Onbevoegdheid van commissie door betwisting van overeenkomst tot arbitrage

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Advocatuur    Categorie: (On)bevoegdheid    Jaartal: 2020
Soort uitspraak: onbevoegdverklaring   Uitkomst: onbevoegd   Referentiecode: 6331/6445

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over

De advocaat klaagt dat de cliënt de declaraties voor zijn werkzaamheden niet voldoet. Aan de cliënt is de keuze gegeven om het geschil door de rechter of door de commissie te laten beslechten. Er werd ook gewezen op de noodzaak van de akte van compromis. De cliënt gaf aan dat hij mediation wenste of beslechting door de commissie, daarop is de akte van compromis toegestuurd. De cliënt geeft aan dat de advocaat hem onder druk heeft gezet om de akte van compromis te ondertekenen. De cliënt wist op het moment van ondertekenen niet wat en waarvoor hij tekende. Volgens de advocaat is van enige verassing of druk om te ondertekenen geen sprake geweest. De cliënt heeft de akte eerder ontvangen en doorgelezen, dus wist waar hij voor tekende. De commissie oordeelt dat onvoldoende vast staat dat er sprake is van een overeenkomst om dit geschil bij arbitrage door de commissie te laten beslechten. De commissie is onbevoegd om dit geschil te behandelen.

Volledige uitspraak

Onderwerp van het geschil
De hoofdzaak betreft een declaratiegeschil waarbij de cliënt zich primair op het standpunt stelt dat de commissie deze niet mag behandelen.

Standpunt van de advocaat ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie
Voor het standpunt van de advocaat verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

Omdat cliënt langere tijd de declaraties onbetaald liet, is hem middels de e-mail van 26 oktober 2018 de keuze gegeven om het geschil door de rechter of door de commissie te laten beslechten. Met die e-mail is een link naar de website van de commissie gestuurd waarop informatie over de procedure bij de commissie gegeven wordt. In de brief werd ook gewezen op de noodzaak van de akte van compromis. Op de site van de commissie heeft cliënt de gevolgen en voorwaarden verbonden aan de procedure bij de commissie kunnen lezen.

De keuze tussen de burgerlijke rechter en de commissie is volledig en in alle vrijheid aan cliënt gelaten waarbij hem volledige openheid van zaken is gegeven over de procedure bij de commissie.

Op 28 november 2018 gaf cliënt aan dat hij mediation wenste of beslechting door de commissie. Daarop is middels brief van 29 november 2018 de akte van compromis toegestuurd.

Op 20 december 2018 heeft een eerste gesprek met de door cliënt benaderde mediator plaats gehad. Ter gelegenheid van die bespreking heeft cliënt de door hem ondertekende akte van compromis meegenomen. Blijkens die akte heeft cliënt deze op 12 december 2018 ondertekend.

De bedoeling van het mediation gesprek was om naar een oplossing van het geschil te zoeken. Tijdens de bespreking is een voorstel gedaan om tot een oplossing te komen. Onderaan de akte heeft cliënt tijdens de bespreking met de hand bijgeschreven dat als uiterlijk op 5 januari 2019 het geschil onderling (naar de commissie begrijpt: niet) beslecht zou zijn, deze aan de commissie voorgelegd zou mogen worden. Cliënt wenste tot die datum de tijd hebben om over het tijdens de bespreking gedane voorstel na te denken. Cliënt was zich dus bewust van de gevolgen van het ondertekenen van de akte.

Bij e-mail van 20 december 2018 is het mediation gesprek bevestigd alsmede de bereidheid de cliënt te helpen.

Anders dan cliënt stelt, is de akte dus niet ter gelegenheid van de bespreking op 20 december 2018 aan hem overhandigd. Hij heeft de akte eerder ontvangen en ondertekend en meegenomen naar de bespreking. Van enige verrassing en/of druk om te ondertekenen is dus geen sprake geweest. Het is dan ook niet juist dat een ondertekende akte van compromis door de advocaat als voorwaarde gesteld zou zijn om aan een mediation gesprek mee te werken.

Cliënt is steeds de keuze voorgehouden: beslechting van het geschil door de rechter of door de commissie. Cliënt is er op gewezen dat bij beslechting door de commissie zijn instemming nodig is. Hij heeft zelf als zijn voorkeur beslechting door de commissie aangegeven en heeft om die reden de akte van compromis ondertekend.

De advocaat heeft een juiste voorstelling van zaken gegeven. Van dwaling kan dan ook geen sprake zijn.

Standpunt van de cliënt ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie
Voor het standpunt van de cliënt verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De commissie kan alleen klachten behandelen wanneer partijen schriftelijk hebben afgesproken dat de Klachten- en Geschillenregeling Advocaat van toepassing is. Wanneer partijen dit niet overeen zijn gekomen, kunnen partijen achteraf door middel van een akte van compromis alsnog afspreken dat het geschil door de commissie mag worden behandeld. Beide partijen moeten de akte van compromis ondertekenen.

De advocaat heeft de door beide partijen ondertekende akte van compromis overgelegd. De advocaat heeft dit document tijdens een mediation gesprek in december 2018 aan cliënt overhandigd. De akte was door de advocaat al geheel ingevuld inclusief de opmerkingen “Graag hier uw paraaf” en “Hier uw handtekening”.
Cliënt was hier vooraf niet over geïnformeerd en verkeerde in de veronderstelling dat partijen tijdens het mediation gesprek samen op zoeken zouden gaan naar oplossingen voor hun geschil. De akte van compromis kwam voor cliënt dan ook als een complete verrassing en hij was hierdoor overrompeld.
Cliënt is vooraf niet geïnformeerd over de akte van compromis en de voorwaarden en gevolgen die hieraan verbonden zijn. Zo was cliënt niet bekend met de voorwaarden die op pagina 2 van door de advocaat ingebrachte productie 1 staan. Deze zijn cliënt niet eerder door de advocaat overhandigd of aan hem medegedeeld.

Ook tijdens het gesprek is cliënt hier noch door de advocaat noch door de mediator over geïnformeerd.
Ook uit de e-mail van 26 oktober 2018 blijkt dat cliënt niet is gewezen op de voorwaarden en gevolgen van een procedure bij de commissie. Uit de reactie van cliënt van 28 november 2018 blijkt ook dat hij vraagt om mediation en niet om een procedure bij de commissie. Tot slot blijkt uit de e-mail dat cliënt om hulp vraagt en het zonder hulp niet kan.

De advocaat heeft de cliënt onder druk gezet om de akte van compromis ter plekke te ondertekenen. Wanneer de cliënt niet zou ondertekenen, zou de advocaat niet meer meewerken aan de mediation. Cliënt wou de mediation graag voortzetten.

Cliënt had op het moment van ondertekenen geen ondersteuning en was hij als gevolg van PTSS niet in staat zichzelf te verdedigen. Cliënt geeft in zijn e-mail van 28 november 2018 ook aan dat hij hulp nodig heeft. De advocaat was op de hoogte van de medische situatie van cliënt en ermee bekend dat cliënt een begeleider had en heeft. De advocaat schrijft zelf in de memorie van grieven dat cliënt een Wajong uitkering ontvangt, concentratieproblemen heeft, moeilijk beslissingen kan nemen, makkelijk te beïnvloeden is en geestelijk instabiel is. De advocaat heeft ook contact gehad met de psycholoog van cliënt.
Uit het voorgaande volgt dat cliënt op het moment van ondertekenen niet wist wat en waarvoor hij tekende. Cliënt was niet in staat de gevolgen hiervan te overzien. De advocaat had cliënt niet aldus mogen confronteren en onder druk mogen zetten voor het tekenen van de akte van compromis.

Er is sprake van dwaling.

Cliënt had bij een juiste voorstelling van zaken de akte van compromis niet ondertekend. De dwaling kan cliënt niet worden verweten en komt niet voor zijn rekening. De rechtshandeling van cliënt, de ondertekening van de akte van compromis, wordt daarom vernietigd. De handtekening van cliënt is vernietigd en cliënt heeft derhalve geen toestemming gegeven om het geschil aan de commissie voor te leggen. Nu partijen ook schriftelijk niet zijn overeengekomen dat de Klachten- en Geschillenregeling Advocatuur van toepassing is, is de commissie niet-ontvankelijk en mag zij deze klacht niet behandelen.

Beoordeling van het geschil
De arbiters hebben het volgende overwogen.

De advocaat wenst betaling door de cliënt van het naar zijn mening nog openstaande bedrag voor verrichte werkzaamheden en heeft zich tot de commissie gewend teneinde een bindend advies te verkrijgen dan wel een arbitraal vonnis.

Wat betreft die vordering van de advocaat weigert de cliënt het door de advocaat gevorderde bedrag bij de commissie in depot te storten. Immers, naar zijn mening is hij niets aan de advocaat verschuldigd.
In het geval de cliënt het gevorderde bedrag niet in depot zal storten heeft de advocaat de commissie verzocht dit geschil door arbitrage te beslechten.

Nu de cliënt behandeling door de commissie kennelijk niet wenst, dient eerst vast komen te staan of er – zoals rechtens is vereist – sprake is van een tussen partijen gesloten overeenkomst tot arbitrage.

Daarbij overwegen de arbiters als volgt.

De gemachtigde van cliënt heeft namens deze aangevoerd dat de cliënt zou hebben gedwaald ten tijde van het ondertekenen van die akte, hetgeen de advocaat heeft weersproken door met name te wijzen op een mail van de cliënt d.d. 28 november 2018 als antwoord op de vraag of de zaak bij de commissie dan wel de rechter moet worden voorgelegd.

In die mail schrijft de cliënt: ‘ …graag zoek ik mediation hierbij of de door u voorgestelde geschillencommissie. Mijn klacht bij de deken is u bekend. Ik heb hulp en zorg nodig om dit verder te schrijven. U kent mijn medische situatie. Ik verzoek om overleg.’

De arbiters stellen vast dat de cliënt rechtens een maand de tijd heeft gehad zijn keuze te maken bij welke instantie dit geschil moet worden beslecht. Immers, het verzoek daartoe is door de advocaat bij mail d.d. 26 oktober 2018 gedaan en de cliënt heeft daarop bij genoemde mail van 28 november 2018 geantwoord.

Voorts heeft er tussen partijen een eerste mediation gesprek plaatsgevonden op 20 december 2018 bij gelegenheid de op 12 december 2018 door de cliënt getekende akte van compromis aan de advocaat is verstrekt.

Onweersproken is naar voren gekomen dat tijdens een gesprek medio januari 2019 tussen partijen in aanwezigheid van de deken het door de cliënt niet betwiste bedrag van de vordering is vastgesteld alsmede het betwiste deel. Omtrent dit betwiste deel zou de deken een bindend advies geven. Zover is het niet gekomen omdat de cliënt ‘enkel kon instemmen met een adviserende rol en niet een bindend advies i.v.m. de fouten in MvG.’

De advocaat heeft de cliënt bij schrijven van 6 juni 2019 te kennen gegeven na ampel beraad met de deken zich als advocaat van de cliënt te onttrekken. De reden daarvoor was gelegen in het geruime tijd uitblijven van betaling door de cliënt ondanks de door de advocaat gedane voorstellen tot een minnelijke regeling te komen en het ervaren van gebrek in vertrouwen.

Bij brief van 8 augustus 2019 heeft de advocaat de zaak aanhangig gemaakt bij de commissie.

Gelet op het hiervoor weergegeven tijdspad van feiten en omstandigheden na ondertekening door de cliënt van de akte van compromis alsmede zijn hiervoor weergegeven mail waarin hij mediation zoekt of de door de advocaat voorgestelde geschillencommissie, alsmede het verloop van het mediation met inbegrip van het hiervoor weergegeven traject met behulp van de deken, is naar het oordeel van de arbiters onvoldoende komen vast te staan dat sprake is van een overeenkomst dit geschil bij arbitrage door de commissie te laten beslechten.

Reeds op grond van het voorgaande achten de arbiters zich dan ook onbevoegd het geschil te behandelen.
Aan de vraag of al dan niet sprake was van dwaling komen de arbiters dan ook niet toe.

Hetgeen partijen voorts nog hebben aangevoerd behoeft geen bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Derhalve wordt als volgt beslist.

Beslissing
De arbiters verklaren zich onbevoegd het geschil te behandelen.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Advocatuur, bestaande uit de heer mr. N. Schaar, voorzitter, de heer mr. I.L. Haverkate, mevrouw drs. P.C. Hoogeveen – de Klerk, leden, in aanwezigheid van mevrouw mr. L. Kramer, secretaris, op 29 mei 2020.