Ondernemer niet aansprakelijk voor kosten van een derde tot beoordeling van het probleem.

De Geschillencommissie
Print Friendly, PDF & Email




Commissie: Installerende bedrijven    Categorie: Ondeugdelijke levering / (non-)conformiteit    Jaartal: 2013
Soort uitspraak: -   Uitkomst: -   Referentiecode: 45631

De uitspraak:

Onderwerp van het geschil

Het geschil vloeit voort uit een op of omstreeks 15 mei 2009 tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De ondernemer heeft zich daarbij verplicht tot het verrichten van overeengekomen werkzaamheden (verbouwing van een badkamer) tegen de daarvoor door de consument te betalen prijs van € 12.500,–. Op 25 juni 2009 is de opdracht aangevuld met een opdracht tot renovatie van een toilet voor een bedrag van € 4.150,–. De oplevering van de werkzaamheden vond plaats in week 29 van 2009 en in augustus 2009. De consument heeft op 1 april 2010 de klacht voorgelegd aan de ondernemer. De consument heeft een bedrag van € 832,50 niet betaald en bij de commissie gedeponeerd.   Standpunt van de consument   Het standpunt van de consument luidt in hoofdzaak als volgt.   Na oplevering van het werk is discussie ontstaan over de tekortkomingen en onvolkomenheden. De ondernemer heeft nagelaten om alle geconstateerde gebreken te herstellen. Bij brief van 1 april 2010 is de ondernemer in gebreke gesteld. Meer in het bijzonder verwijst de consument naar de navolgende klachten:   1. tussen het badkamermeubel en de douchewand is 9 cm minder ruimte dan op de indelingstekening aangegeven; 2. de geleverde wastafelcombinatie heeft niet de juiste afmetingen, met diverse problemen als gevolg; 3. de badkamerkast vertoont gebreken; 4. het aluminium lamellenplafond is niet deugdelijk opgehangen; 5. een inbouwspot in het verlaagd plafond functioneert niet; 6. het fonteintje van het toilet op de begane grond is niet juist gepositioneerd, waardoor het rooster van de verwarming niet kan worden verwijderd en de zitpositie op het toilet niet optimaal is.   Van de punten 2 tot en met 5 verlangt de consument herstel, ten aanzien van de punten 1 en 6 een financiële tegemoetkoming van € 3.000,–. Voor die laatste twee gebreken geldt dat de herstelkosten exceptioneel zijn en dat niet kan worden gegarandeerd dat herstelwerkzaamheden niet zichtbaar zullen zijn.   Voorts verzoekt de consument een vergoeding toe te kennen van € 1.725,50 wegens expertisekosten.   Uit een brief van de ondernemer van 25 november 2009 volgt dat deze in elk geval een deel van de klachten erkent.   Ter zitting heeft de consument verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Het belangrijkste geschilpunt is de kwestie van de ruimte tussen het badmeubel en de douchewand. Ik kan daar nauwelijks meer tussen komen met een laddertje om schoon te maken. Om goed schoon te kunnen maken moet ik daar met een laddertje tussen kunnen.   Nadat onze zoon een ongeval had gekregen en hulp nodig had bij het baden, hebben we ervoor gekozen het bad uit de badkamer te vervangen door een ruime douche. Vervolgens hebben we meteen ook het toilet mee laten nemen.   Er is niet gesproken over een douche van 90 of 93 cm breed. Het korte wandje van de douche moest kunnen klappen en dat kan ook. De tegels moesten worden uitgevoerd als op de tekening aangegeven. Het is niet zo dat ik nu niet meer tussen de douchewand en het badmeubel kan staan.   Standpunt van de ondernemer   Van de ondernemer werd geen schriftelijke reactie op de klacht ontvangen.   In een brief aan de consument van 25 november 2009 verzoekt de ondernemer de consument een afspraak te maken voor het uitvoeren van verschillende werkzaamheden, waaronder het demonteren van het fonteintje op het toilet en het wijzigen van de afvoer in de muur, het monteren van diverse accessoires, het in overleg met de consument bepalen wat te doen met de maatvoering van de douchewand, het nalopen van enkele zaken betreffende het INK meubel en het nazien van het plafond in de badkamer.   Ter zitting heeft de ondernemer verder nog – in hoofdzaak – het volgende aangevoerd.   Op 15 mei 2009 is een schaaltekening 1:20 naar de consument gestuurd. Daar staat het meubel op ingetekend. Later is gekozen voor een meubel van 45 cm diep in plaats van het oorspronkelijk geplande meubel van 40 cm diep.   Op de oorspronkelijke tekening is rekening gehouden met een breedte van de douche van 90 cm en een badmeubel van 40 cm. Bij een opgegeven ruimte van 190 cm houd je dan 60 cm over tussen de douche en het badmeubel. Bij het inmeten bleek de ruimte echter niet 190 cm te zijn, maar 187,5. cm. Vervolgens is gekozen voor een badmeubel met een diepte van 45 cm. Dat verkaart al een afname van 7,5 cm in ruimte tussen het badmeubel en de douchewand.   Voor de wand had de consument een grote tegel uitgekozen van 100×33 cm. In overleg met de tegelzetter is ervoor gekozen om deze tegels symmetrisch aan te brengenten. Dat is vanuit visueel oogpunt mooier. Dat betekende dat de voeg tussen de tegels dus op ongeveer 93 cm kwam te zitten. Vervolgens is besloten om de douchewand op de voeg aan de muur te bevestigen. Ook dat is uit esthetisch oogpunt gedaan, om de voeg tussen de wandtegels weg te werken. Maar daardoor is de ruimte tussen de douchewand en het meubel nog weer 3 cm kleiner geworden. Nu rest nog een ruimte van ongeveer 50 cm in plaats van de oorspronkelijk berekende 60 cm.   Beoordeling van het geschil   De commissie heeft het volgende overwogen.   Voor wat betreft de opleverpunten bestaat tussen partijen geen geschil. De ondernemer heeft aangeboden die te herstellen en de consument wil hem daartoe ook toelaten, nadat een beslissing is verkregen op de kwestie van de ruimte tussen douchewand en badkamermeubel. Op dat punt oordeelt de commissie als volgt.   Uitgangspunt is dat de badkamer in kwestie als een relatief kleine ruimte was. Elke centimeter was er dus één en dat moet partijen ook van meet af aan duidelijk zijn geweest.   Bij het bestellen van de badkamer is uitgegaan van een maatvoering die in de praktijk niet bleek te kloppen. Dat betekende een eerste verlies van 2,5 cm aan beschikbare ruimte. De inrichting daarvan heeft vervolgens in overleg plaats gevonden tussen consument en ondernemer. Na afronding daarvan is in afwijking van het oorspronkelijk plan door de consument gekozen voor een (iets) breder badkamermeubel. Dat leverde nogmaals een ruimteverlies op van 5 cm. Naar het oordeel van de commissie valt de ondernemer ten aanzien van deze verschillen in elk geval niets te verwijten, omdat de consument door inmeting de werkelijke ruimte had kunnen kennen en de keuze voor het badkamermeubel ook door de consument is gemaakt. Vervolgens gaan er tegels aan de wand die 9 mm dik zijn. Met de daarvoor benodigde lijmlaag betekent dat nogmaals een ruimteverlies van minimaal 2 cm. Ook dat is inherent aan de keuze voor het betegelen van de wand, zodat ook dit niet aan de ondernemer kan worden verweten. Ook daar had de consument tevoren rekening mee kunnen houden.   Rest dan alleen nog een verschil van 3 cm dat is ontstaan doordat de douchewand niet op 90 cm, maar op de voeg van de wandtegels is geplaatst. Of hierover overleg heeft plaatsgevonden tussen consument en ondernemer of tussen consument en tegelzetter en, zo ja, wat daarbij precies is besproken, laat zich nu niet meer vaststellen. Aannemelijk is echter wel dat de tegelzetter met de consument heeft besproken hoe de lange tegels gesneden moesten worden: één van 100×33 en één van 87×33 of symmetrisch. Een redelijk vakbekwaam tegelzetter zal zonder overleg met een consument niet zo maar op eigen initiatief voor één van die opties kiezen. De commissie acht het dus aannemelijk dat voor deze wijze van aanbrengen van de tegels is gekozen in overleg met de consument.   Wanneer deze tegels aldus zijn aangebracht (twee tegels van ongeveer 93 cm), dan brengt dat met zich mee dat de douchewand (bij een douche van 90 cm breed) dicht op de voeg komt te staan. Vanuit esthetisch oogpunt is het dan fraaier om de voeg weg te werken door de douchewand op de voeg te plaatsen. Wat op dit punt aan de ondernemer wellicht kan worden verweten is dat hij daarover geen overleg heeft gevoerd met de consument.   Dat nalaten heeft er echter niet toe geleid dat de douche of de badkamer als geheel onbruikbaar is geworden. De consument voert als belangrijkste bezwaar aan dat zij een probleem ondervindt bij het schoonmaken van de ruimte, omdat zij geen laddertje kan gebruiken. Maar de beperking in ruimte tussen douchewand en badkamermeubel staat niet aan een normaal gebruik van de badkamer in de weg. Dat volgt ook uit het feit dat de consument dit niet tegen de daarvoor te maken kosten (en met alle breekwerk van dien) wil laten veranderen. Bovendien, zo blijkt uit het voorgaande, vloeit die beperking in ruimte voor een groot deel voort uit keuzes die de consument heeft gemaakt of beslissingen waar de consument bij is betrokken en waarbij hij redelijkerwijze had kunnen voorzien wat de gevolgen zouden zijn voor de beschikbare ruimte.   Onder die omstandigheden is de commissie van oordeel dat geen grond bestaat om te oordelen dat de ondernemer dermate tekort is geschoten in de uitvoering van de overeenkomst dat dat een grond oplevert om hem gehouden te achten, behoudens hetgeen hierna nog wordt overwogen, een vergoeding te voldoen aan de consument zoals door de consument wordt gevorderd. In dat geval bestaat evenmin een grond om de ondernemer aansprakelijk te houden voor de kosten die voortvloeien uit een opdracht van de consument aan een derde tot beoordeling van het ondervonden probleem.   De commissie is daarom van oordeel dat het door de ondernemer in de brief van 25 november 2009 gedane aanbod tot herstel redelijk is. De commissie gaat er van uit dat hij dat aanbod nakomt en dat de consument hem daartoe de gelegenheid biedt. De consument heeft aangegeven dat het verplaatsen van het fonteintje in het toilet ook niet uitgevoerd hoeft te worden. De commissie acht het billijk dat de ondernemer het bedrag dat hij zich daardoor ten opzicht van zijn aanbod zou besparen nog als vergoeding uitkeert aan de consument. De commissie begroot dat bedrag op € 350,–.   Nu de commissie het door de ondernemer vóór aanvang van de procedure gedane voorstel redelijk acht, bestaat geen grond om het meer of anders door de consument verlangde toe te wijzen. Daarom wordt beslist als na te melden.   Beslissing   De commissie verstaat dat de ondernemer zal handelen overeenkomstig zijn aanbod van 25 november 2009, één en ander met inachtneming van de constateringen in [het rapport] d.d. 30 juni 2010 dienaangaande en onder betaling van een vergoeding aan de consument van € 350,– wegens besparingen op het herstelwerk.   Het door de consument meer of anders verlangde wordt afgewezen.   Met in achtneming van het bovenstaande wordt het depotbedrag van € 832,50 als volgt verrekend. Een bedrag van € 350,– wordt terugbetaald aan de consument. Het restant, € 482,50, wordt uitbetaald aan de ondernemer na ontvangst van bericht van partijen dat de herstelwerkzaamheden deugdelijk zijn uitgevoerd.   Aldus beslist door de Geschillencommissie Installerende Bedrijven op 15 maart 2011.