Houtrot na schilderwerk, wie draagt het risico?

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Algemeen    Categorie: (non)conformiteit / Zorgvuldigheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 26473/27004

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

In het geschil staat de vraag centraal voor wiens rekening en risico, de na de uitvoering van schilderwerkzaamheden, ontdekte houtrot moet komen. Voor de beantwoording van die vraag neemt de commissie al hetgeen partijen hebben afgesproken in ogenschouw. Van belang is de door de ondernemer verleende garantietermijn. Volgens de ondernemer is er niet over al aanwezige houtrot heen geschilderd. Dit leidt tot de conclusie dat het houtrot binnen de gegeven garantietermijn is ontstaan. Niet is gebleken dat de ondernemer vooraf adequaat onderzoek heeft verricht, zoals het meten van het vochtgehalte. De ondernemer heeft aldus niet gehandeld zoals je van een redelijk en bekwaam handelend vakman mag verwachten. Daarbij neemt de commissie in acht dat het als bestendig gebruikelijk geldt dat een vakbekwame ondernemer houtrot meldt, zodat de consument de gelegenheid krijgt dit te laten herstellen.

Volledige uitspraak

Behandeling van het geschil
De Geschillencommissie Algemeen (verder te noemen: de commissie) heeft op 20 juli 2020 een tussenadvies gegeven.

Eerder en wel op 20 december 2019 heeft de commissie een eerste tussenadvies gewezen. Hetgeen in deze uitspraak is overwogen en beslist, dient hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De commissie heeft bij die beslissing de consument ontvankelijk verklaard in haar klacht en bindend advies gewezen waarbij is bepaald dat de ondernemer de tijdens de opleveringskeuring van 3 september 2018 geconstateerde tekortkomingen alsmede de door de deskundige van de commissie onder punt 4 van zijn rapport geconstateerde aanvullende tekortkomingen zo spoedig als de weersomstandigheden dit toelaten, doch binnen een termijn van maximaal 6 maanden na verzending van dit advies aan partijen, zal herstellen door haar eigen vakkundige schilder(s) en de ondernemer ook het sterk verhoogd houtvochtgehalte dat is aangetroffen op het slaapkamerkozijn/raam van de verdieping, bij een tuindeur, rond de oude houtrotreparatie en bij het keukenkozijn bij zijn herstelwerkzaamheden zal moeten betrekken.

Voorts is bepaald dat een en ander zal geschieden onder toe- en opzicht van de ondernemer en na juiste en naar genoegen van partijen oplevering van deze werkzaamheden de ondernemer voor alle geleverde werkzaamheden een garantie verleent voor de duur van 6 jaar.

Tevens is bepaald dat de consument recht heeft op betaling door de ondernemer van een ongemakvergoeding van € 250,– maar dat over de betaling daarvan door de commissie later zal worden beslist.

Mocht na de hiervoor bepaalde herstelwerkzaamheden partijen van mening blijven verschillen over het herstel van de tekortkomingen dan zou de commissie na bericht van partijen bezien of de in deze een nieuw deskundigenbericht noodzakelijk is.

Iedere verdere beslissing is daarbij aangehouden.

De commissie heeft in het tussenadvies van 20 juli 2020 overwogen een nader standpunt van de ondernemer, als reactie op hetgeen de consument op 12 mei 2020 heeft aangegeven, niet in het door het secretariaat beschikbaar gestelde dossier te hebben aangetroffen. Bij navraag bij het secretariaat bleek de ondernemer daartoe niet in de gelegenheid te zijn gesteld terwijl de ondernemer ook niet op de recent door de consument ingebrachte foto’s heeft kunnen reageren.

Daarop heeft de commissie de ondernemer verzocht te reageren op hetgeen de consument in haar brief van 12 mei 2020 heeft aangevoerd en op de ingebrachte foto’s, waarbij van belang is of de zichtbare plekken, plekken zijn die vallen onder de door de commissie bij tussenarrest bepaalde herstelwerkzaamheden.

Daarbij verzocht de commissie de ondernemer voorts de definitieve offerte van 21 maart 2018 te betrekken met daarin aangegeven de door de ondernemer te verrichten werkzaamheden en waarop de opdracht door de consument is verstrekt nu daarbij houtrot niet expliciet is uitgesloten terwijl er in die offerte wel wordt gesproken over plaatselijk repareren.

Iedere verdere beslissing is daarbij aangehouden.

De inhoud van dit tussenadvies moet eveneens als hier ingevoegd en herhaald worden beschouwd.

De commissie heeft vervolgens kennis genomen van de nadere reactie van de ondernemer alsmede van de consument.

De commissie zal bindend adviseren zonder nadere mondelinge behandeling, temeer nu partijen niet uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven een nadere mondelinge behandeling te wensen en de commissie dit alsmede een nadere rapportage van de deskundige niet noodzakelijk acht.

Nader standpunt van de consument
In de kern komt de nadere reactie van 12 mei 2020 van de consument op het volgende neer.

Op 6 mei 2020 zijn de herstelwerkzaamheden gestart. Op 7 mei 2020 werden diverse plekken waar de deskundig van de commissie sterk verhoogd vochtgehalte was geconstateerd, gecontroleerd door de verflagen te verwijderen. Na verwijdering van de in 2018 aangebrachte verflagen bleek er inderdaad sprake te zijn van houtrot. De onderdorpel van de keukenraam en de zijdorpels van het keukenraamkozijn zijn rot.
Daarnaast is de onderplaat, de zijwand en onderdorpel van het dakkapel rot.

Mijn vermoeden dat er door de ondernemer over het houtrot is geverfd is dus juist gebleken. Naar mijn mening is de ondernemer hiervoor aansprakelijk.

De ondernemer heeft aangegeven niet verplicht te zijn houtrot tijdens het schilderwerk te melden en is geenszins van plan de schade te betalen.

Voorts betwist de consument hetgeen de ondernemer naar aanleiding van het laatste tussenadvies heeft gesteld.

Voor haar leidt het geen twijfel dat de ondernemer over houtrot heeft geschilderd. Het ontbreken van de te nemen verantwoording van de ondernemer en het niet aanbieden van excuses, stemt haar enorm verdrietig. Zij vraagt de commissie een hogere vergoeding vast te stellen dan de in het eerste tussenadvies verleende vergoeding.

Zij heeft ter beperking van verdere schade in verband met de gebleken houtrot gekozen voor en is akkoord gegaan met de offerte van een derde omdat zij daar meer vertrouwen in heeft dan de door de ondernemer uitgebrachte onduidelijke offerte. Deze derde gaat de houtrotreparaties uitvoeren.

Nader standpunt van de ondernemer
In de kern en voor zover relevant komt de nadere reactie van de ondernemer op het volgende neer.

Houtrot is vaak niet zichtbaar tijdens de initiële schouw door de schilder. Ook tijdens de uitvoering van het schilderwerk is houtrot vaak niet vast te stellen. Houtrotherstel is vaak kostbaar, met name als er delen vervangen moeten worden. Daarom is houtrotherstel niet standaard in de offertes opgenomen.

Indien tijdens de uitvoering houtrot wordt vastgesteld, wordt dit in overleg en alleen met akkoord van de consument als meerwerk toegevoegd aan de offerte. Het rapport dd. 29 oktober 2018 van de bouwkundig inspecteur van Vereniging Eigen Huis (hierna VEH) geeft aan, dat er geen indicaties van houtrot zijn.

In november 2018 is de consument voorgesteld om de laatste herstelpunten uit het VEH rapport, door een andere schilder te laten uitvoeren. Op 27 november 2018 geeft de consument echter bij VEH aan hiermee niet akkoord te gaan en naar de geschillencommissie te stappen. Pas op 5 september 2019 vindt er een deskundigenonderzoek door geschillencommissie plaats. Op 6 mei 2020 starten de herstelwerkzaamheden, waarbij houtrot wordt aangetroffen.

Herstel van houtrot dat aan de dakkapel (voorgevel) onder trespa is aangetroffen (zie foto’s 1 en 2 in de bijlage), valt niet onder de verantwoordelijkheid van de ondernemer. Herstel hiervan is derhalve voor eigen rekening van de consument. Er is hiervoor een offerte opgemaakt, welke reeds in het dossier is opgenomen.

Houtrotherstel keukenraam/kozijn en onderkant raamkozijn dakkapel (zie foto’s 3,4 en 5) vallen wel onder de overeenkomst en worden voor onze rekening hersteld. Er is hiervoor een aparte offerte ad € 453,75 opgemaakt.

De consument heeft echter zonder enig overleg besloten een ander de opdracht te geven het door hen geoffreerde herstel uit te voeren. Deze offerte ad € 1.324,95 (inclusief BTW) betreft al het houtrotherstel, inclusief het gedeelte dat voor rekening van de ondernemer is.

De bouwkundig inspecteur van VEH heeft bij zijn inspectie géén houtrot aangetroffen. De ondernemer kan niet verantwoordelijk gehouden worden voor het verergeren van verborgen houtrot, dat eventueel ontstaan is door het lange tijdsbestek door de behandeling via de geschillencommissie.
De ondernemer heeft in november 2018 namelijk al aangeboden om herstel door een andere schilder te laten uitvoeren. Dit is door de consument echter geweigerd.

De ondernemer heeft al aangeboden het herstelde hout wat niet onder de overeenkomst valt kosteloos te schilderen. De ondernemer wil daarnaast de consument tegemoet komen, door het geoffreerde herstel van een derde ad € 453,75 (inclusief BTW) aan de consument te vergoeden.

De ondernemer betwist dat er sprake zou zijn geweest van onbeschoft gedrag van een van de medewerkers naar de consument toe.
Er is niet over houtrot geschilderd. Het herstel had al veel eerder kunnen worden uitgevoerd. Echter, de consument wou dit niet en heeft de weg van de commissie gekozen waardoor er vertraging in die uitvoering is ontstaan.

De ondernemer heeft zich altijd bereid verklaard mee te werken aan een goede, doch rechtvaardige oplossing en handhaaft het voorstel gedaan in de reactie van 6 augustus 2020 en zoals hiervoor is weergegeven en met behoud van de overeengekomen garantie.

Beoordeling van het geschil
De commissie heeft goede nota genomen van de door de ondernemer geformuleerde ‘ onjuistheden tijdens de behandeling van het geschil’.

Wat betreft de mondelinge behandeling op 20 juli 2020 zonder de aanwezigheid van partijen over de vraag of er een nader onderzoek door de deskundige gewenst was, wijst de commissie er op dat de behandeling ook in het belang van de ondernemer en in het belang van een goede en evenwichtige beoordeling is aangehouden toen bij navraag bij het secretariaat bleek dat de ondernemer niet in de gelegenheid was gesteld te reageren op hetgeen de consument in haar brief van 12 mei 2020 heeft aangevoerd alsmede op de door haar ingebrachte foto’s.

Voorts overweegt de commissie het volgende.

De commissie stelt uit hetgeen partijen over en weer hebben ingebracht en niet dan wel onvoldoende hebben weersproken vast dat partijen thans nog van mening verschillen over de door houtrot aangetaste delen te weten de onderdorpel van de keukenraam, de zijdorpels van het keukenraamkozijn alsmede de onderplaat, de zijwand en onderdorpel van het dakkapel (houtrot achter trespa).

Dat deze zijn aangetast door houtrot staat tussen partijen niet ter discussie. Het gaat om de vraag voor wiens risico en rekening dit komt.

Voor de beantwoording van die vraag is – gelet op hetgeen thans ter tafel ligt – een nader onderzoek door de deskundige niet nodig.

Vaststaat dat de consument inmiddels na offerte gekozen heeft voor de herstelwerkzaamheden van al het geconstateerde houtrot door een derde.

De commissie is met partijen van oordeel dat het geconstateerde houtrot van de onderdorpel van het keukenraam, de zijdorpels van het keukenraamkozijn alsmede de onderkant raamkozijn dakkapel (foto 3 als bijlage verweer ondernemer d.d. 6 augustus 2020) voor rekening en risico komt van de ondernemer. Daarbij betrekt de commissie ook de door de ondernemer met de consument overeengekomen garantie van 6 jaar op het door hem uitgevoerde werk.

In het geval er sprake zou zijn van het schilderen over houtrot door de ondernemer heeft deze niet gehandeld zoals je van een redelijke en bekwaam handelende vakman mag verwachten. In het geval – zoals de ondernemer aanvoert – dat er niet over houtrot is geschilderd moet deze houtrot dus kennelijk zijn ontstaan binnen korte tijd en in iedere geval binnen de garantietermijn, na de uitvoering van zijn werkzaamheden.

Ook in dat geval heeft de ondernemer naar het oordeel van de commissie bij de uitvoering van deze werkzaamheden niet gehandeld zoals je van een redelijke en bekwaam handelende vakman mag verwachten. Immers aldus bezien is de ondernemer bij de uitvoering van zijn werkzaamheden (zonder destructief onderzoek of meten van het vochtgehalte) dusdanig tekort geschoten dat er in korte tijd desondanks houtrot heeft kunnen ontstaan.

Andere feiten en omstandigheden die wat betreft dit laatste het tegendeel zouden kunnen opleveren zijn niet dan wel onvoldoende gebleken.

Derhalve heeft de ondernemer naar het oordeel van de commissie dan ook niet gehandeld zoals je van een redelijk en bekwaam handelende vakman mag verwachten.

Nu een derde deze schade zal herstellen dient de ondernemer de consument een bedrag hiervoor te vergoeden. Het door de ondernemer aangeboden bedrag van € 453,75 komt de commissie redelijk voor.

Daarnaast dient de ondernemer (zoals ook door hem is erkend) mede gelet op de bij overeenkomst verleende garantie na dit herstel het herstelde voor eigen rekening te schilderen.

De consument dient de ondernemer hiertoe wel in de gelegenheid te stellen tenzij zij mocht menen een ander dit schilderwerk te willen laten doen in welk geval dit dan geheel voor haar eigen rekening en risico is.

Wat betreft het overige houtrot van het dakkapel brengt naast hetgeen bestendig gebruikelijk is een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten overeenkomst mee dat dit voor rekening van de consument zal moeten worden hersteld.

Daarbij wijst de commissie er op dat in het algemeen als bestendig gebruikelijk geldt in het geval er een dakkapel geschilderd moet worden en de ondernemer constateert bij aanvang of tijdens de werkzaamheden houtrot een vakbekwame ondernemer dit zal moeten melden aan de consument en dit tegen meerwerk eerst hersteld zal moeten worden. Tenzij houtrot reparatie uitdrukkelijk in de overeenkomst/offerte is opgenomen, hetgeen in deze niet is komen vast te staan.

De commissie verstaat dat de ondernemer in dit verband heeft aangeboden na dit herstel door die derde het herstelde hout kosteloos voor de consument te zullen schilderen met behoud van de overeengekomen garantie. Dit komt de commissie ook redelijk voor en zal zulks dan ook bepalen. Ook hier geldt dat indien de consument mocht menen een ander dit schilderwerk te willen laten doen, dit dan geheel voor haar eigen rekening en risico is.

Zoals eerder bij tussenadvies overwogen komt de consument in deze een ongemaksvergoeding toe ten bedrage van € 250,–.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de door de ondernemer te vergoeden schade en ten behoeve van de consument kosteloos te verrichten werkzaamheden is de consument hiermede voldoende gecompenseerd. Daarnaast heeft de consument de reden voor een hogere vergoeding onvoldoende onderbouwd. Een hogere door de consument verzochte vergoeding wijst de commissie dan ook af.

Hetgeen partijen voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

De slotsom is dan ook dat de klacht van de consument grotendeels gegrond is.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
Verklaart de klacht grotendeels gegrond.

Bepaalt dat de ondernemer aan de consument dient te betalen een bedrag van € 703,75 (€ 453,75 + € 250,–).

Bepaalt dat de ondernemer na de herstelwerkzaamheden van de derde zoals hiervoor is overwogen voor de consument kosteloos het schilderwerk daarvan zal verrichten met behoud van de overeengekomen garantie van 6 jaar tenzij de consument zulks niet meer wenst het schilderwerk zal gunnen aan een derde in welk geval dit voor haar eigen rekening en risico is.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 125,– aan de consument te vergoeden ter zake van het klachtengeld.

Van het door de consument gestorte depot ten bedrage van € 838,39 zal dan ook € 828,75 (€ 703,75 + € 125,–) worden betaald aan de consument en het restant, € 9,64, aan de ondernemer.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Algemeen, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer J. Hania en mevrouw drs. P.C. Hoogeveen-de Klerk, leden, op 14 september 2020.