het overige een creditnota heeft toegezonden.
 
Hoewel de minnelijke regeling naar de letter van artikel 7 lid 1 sub b van het Reglement buiten de termijn van vier weken tot stand is gekomen, hebben partijen gehandeld naar de strekking van voornoemd artikel en ziet de commissie ook niet in welk belang de cliënt thans nog heeft bij een beslissing van de commissie over deze klachten. Dit geldt temeer nu de cliënt desgevraagd ook geen verder belang heeft aangegeven. Gelet hierop komt de commissie tot de conclusie dat de cliënt ook ten aanzien van deze klachten niet ontvankelijk moet worden verklaard.
 
Derhalve beslist de commissie als volgt.
 
Beslissing
 
De cliënt wordt in zijn klacht niet-ontvankelijk verklaard.
 
Aldus beslist op 11 april 2003 door de Geschillencommissie Advocatuur.