Ondernemer heeft hond van consument onterecht toegang tot recreatiepark ontzegt

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Recreatie    Categorie: Algemene voorwaarden / Ontzeggen toegang / Vakantiegenot    Jaartal: 2024
Soort uitspraak: bindend advies   Uitkomst: gegrond   Referentiecode: 221989/240257

De uitspraak:

Waar gaat de uitspraak over?

De ondernemer heeft de hond van de consument de toegang tot het recreatiepark ontzegt. De consument is het daar niet mee eens. De ondernemer heeft de consument niet gewaarschuwd en de ondernemer heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de hond gevaarlijk of agressief was. De commissie is daarom van oordeel dat de ondernemer de hond van de consument onterecht de toegang tot het park heeft ontzegt. Daardoor heeft de consument gedurende de tijd dat de toegang was ontzegt geen relevant vakantiegenot beleefd. De klacht is gegrond en de consument heeft recht op een schadevergoeding over die periode.

De uitspraak

Behandeling van het geschil
Partijen zijn overeengekomen dit geschil bij wijze van bindend advies door de Geschillencommissie Recreatie (hierna te noemen: de commissie) te laten beslissen.

Het geschil gaat over een beslissing van de ondernemer van 27 mei 2023, waarin de hond van de consument met onmiddellijke ingang de toegang tot de camping is ontzegd.

Standpunt van de consument
Voor het standpunt van de consument verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In de kern komt het standpunt op het volgende neer.

De consument is het niet eens met de ontzegging. Hij betwist dat zijn hond agressief of gevaarlijk is. De consument staat al zes seizoenen op de camping en is vorig seizoen (2022) voor het eerst met zijn hond gekomen. Toen waren er helemaal geen klachten over de hond. En in 2023 heeft zijn hond ook nooit losgelopen op de camping en was hij altijd aangelijnd. In het weekend van Pasen 2023 is zijn hond, [naam], losgeschoten uit zijn hand toen hij haar wilde gaan uitlaten.

Zij is toen naar buiten gerend en is gaan blaffen naar een andere hond. Er is daarbij niks gebeurd, hij heeft daar ook getuigen van die dit kunnen bevestigen, maar daar is nooit wat mee gedaan door de ondernemer. De consument wil dat alles teruggedraaid wordt en wil een schadevergoeding voor de periode dat hij er niet was.

Standpunt van de ondernemer
Voor het standpunt van de ondernemer verwijst de commissie naar de overgelegde stukken. In zijn verweerschrift van 24 november 2023 heeft de ondernemer, voor zover thans van belang, het volgende naar voren gebracht.

Vanaf het begin van het recreatieseizoen 2023 heeft de hond van de consument voor riskante situaties op het park gezorgd. De hond gedroeg zich uiterst agressief en het was een situatie waarbij het wachten was op ongelukken. Er waren veel meldingen van gasten die dit een gevaarlijke situatie vonden. De ondernemer heeft hierin uiteraard een zorgplicht. De weigering van de consument om zijn hond vast te leggen aan een lijn (een voorwaarde op het park) heeft geleid tot meerdere gesprekken met het parkbeheer. Dit zonder resultaat. De heer [naam] zelf heeft telefonisch ook nog geprobeerd de consument te manen zijn hond vast te leggen om ongelukken te voorkomen. Dit ook zonder resultaat.

Hierna is de communicatie per mail voortgezet en is de consument bij e-mail van 27 mei 2023 gemeld dat hij van harte welkom blijft op het park, maar dat er wel een verbod is ingesteld voor zijn hond. De ondernemer is van mening dat de klacht ongegrond is. Dat geldt ook voor het verzoek van de consument om een schadevergoeding. In de e-mail van 27 mei 2023 is de consument een aanbod gedaan om te vertrekken en hem zijn resterende stageld te retourneren. Hier heeft de consument niet voor gekozen en hij is akkoord gegaan met de continuering van zijn verblijf zonder hond. Het is in de optiek van de ondernemer niet correct dat de consument vervolgens gebruik heeft gemaakt van het vakantieverblijf tot aan het einde van het seizoen en nu met deze schadevergoedingsclaim komt.

Beoordeling van het geschil
1. Voor de beoordeling van dit geschil is allereerst punt 11 van de Huisregels van de camping van belang. Deze bepaling, die naar het oordeel van de commissie terecht tot uitdrukking brengt dat de ondernemer verantwoordelijk is voor de veiligheid op de camping, luidt als volgt: “Per kampeerplaats zijn 2 huisdieren toegestaan, je huisdier dient ten allen tijde aangelijnd te zijn, en dient buiten het terrein uitgelaten te worden.”

2. De consument heeft betwist dat hij deze bepaling heeft overtreden; zijn hond was altijd aangelijnd. De ondernemer, op wie de bewijslast van de overtreding van punt 11 rust, heeft in deze procedure niet aannemelijk weten te maken dat de hond van de consument niet aangelijnd was. De ondernemer heeft dat weliswaar gesteld, maar hij heeft die stelling met geen enkel (objectief) bewijsstuk (bijvoorbeeld getuigenverklaringen) onderbouwd. Zelfs in de e-mail van de ondernemer van 27 mei 2023 wordt niet vermeld dat de hond niet aangelijnd was. Deze brief luidt immers – voor zover thans van belang – als volgt:

“Naar aanleiding van meerdere klachten van mede-kampeerders en constateringen van de leiding van [de ondernemer] heeft ons campingbeheer getracht een oplossing te vinden v.w.b. het gedrag van uw hond. Zowel wij als organisatie als vele mede gasten schatten uw hond als zeer gevaarlijk in, er is door een aantal mensen zelfs aangifte gedaan. Ook heeft u geen gehoor gegeven aan adviezen en waarschuwingen van ons campingbeheer. Tot op heden hebben deze gesprekken niet geresulteerd in een oplossing (…) Formeel ontzeg ik uw hond dan ook per vandaag, 27 mei 2023, de toegang tot [de camping van de ondernemer].”

3. De ondernemer heeft in deze procedure ook niet aannemelijk weten te maken dat de hond van de consument gevaarlijk of agressief was. In de e-mail van 27 mei 2023 heeft de ondernemer in dat verband aangevoerd dat een aantal mensen zelfs aangifte had gedaan, maar na betwisting daarvan door de consument heeft de ondernemer erkend dat van aangifte bij de politie geen sprake is geweest. Ook anderszins ontbreekt ieder (objectief) aanknopingspunt voor de stelling van de ondernemer dat de hond van de consument gevaarlijk of agressief was.

4. Los van het bovenstaande heeft de voorzitter van de commissie tijdens de mondelinge behandeling al opgemerkt dat bij overtreding van punt 11 van de Huisregels in beginsel altijd eerst een waarschuwing gegeven moet worden, voordat tot een toegangsverbod kan worden gekomen. Alleen in zeer bijzondere omstandigheden (bijvoorbeeld wanneer een hond (ernstig) letsel aan iemand op de camping zou toebrengen) kan naar het oordeel van de commissie van deze waarschuwing worden afgezien en kan een onmiddellijk toegangsverbod worden gegeven. Van een zodanige bijzondere omstandigheid is in dit geval echter geen sprake. De ondernemer heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat hij de consument telefonisch heeft gewaarschuwd, maar de consument heeft dat met klem betwist en voor de gestelde mondelinge waarschuwing zijn in het dossier geen objectieve aanknopingspunten te vinden. Bij deze stand van zaken en bij gebrek aan een schriftelijke waarschuwing moet het er in deze procedure dan ook voor worden gehouden dat de ondernemer zonder voorafgaande waarschuwing tot een onmiddellijk toegangsverbod voor de hond is overgegaan. Dat is echter onzorgvuldig dan wel disproportioneel. De beslissing van de ondernemer op 27 mei 2023 mist dan ook een toereikende grondslag en het toegangsverbod had dus (nog) niet gegeven mogen worden.

5. Met betrekking tot de verzochte schadevergoeding, heeft de consument naar aanleiding van het verweerschrift van de ondernemer het volgende naar voren gebracht: “Zonder mijn hond heb ik niets te zoeken op het park en mijn bezoekjes aan het park waren nodig om aan mijn verplichting te voldoen. De plaats moet opgeruimd zijn en er moet gras gemaaid worden volgens de reglementen en hieraan heb ik willen voldoen. Ik ben enkel hiervoor op de camping geweest en deze bezoekjes duurde niet langer dan 2 u omdat mijn hond niet zolang alleen kan zijn. Ik had gehoopt dat het geschil via de geschillencommissie snel zou kunnen worden opgelost en ik tot het einde van het seizoen nog gewoon op de camping zou kunnen zijn.”

De ondernemer heeft het bovenvermelde standpunt van de consument tijdens de mondelinge behandeling niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. Uit dat standpunt volgt naar het oordeel van de commissie voldoende dat de consument na 27 mei 2023 geen relevant vakantiegenot meer heeft gehad van zijn seizoenplaats. Daarom heeft hij recht op een tegemoetkoming. Nu een seizoenplaats op de camping in 2023 van 1 april tot en met 29 oktober liep en in totaal € 1.416,- kostte, stelt de commissie die tegemoetkoming vanaf 27 mei 2023 tot en met 29 oktober 2023 naar redelijkheid en billijkheid vast op € 1.050,-.

5. Omdat de klacht gegrond is moet de ondernemer tevens het klachtengeld aan de consument vergoeden en is hij behandelingskosten aan de commissie verschuldigd.

6. Dit leidt de commissie tot de volgende beslissing.

Beslissing

De ondernemer dient aan de consument binnen 30 kalenderdagen na de verzending van deze beslissing een bedrag (terug) te betalen van € 1.050,-.

Bovendien dient de ondernemer overeenkomstig het reglement van de commissie een bedrag van € 52,50 aan de consument te vergoeden in verband met het klachtengeld.

Overeenkomstig het reglement van de commissie is de ondernemer ook behandelingskosten verschuldigd, te betalen aan het secretariaat van de commissie.

Aldus beslist door de Geschillencommissie Recreatie, bestaande uit de heer mr. J.L. Sierkstra, voorzitter, mr. M. de Rooij-Slager en mevrouw J. van Haren, leden, op 5 februari 2024.